Hoofdcommentaar

Volksgezondheid krijgt straf die het verdient

Er is bijna geen beter voorbeeld om de argeloosheid van Nederland jegens de uitbreiding van Europa in oosterse richting te illustreren dan het vaderlandse beleid voor buitenlandse artsen die hier willen komen werken. Ze worden op voorhand tegengehouden. Op zichzelf is die houding verklaarbaar. De gezondheidszorg is overal ter wereld een bolwerk van culturele eigendunk. Kritiek daarop is nogal zinloos. Patiënten hebben nu eenmaal meer vertrouwen in een arts uit hun vertrouwde omgeving dan in een vreemde snuiter. Zoals Nederlanders moeite hebben met een dokter met een Slavisch accent, zo hebben Russen meer vertrouwen in een arts die in Moskou is opgeleid.

Kort gezegd komt het beleid van het ministerie van Volks gezondheid er sinds de ontmanteling van het «socialistische kamp» begin jaren negentig dan ook op neer dat nagenoeg alle artsen ten oosten van Oder en Neisse verkeerd zijn opgeleid en ten westen van Lobith niet op patiënten mogen worden losgelaten. Ze hebben vaak een jaar korter op de middelbare school gezeten, tijdens hun studie tentamen moeten doen in marxisme-leninisme en kunnen ook anderszins niet bogen op een gelijkwaardig curriculum. Alleen de Oost-Europese arts die het tegendeel kan bewijzen, heeft enige kans te worden erkend als arts. De vraag of dit bewijs steekhoudend is, wordt overigens eenzijdig beantwoord: namelijk door het departement, dat zich daarbij laat bijstaan door een commissie van ambtenaren en medici.

Dit model is een treffende afspiegeling van de hybride structuur van de gezondheidszorg in Nederland. De medische gilden en ambtelijke hiërarchie reguleren in onderling overleg de toelating. In de praktijk is onduidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en in welke volgorde de loketten moeten worden afgewerkt. Het resultaat voor de buitenlandse arts is een soort omgekeerd labyrint: het probleem is niet hoe je de uitgang vindt, maar waar de ingang van het doolhof zich bevindt.

Sinds zeven jaar is op het departement bekend dat dit systeem een bureaucratische en kostbare puinhoop is. Een wetenschappelijk onderzoek van de Universiteit van Maastricht plus enkele alarmerende analyses van de medische faculteit in Utrecht maakten er vanaf 1997 gehakt van.

Op gezette tijden heeft het departement van Volksgezondheid sindsdien beterschap beloofd. Er kwamen nieuwe namen voor nieuwe commissies met nieuwe leden. Er verschenen voor het eerst wat brochures en adviesrapporten. Er werd via internet een Verwijspunt geopend. Maar aan de simpelste oplossing mocht al die jaren niet worden gedacht. Het amper originele idee om de vreemde medici zich te laten bewijzen door een zwaar (toelatings)examen, zoals in de Verenigde Staten gebeurt, was steeds een brug te ver. Pas sinds een jaar is dat anders. In oktober vorig jaar kondigde minister Hoogervorst van Volksgezondheid aan dat er zo’n test komt. Plus een speciale opleiding om de lacunes bij te scholen. Dit alles is naar verwachting eenderde goedkoper dan het huidige systeem waarin een vreemde arts helemaal opnieuw moet gaan studeren. Lof voor Hoogervorst.

Zijn deze goede voornemens niet wat laat? Tien jaar dacht het departement van VWS op tijd te kunnen spelen: ja zeggen, nee doen. Maar nu zullen de feiten het zorgvuldig gekoesterde labyrint overspoelen. De toetreding van Polen, Tsjechië, Hongarije, Slowakije, Slovenië, Estland, Letland en Litouwen tot de Europese Unie heeft per 1 mei nieuwe verhoudingen geschapen. Brussel heeft de richtlijnen voor de onderlinge diplomawaardering binnen de EU tijdig aan gepast. Alleen artsen die na 1 mei 2004 hun opleiding zijn begonnen, zullen te zijner tijd ook in Nederland worden erkend. Op zichzelf is deze constructie door haar juridische logica al vermakelijk. Brussel gaat er kennelijk van uit dat de medische opleidingen in Oost-Europa precies in 2004 een verbijsterende en kwalitatieve sprong voorwaarts hebben gemaakt, waarmee alle gebreken van een halve eeuw ongedaan zijn gemaakt.

Maar nog opmerkelijker is het kiertje in de richtlijnen dat nu al een gat begint te worden. Poolse en Hongaarse artsen kunnen in Nederland net iets makkelijker worden erkend dan hun collega’s uit de andere ex-socialistische staten, voor wie enkele extra «afwijkende voorwaarden» gelden. Het resultaat: in Polen en Hongarije beginnen artsen, wegens de beroerde arbeids omstandigheden en lage lonen daar, de benen te nemen. Eigenlijk hebben alleen artsen die in privé-klinieken werken, en daar bijvoorbeeld West-Europeanen behandelen die een goedkope borst-, buik- of bilcorrectie wensen, weinig te klagen. In Polen hebben volgens de correspondent van NRC Handelsblad intussen al 250 medici hun koffers gepakt. Honderd Hongaarse collega’s hebben het Poolse voorbeeld reeds gevolgd. Aldus dreigt precies het omgekeerde te gebeuren van wat Brussel in de richtlijnen apodictisch heeft vastgesteld: het peil van de zorg in deze twee landen gaat zo niet omhoog maar juist omlaag. Bovendien zal het niet bij Polen en Hongaren blijven. Want waarom zou een Slowaak of Let het hier, ondanks de «afwijkende voorwaarden», ook niet proberen?

De bureaucratische dammen tegen deze immigratie, die Nederland nu al tien jaar manmoedig met zandzakken stut, krijgen het nu dus echt zwaar te verduren. Met zijn heldere plan was Hoogervorst eigenlijk al te laat. Pas dit jaar wordt het project verder uitgewerkt. Als de eerste toets in 2005 kan worden afgenomen, is het vroeg. Voor die tijd zal het systeem al vastlopen in zijn eigen ambtelijke molens. Met een minder groot aantal dan de 350 Poolse en Hongaarse artsen die sinds 1 mei de plaat hebben gepoetst, is de Commissie Buitenlands Gediplomeerde Volksgezondheid het hele jaar 2003 druk doende geweest.

Dat is de straf die het ministerie van Volksgezondheid verdient. Het is een straf voor tien jaar lang ontkennen dat de val van de Muur in Berlijn niet alleen een overwinning was op de geschiedenis maar ook het begin van het nieuwe Europa.