Buitenland

Volmaakt idee

Stel: het wordt met alle terrassen open zo gezellig dat je met vrienden besluit om het meest milieu-onvriendelijke project mogelijk te bedenken. Aardige kans dat je beslist dat het een oliepijpleiding moet zijn, een echt lange, die door zo veel mogelijk bijzondere natuurreservaten heen gaat. Liefst met iconische dieren erin, zoals bedreigde olifanten, mensapen en leeuwen. Het moet ook langs een groot meer, waar het ecosysteem al onder druk staat en waar veel mensen van afhankelijk zijn. Leg hem door een paar honderd rivieren, door duizenden boerderijen, in een gebied met veel aardbevingen. Laat hem uitkomen op een kwetsbare kust met mangroves, waar een nieuwe haven moet komen. Met zeereservaten en uitgestrekte koraalriffen die onder de olie komen als er zo’n olieramp komt die er altijd komt. Dat project is nu klaar om van start te gaan: de East Africa Crude Oil Pipeline.

De pijplijn gaat lopen van het Albertmeer via het Victoriameer naar de Indische Oceaan. Westerse en Chinese bedrijven vonden acht jaar geleden zowel in Oeganda als in Congo flinke olievelden. Ook in Kenia en Ethiopië werd olie gevonden, en Zuid-Soedan had al grote bekende velden. Een boek dat net in dat jaar verscheen, The Oil Curse van Michael Ross, had Oost-Afrikaanse regeringen beducht kunnen maken voor de achteruitgang in democratie en economische stabiliteit, en de grotere kans op burgeroorlog die olielanden hebben. Maar zij waren vooral bezig met manieren om elkaar af te troeven met alternatieve routes voor de pijplijn – met name om Kenia, de grootste jongen van de buurt en het logische eindpunt van elke pijplijn, de loef af te kunnen steken.

De East Africa-pijplijn lag van meet af aan onder vuur van milieuorganisaties zoals het WNF en mensenrechten-ngo’s als Oxfam. De Oegandese overheid vroeg een onafhankelijke beoordeling door het Nederlandse milieu-expertisebureau NCEA, dat de zorgen over milieurisico’s, natuurbescherming en landonteigening prompt bevestigde. Dat maakte voor de voortgang van het project niet uit. Onlangs tekende het Franse Total (dat er samen met een Chinees staatsbedrijf al miljarden instak) de papieren met de presidenten van Oeganda en Tanzania.

De East Africa-pijplijn lag van meet af aan onder vuur

De Oost-Afrikaanse pijplijn is om meerdere redenen zo’n project waar allerlei internationale problemen bij aan de oppervlakte komen. De risico’s voor milieu en lokale gemeenschappen zijn al genoemd, net als het verband tussen olie en disfunctionerende staten, en de rivaliteit die het tussen landen kan opstoken. Daar komt geopolitiek en mondiale competitie bij. In maart was China gastheer van de top ‘Xinjiang in de Ogen van Afrikaanse Ambassadeurs in China’, waar de genoemde ambassadeurs hun ongenoegen uitspraken over ‘ongeprovoceerde westerse aanvallen’ op Xinjiang. Daar worden volgens provocateurs als het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken miljoenen Oeigoeren onderworpen aan zulke stelselmatige opsluiting, heropvoeding en dwangarbeid dat er volgens de juridische definitie sprake is van genocide. De landen van de East Africa-pijplijn waren er niet, maar het zijn precies dit soort projecten waardoor China zijn greep op internationale fora versterkt.

En de geldcirculatie voor dit soort projecten begint en eindigt natuurlijk ook bij westerse bedrijven en financiers, die hun eigen reputatie daarin hebben. Shell werd in maart door een Italiaanse rechtbank vrijgesproken van corruptie bij een reuzenaankoop in Nigeria, tien jaar geleden. Shell-baas Ben van Beurden sprak tegen Reuters van ‘een moeilijk leerproces’ voor het bedrijf. Een analist van de gerenommeerde denktank Chatham House sprak van ‘een enorme dreun voor toezicht op natuurlijke hulpbronnen en transparantie in Afrika’; een onderzoeker van de Universiteit van Exeter sprak van ‘een gevaarlijk precedent’ dat ‘bedrijven in staat stelt om met corrupte actoren te handelen door de overeenkomst simpelweg zo in te richten dat zij het geld niet direct krijgen’. Nigeria, waar Shell al decennia aan het leren is, geldt als schrikbeeld voor Oeganda.

Maar er is ook goed nieuws. Total en zijn Chinese partner hebben grote moeite om banken en verzekeraars te vinden die zich met zo’n roekeloos en politiek ontvlambaar project willen associëren. De aanleg van de pijplijn is daarom ‘verre van een gedane zaak’, volgens een ontwikkelings-ngo. Een consortium van 263 organisaties probeert financiers bij het project weg te houden – op het oog met aardig wat effect. ‘Een blamage’, noemde een insider dat voor Total. Hopelijk wordt het meer.