Gacaca ter berechting van genocide

Volkstribunalen op Rwanda’s heuvels

Rwanda zet traditionele volksrechtbanken («gacaca») in om de honderdduizenden verdachten van genocide te berechten. Berechting volgens de klassieke rechtspraak en het Rwanda-tribunaal zou meer dan honderd jaar duren. Voormalig anti-apartheidsactivist Klaas de Jonge: «Het is van groot belang dat gacaca helpt verzoenen.»

GITARAMA — Op het grasveld onder de eucalyptusbomen is de bevolking van het Rwandese plaatsje Gitarama bijeen. Het zijn vooral vrouwen, slechts een enkele man zit er tussen. Met duizenden dicht op elkaar vormen ze een kring rond drie personen: een jonge man vol littekens, een openbaar aanklager en een twintiger in zachtroze gevangenistenue.

De jonge man met de littekens heet Jacques. Hij is het levende bewijs van wat zich tussen april en juli 1994 in Rwanda afspeelde. De genocide kostte toen het leven aan bijna een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Machetehouwen zitten in Jacques’ hals, zijn onderarm en in zijn hoofd. De wonden werden geslagen door de gevangene die nu tegenover hem staat, zijn neef Theoneste.

In Gitarama worden deze middag genocideverdachten aan de bevolking gepresenteerd. Het zijn gevangenen van wie geen dossier bestaat. Ze worden gehoord op de heuvel waar ze woonden, tot ze werden opgepakt en in gevangenis of cachot verdwenen. Tijdens de zitting kunnen zowel slachtoffers van de genocide als familie van vermeende daders vertellen wat een gevangene al dan niet heeft misdaan. Zeggen alle dorpelingen dat de verdachte onschuldig is, dan wordt die ter plekke vrijgelaten.

De openbaar aanklager tegen Jacques: «Jij bent behoorlijk toegetakeld. Hoe kan het dat jij niet dood bent?» Jacques: «Omdat er mensen waren die mij in huis namen. Ze hebben mijn wonden verzorgd en mij tot het einde van de oorlog verborgen. Dat ik nog leef, heb ik aan hen te danken.» Wie die mensen waren, wil de aanklager weten. «Dat was mijn familie», zegt Jacques. Inclusief de neef die op hem had staan inhakken.

«Onvoorstelbaar», zegt Klaas de Jonge en hij schudt zijn hoofd. De Nederlander die in de jaren tachtig als antiapartheidsactivist twee jaar zat opgesloten in de Nederlandse ambassade in Pretoria, werkt tegenwoordig in Rwanda, voor de mensenrechtenorganisatie Penal Reform International. De Jonge zit achter de aanklager op een houten bankje; een reus met onstuimig wit haar. Hij volgt het proces omdat hij onderzoekt wat Rwandezen hopen, verwachten en vrezen van de gacaca (spreek uit: gatsjátsja), de volkstribunalen die afgelopen week begonnen met het berechten van meer dan honderdduizend verdachten van de Rwandese volkerenmoord. Het proces in Gitarama is gacaca-voorronde, bedoeld om informatie te verzamelen voor nog lege dossiers, en om de tienduizenden onschuldigen te bevrijden uit de gevangenissen waar ze hun dagen slijten.

Vanaf eind jaren zestig houdt De Jonge zich als socioloog en antropoloog met Afrika bezig. Zijn werk draaide bijna altijd om racisme. Genocide is er het meest extreme gevolg van, zegt hij. In 1985 werd hij in Pretoria opgepakt wegens zijn hulp aan de gewapende tak van het ANC. Hij wist te ontsnappen, vluchtte de Nederlandse ambassade in en zat daar tot 1987 vast. Vier jaar geleden kwam De Jonge naar Kigali voor het verbeteren van de leefomstandigheden in gevangenissen en voor mogelijke hervorming van het strafrecht.

Het publiek, eerst urenlang doodstil, roert zich. Het tumult maakt het werken onmogelijk. De openbaar aanklager wenkt vijf mannen die vooraan op de grond zitten. Ze leggen hun bijbel in het gras, gaan voor het publiek staan en beginnen te zingen, te dansen en te klappen. «Les injections», fluistert De Jonge.

