Voltaire

Hij was een vrek en een kruiper, maar als hij ergens onrecht bespeurde was hij gul met zijn hulp. Binnenkort herdenkt men zijn driehonderdste geboortedag. Francois-Marie Arouet, beter bekend als Voltaire - of als De Grote Spotter.

WAS DE VERRE filosofische voorvader van zijn landgenoot Jean-Paul Sartre, de man die tijdens de Algerijnse oorlog in de cel dreigde te worden geworpen, hetgeen Charles de Gaulle verbood met de fiere woorden: ‘On n'emprisonne pas Voltaire!’
In werkelijkheid ondernam Voltaire (1694- 1778) de gang naar de Bastille met de routine waarmee men naar de kapper gaat. Hij was een satiricus in een tijd dat dit nog riskant was. Hij praktizeerde de filosofie in een politiek klimaat dat zijn denkers vreesde en dat geen ander antwoord had dan ’s-lands meest vooraanstaande criticus op water en brood te zetten, onderwijl zijn Lettres philosophiques naar de brandstapel transporterend. Ondertussen moet dat water en brood niet te letterlijk worden genomen: Voltaire placht aan de tafel van de gevangenisdirecteur te dineren, want hij was even gehaat als gezien, even omstreden als beroemd.
Een diep denker is hij wellicht niet geweest, wel een helder denker, die zich met het gezonde verstand van de verlichte burger tegen het alomtegenwoordige obscurantisme van het achttiende-eeuwse Frankrijk keerde. Hij bestreed het bijgeloof en bovenal haatte hij het geloof, althans het institutionele misbruik dat de kerk van de religie maakte.
Dit leidde tot een oeuvre van zeventig dikke delen romans, toneelstukken, historische beschouwingen, pamfletten, gedichten en pamfletterende gedichten.
Een pamfletterend gedicht als bijvoorbeeld het achtduizend venijnige versregels omvattende epos La Pucelle d'Orleans, een proeve van poetische polemiek die regelrecht tegen de nationale pilaarheilige, Jeanne d'Arc, was gericht. De Deense literatuurcriticus Georg Brandes beschrijft in zijn Voltaire-studie hoe de dichter in 1730, tijdens een etentje ten kastele van de hertog van Richelieu, werd uitgedaagd om zijn tanden in de H.Jeanne te zetten. Luttele momenten later droeg Voltaire, steunend op zijn aanzienlijke improvisatietalent, de eerste vier gezangen voor. De enige waarheidsgetrouwe regel was de openingszin: 'Ik ben niet geboren om Heiligen te huldigen.’ De rest was van de eerste tot de laatste viervoetige jambe gelogen:
Jeannes vader, pro forma een priester die het druk had met de zieltjeswinnerij, was een gepassioneerde beddespringer, even fanatiek in het gebed als vraatzuchtig aan de dis. Zelf was zij een dikke dienstbode die, toen zij zestien was, promoveerde tot stalmeid in een dorpsherberg.
HET GEDICHT, dat overigens niet zozeer tegen de H. Maagd alswel tegen de klerikalen en hoerapatriotten die Haar annexeerden was gericht, werd meer dan tweehonderd jaar later nog in de Katholieke Encyclopedie 'schaamteloos en cynisch’ genoemd - een feit dat de Grote Spotter ongetwijfeld het grootste genoegen zou hebben gedaan. De rationalist Voltaire, die de middeleeuwen beschouwde als 'een opeenhoping van misdaden, ongelukken en dwaasheden’, kon niet anders dan schamperen over bijvoorbeeld die fameuze 'stemmen’ die Jeanne zouden hebben bewogen de wapens tegen het imperialistische Engeland op te nemen. De stemmen van de H. Catharina, de H.Margaretha en de H. Michael. 'Ook in de vorige eeuwen hebben rationalisten menige aanval op het bovennatuurlijke karakter daarvan ondernomen’, zegt de Katholieke Encyclopedie zuinigjes, 'maar het merendeel der katholieke biografen erkent deze, minstens in haar substantie, als echt en bovennatuurlijk.’
Moet men werkelijk een 'rationalist’ zijn, een rationalist als Voltaire, om de opvatting te huldigen dat de begrippen 'echt’ en 'bovennatuurlijk’ elkander grotendeels uitsluiten?