Ze dragen geen roze en bewaakt worden ze ook niet, deze vijf gedetineerden. Deze mannen zijn geraakt door het licht van de Heer, zegt De Jonge, en hebben hun misdaden opgebiecht. Hun zelfbewuste optreden verraadt dat ze zich verzekerd weten van vergiffenis. Zij zetten nu andere gevangenen aan tot bekentenis en berouw. Als er verdachten zijn die hun mond houden, stuurt het Openbaar Ministerie ze deze bekeerlingen op hun dak. Dan heten de gelovigen groupes de choque. Klaas de Jonge moet daar steeds weer om lachen: «Dit is totaal theater.»

Op de weg terug naar Kigali schommelt de Toyota Landcruiser over de onverharde wegen en houdt De Jonge de greep aan het dak stevig beet, als hij uitlegt hoe gacaca werkt. Rwanda koos voor snelrecht naar traditioneel model om een juridische monsteroperatie uit te voeren: recht spreken over de daders van de genocide, zegt hij. Gacaca is geënt op een systeem van participatieve rechtspraak zoals dat eeuwenlang op de Rwandese heuvels werd toegepast. Gacaca betekent grasveld. De traditionele gacaca-processen waren bedoeld om te bemiddelen in kleine geschillen. Een wijze ouderling hoorde dader, slachtoffer, en getuigen van het voorval.

De Jonge: «Gacaca was niet zozeer bedoeld om te straffen, maar om een compromis te vinden waardoor de gemeenschap verder kon functioneren.» Het ging dan over have en goed. Over moord ging gacaca nooit. Leven en dood, daar beschikte de koning over. Dan gold meestal: een leven voor een leven.

Volgens Klaas de Jonge kun je de traditionele gacaca moeilijk vergelijken met de huidige: «Voor de nieuwe gacaca is een wet geschreven, er is een handboek met procedures en strafmaten, kortom, het is een geformaliseerd systeem.» Onveranderd is de hoofdrol voor de bevolking: die getuigt en veroordeelt. Negentien lekenrechters die door hun eigen bevolking werden gekozen, bepalen de strafmaat. Er zijn geen professionele rechters, er is geen professionele verdediging. Om verdachten aan te zetten tot een bekentenis is hen in ruil forse strafvermindering in het vooruitzicht gesteld.

Maar gacaca gaat niet om gerechtigheid alleen, benadrukt De Jonge meer dan eens. Het is van het grootste belang dat gacaca helpt verzoenen. In het beste geval eindigt de ontmoeting van daders en slachtoffers op het grasveld in spijt en een pardon.

Tot nog toe kwam van berechting van genocidedaders weinig terecht. De grote vissen, de organisatoren van de genocide, komen voor het Rwanda-tribunaal van de Verenigde Naties in het Tanzaniaanse Arusha. In zes jaar tijd behandelde het tribunaal niet meer dan negen zaken. Drie daarvan zijn afgerond. En intussen maken Rwanda en het tribunaal ruzie.

Van de meer dan honderdtwintigduizend verdachten die na juli 1994 in Rwanda werden opgepakt, kwamen er vierduizend voor de rechter. De rest zit vast in gevangenissen, waar het aantal gedetineerden een meervoud is van de capaciteit.

De regering van president Paul Kagame is er veel aan gelegen de daders van de genocide te berechten. Een waarheids- en verzoeningscommissie zoals in Zuid-Afrika werd in 1994 al van de hand gewezen. Amnestie voor de gevangenen was onbespreekbaar. Er moest een einde komen aan de straffeloosheid, dus de daders van de genocide moesten worden berecht. Anderzijds brengen de overvolle gevangenissen president Kagame in verlegenheid. De regering moet dus haast maken met het berechten van de verdachten, maar een justitieapparaat is er nauwelijks. Dat is tijdens de genocide grondig vernietigd. Rechters, advocaten, openbaar aanklagers: ze zijn vermoord, gevlucht, of ze kwamen achter tralies, beschuldigd van deelname aan volkerenmoord.

Acht jaar investeerde de internationale gemeenschap in Rwanda’s justitie. Het dienstdoende ministerie in Kigali is nog steeds een bescheiden bureaucratie in een blokkendoos van vier hoog. Het maakte een koddige indruk. Op het bureau van de assistente van minister Mucyo van Justitie staat geen computer en ook geen telefoon — die laatste heeft Aline onder de tafel gezet, ook al rinkelt het ding aan de lopende band. De zilveren nagels van Aline pellen een candybar, die ze daarna zorgvuldig opzuigt. Het is warm vanmiddag.

Achter de met skaileer beklede deur zit de minister. Jean de Dieu Mucyo, vaak de mooiste man van Rwanda genoemd, heeft een fijngesneden gezicht met warme ogen. Ogen die recht geven op het grootste compliment dat Rwandezen elkaar kunnen maken: «U heeft de ogen van een kalf.»

«We konden niet anders dan een buitengewone oplossing zoeken voor het berechten van de verdachten van de genocide», zegt Mucyo. «Klassieke rechtspraak was onbruikbaar: het aantal daders is te groot, het aantal misdaden is gigantisch. Om over het soort misdrijf nog maar te zwijgen.»

Het belangrijkste van gacaca, zegt Mucyo, is de snelheid waarmee de ruim honderdduizend gevangenen een proces krijgen. Hij verwacht dat na vijf jaar bijna alle verdachten aan de beurt zijn geweest. Berechting volgens de klassieke rechtspraak zou meer dan honderd jaar duren. Tienduizenden onschuldigen zouden zonder proces in de gevangenis sterven.

Aan de vooravond van gacaca toont de minister zich tevreden: «Nadat we de internationale gemeenschap hebben uitgelegd hoe het werkt, steunt ook zij gacaca. De verkiezing van de rechters, afgelopen oktober, is fantastisch verlopen. Iedereen deed mee, dat was voor mij het teken dat de bevolking gacaca steunt. De Rwandezen zijn goed voorgelicht. En ik kan het weten, ik was in het veld.»

Zoveel zelfvertrouwen over gacaca had Mucyo drie jaar geleden niet aan de dag kunnen leggen. De onorthodoxe vorm van rechtspraak kwam Rwanda op een storm van kritiek uit de internationale gemeenschap te staan. Toen de gacacawet in 1999 werd aangenomen, waren de tegenstanders talrijk. Een volksgericht, dat is niet wat westerlingen onder een eerlijk proces verstaan. Het ontbreken van professionele verdediging heette toen onoverkomelijk.

Ook in Rwanda zelf werd getwijfeld. Bijvoorbeeld door Ibuka, de belangenvereniging voor overlevenden van de genocide. Die zei te vrezen dat op de heuvels waar de slachtingen het hevigst waren nauwelijks overlevenden zijn. En dus niemand om tegen de daders te getuigen.

De minister van Justitie kreeg van de bevolking het verwijt dat gacaca «de genocide zou banaliseren». Jean de Dieu Mucyo: «Traditionele gacaca was voor kleine vergrijpen. Gacaca toepassen op genocide? Voor veel Rwandezen zou aan de ernst van de genocide worden afgedaan.»

Gacaca als een «bagatelle pour un massacre», dat beeld bestaat vandaag de dag niet meer. Ook de internationale gemeenschap ziet gacaca niet langer als een middeleeuwse, wrede tournee van vergelding. Dat met de getuigenissen van de bevolking is voorzien in een soort van verdediging van de verdachte wordt nu geaccepteerd. Kritiek is er nog steeds, vooral van juristen, maar die gaat tegenwoordig met realiteitszin gepaard.

De hoofdaanklager van het Rwanda-tribunaal Carla del Ponte zei september vorig jaar, in een interview met Vrij Nederland: «Natuurlijk kan men in het geval van gacaca niet spreken van een eerlijk proces. Naar onze begrippen is dat geen acceptabele manier van rechtspreken, maar ik geloof dat het niet anders kan. Gacaca is de enige oplossing.»

Dovi Alhonko denkt er net zo over. Alhonko’s cowboylaarzen en het nonchalant openstaande hemd rijmen niet met zijn formele optreden. In zijn werkkamer aan de rand van Kigali zegt de in Togo geboren directeur van Advocaten Zonder Grenzen (de organisatie die Rwanda hielp bij het schrijven van de handleiding voor gacaca) een paar keer: «Mevrouw, u moet begrijpen, ik ben een advocaat.» En een advocaat kan niet leven met rechtspleging waarbij de verdachte het ’m moet doen.

Twee jaar geleden zei Alhonko nog dat gacaca onmogelijk was. Nu doet de Togolees wat in zijn macht ligt om gacaca te doen slagen: «Het heeft ongelooflijke tekortkomingen, daar blijf ik bij, maar ik ben gaandeweg een realist geworden. Het belangrijkste op dit moment is dat Rwanda afrekent met de straffeloosheid. Als dat alleen kan met een voor juristen in academische zin onvolmaakte oplossing — het zij zo.»

Klaas de Jonge duikt onder in het landschap van papier en Congolese maskers op zijn werkkamer. Die maskers zijn De Jonges oudedagvoorziening — in Nederland heeft hij er een paar duizend in opslag. Uit de berg papier komt hij boven met een aan herstelrecht gewijd juridisch tijdschrift. De Jonge heeft geen principiële bezwaren tegen gacaca, integendeel: «Gacaca als model is misschien beter dan de westerse rechtspraak. Het lijkt sterk op wat nu in Nederland opgeld doet: herstelrecht. Dader en slachtoffer spelen in deze manier van rechtspraak een actieve rol. Er wordt geprobeerd tot wederzijds begrip te komen. Net als bij gacaca.»

Maar hoe dichter bij gacaca, hoe groter de zorgen van De Jonge. De uitvoering laat zeer te wensen over, en toen de antropoloog onlangs advies uitbracht aan de regering, werd zijn kritische rapport weinig welwillend ontvangen.

Op zijn tochten langs de heuvels merkt hij telkens weer hoe wantrouwen de waarheidsvinding hindert. «In gacaca-voorrondes blijkt eigenlijk dat de bevolking zwijgt. Getuigen à charge, mensen die zeggen: ‹Hij heeft wat gedaan›, zijn altijd genocide-overlevenden. De meerderheid, de Hutu-bevolking, houdt zijn mond.» Dat komt omdat veel aanwezige vrouwen hun man en zonen in de gevangenis hebben zitten. De Jonge: «Deze vrouwen zijn onbestorven weduwen. Een paar keer per week gaan ze naar de gevangenis om eten te brengen. Zij zijn niet geneigd om hun naasten aan te geven.»

Het merendeel van de bevolking wantrouwt gacaca omdat, wat de minister van Justitie ook mag beweren, voorlichting over de precieze regels en procedures ontbreekt. Gacaca mag dan wel zijn geïnspireerd op de traditionele conflictbemiddeling, op het moment dat het door de overheid tot een systeem is gemaakt, werd dat wat van het volk was van het volk ontnomen. Angst en onzekerheid zijn het gevolg. Dat zegt De Jonge en dat zegt Dovi Alhonko van Advocaten Zonder Grenzen: «Nog steeds zijn er burgers die geen enkele voorlichting over gacaca hebben gekregen.» Onder Tutsi’s die de genocide overleefden, de zogeheten rescapées, is het gebrek aan vertrouwen het grootst. Dat iemand een paar mensen vermoordde, daarover een bekentenis aflegt en op korte termijn weer vrij kan komen, is voor hen onbegrijpelijk. «Gacaca zien ze als verkapte amnestie voor de daders», zegt De Jonge.

Het uitlokken van bekentenissen door in ruil de helft van de strafmaat kwijt te schelden, zoals is besloten bij de genocide-gacaca, kan een hoge prijs hebben. Want hoe te verzoenen als de overlevenden van de genocide zich van de rechtspleging opnieuw het slachtoffer voelen? Het lijkt erop dat de regering andere prioriteiten stelt. Bij de eerste naoorlogse verkiezingen, eind 2003, zal de herverkiezing van president Kagame onder meer afhangen van steun van de 85 procent Hutu-meerderheid van de bevolking.

Wantrouwen is niet de enige hindernis. Angst is er nog een. Klaas de Jonge weet dat mensen die wél willen praten nogal eens worden bedreigd. Neem Anastasie. Dertig jaar is ze. Acht jaar geleden werden voor haar ogen haar man en haar zoon van zes maanden gedood. Ze is de dapperste van een groep Tutsi-vrouwen op het platteland van Ntongwe, drie uur rijden van Kigali. Anastasie vertelde in een gacaca-voorronde wél hoe ze door vier mannen werd verkracht. Tegenover haar stond de jongen die haar buurman was, totdat hij in 1994 haar baby doodde.

Ze is dapper en ze is bang. Drie dagen na haar getuigenis zitten we in haar huis, een met cement aangestreken lemen hut. Anastasie serveert zelfgemaakt bier uit een calebasse. Om de beurt drinkt iedereen uit het houten rietje. Hutu’s op de heuvel laten Anastasie telkens weer weten dat ze haar leven niet veilig is: «Als ik over straat loop, sissen ze me toe dat ze me alsnog zullen vermoorden. Na zessen, als het donker is, ga ik de deur niet meer uit.»

Minister Mucyo wil van moeilijkheden weinig weten, maar hij bekent dat de bescherming van getuigen hem zorgen baart. Mensen die in gacaca of voor het Rwanda-tribunaal in Arusha getuigen, worden vaak bedreigd, soms vermoord. Met als gevolg dat getuigen hun mond houden. «Maar wat kan ik doen?» vraagt Mucyo. «Ik kan onmogelijk een politieman op elke getuige zetten.»

Slachtoffers die zwijgen, vrienden en familieleden van gevangenen die zwijgen — het maakt het achterhalen van de waarheid niet makkelijk. Maar zelfs al zijn daders en slachtoffers bij aanvang van het volkstribunaal niet tot het vertellen van de hele waarheid geneigd, er zijn mensen die van gacaca méér verwachten dan volgens de som der delen aannemelijk lijkt. Gacaca genereert zijn eigen dynamiek en er gebeurt meer dan vooraf kan worden voorzien, meent Benoît Joannette, directeur van Citizens Network RCN dat de gacaca-voorrondes organiseerde.

Dat verzoening gedijt bij participatieve rechtspraak, dat heeft hem niet verbaasd. Joanette: «In een gewone rechtbank heb je als dader niet de kans om tegen het slachtoffer te zeggen: ‹Ik heb iets verschrikkelijks gedaan. Ik heb je zoon vermoord. Daar heb ik spijt van. Kun je me alsjeblieft vergeven?›» Als het om verzoening gaat, noemt Joannette gacaca «superieur aan westerse rechtspraak».

Maar waar de Canadees zelf van opkijkt, is dat in een gacaca «ondenkbare werkelijk heden» aan het licht komen. Joannette: «De waarheid is zoveel ingewikkelder dan iedereen dacht. Pas in gacaca merken we dat van alle kanten — door de overheid, door de slachtoffers en door de media — gebeurtenissen worden gesimplificeerd. De realiteit van de genocide is een variëteit aan situaties waarin individuen betrokken waren zonder dat altijd te willen.»

Zoals vanmiddag in Gitarama. Jacques en Theoneste staan tegenover elkaar, de een in het roze, de ander vol littekens. Jacques kijkt Theoneste niet aan als hij vertelt hoe zijn neef met een machete op hem heeft ingeslagen. Pas na een lange zitting komt het hele verhaal boven water.

De moordtroepen van Interahamwe naderden het huis van Jacques en zijn gezin. Jacques zag geen andere mogelijkheid om zijn gezin te redden dan zijn Hutu-neef te vragen hem te vermoorden. Zijn vrouw en kinderen konden dan ongezien wegkomen.

En dus bewees Theoneste zijn neef een dienst. Hij maakte hem dood, op een haar na, en redde de rest van diens familie. Zelf kwam hij evengoed in de gevangenis.

De openbaar aanklager tegen Jacques: «Is jouw neef schuldig?»

Jacques: «Er is helemaal niets waarvoor deze man mij vergeving zou moeten vragen. Hij heeft mijn leven en dat van mijn gezin gered, en daarvoor heeft hij nog zeven jaar vastgezeten ook.»

Theoneste wordt vrijgesproken van poging tot moord. Het publiek schreeuwt en klapt als de twee neven elkaar in de armen vallen. Samen lopen ze het grasveld af, de armen stevig om elkaars schouders.