La Pucelle d'Orleans is een buitengewoon onaardig epos, geschreven door een man over wie sowieso in biografisch opzicht weinig gunstigs te vertellen valt. Hij was een vrek en een kruiper, een man die niet te beroerd was zijn tegenstanders door middel van een lettre de cachet de gevangenis in te manoeuvreren, een balling die zich genadiglijk de protectie van de Pruisische koning Friedrich II liet aanleunen en onderwijl ijverig voor Frankrijk spioneerde.
Niettemin staat het gedicht ergens voor. Het is niet alleen een scandaleus schotschrift, maar tevens een politiek pamflet, dat tenminste van enige moed getuigde. Emile Zola’s optreden in de affaire-Dreyfus, Sartre’s politieke polemieken in Les Temps Modernes - zij zijn allemaal rechtstreeks door Voltaire geinspireerd. Hij was een waarachtig strijder tegen willekeur en rechtsverkrachting, een achttiende-eeuwse kruising tussen Robin Hood en Perry Mason, die een affaire tot de bodem uitzocht en de autoriteiten vervolgens net zo lang met de feiten om de oren sloeg tot zij, zelfs zij, door de knieen gingen.
NEEM DE AFFAIRE-Jean Calas. Het betrof een protestantse koopman die ervan werd beschuldigd zijn zoon te hebben gewurgd omdat deze tot het katholicisme zou zijn overgegaan. De man werd ter dood veroordeeld en geradbraakt. Voltaire bestookte de openbare mening jarenlang met brieven en beschuldigingen, totdat zijn beroemde Traite sur la tolerance a l'occasion de la mort de Jean Calas tot de postume vrijspraak van de verdachte leidde. Het vonnis werd vernietigd en de nabestaanden kregen een schadevergoeding van 36 duizend Livres.
Of neem de affaire-Francois de la Barre. Het betrof een jonge edelman die het zou hebben gewaagd een sacramentsprocessie te negeren. In zijn woning werden enkele pornografische geschriften en een paar delen Voltaire gevonden. Daarmee was zijn lot bezegeld. Hij werd gefolterd, zijn lasterlijke tong werd hem uit de mond gerukt en ten slotte werd hij onthoofd door dezelfde beul die later koning Louis XVI de hals zou afsnijden. Ook Voltaire’s Relation de la mort du chevalier de la Barre liep op de Franse Revolutie vooruit: het geschrift zou als model dienen voor het tijdens de revolutie geformuleerde Handvest voor de Rechten van de Mens.
'HET IS DE PLICHT van elke schrijver tegen onrecht ten strijde te trekken, om het even door wie dit wordt bedreven.’ Zo zei Sartre. Het hadden de woorden van Voltaire kunnen zijn. En net als Sartre was hij eigenlijk een kunstenaar die zijn filosofisch werk ondergeschikt achtte aan zijn toneelstukken, terwijl beider dramatisch werk in feite reeds tijdens hun leven is vergeeld. Sartre’s Huis clos en La p. respectueuse ogen inmiddels als sympathieke politieke pamfletten, zonder veel vlees en bloed.
Zo heeft ook Voltaire zijn eigen avondvullende drama’s schromelijk overschat. Die Shakespeare vond hij maar niets. Hamlet was in zijn ogen een 'ruw en barbaars stuk’, geschreven door 'een dronken wildeman’. Zijn eigen La mort de Cesar struikelt over de onbeholpen alexandrijnen, behalve in de laatste drie scenes die vrijwel woordelijk aan diezelfde gesmade Shakespeare zijn ontleend. Het toneelstuk is een volkomen mislukking, andermaal een interessante mislukking, zoals alleen Voltaire die kon schrijven. De bad guy is, anders dan bij Shakespeare, Caesar, een eerzuchtige plebejer, terwijl zijn tegenstrever Brutus stamt uit de principiele, rationele school van de stoicijn Cato. Hij wenst Caesars val, niet omwille van de macht, maar omwille van de republiek. Zijn alternatief is, in de beste voltairiaanse geest, helder en ondubbelzinnig: 'Laat mij onmiddellijk terechtstellen, of treed af!’
Ook door dit toneelstuk woei de wind van de aanstaande revolutie en de censor was er andermaal niet gelukkig mee.
VOLTAIRE WAS LEVENSLANG voor zijn censoren op de vlucht, totdat hij op zijn oude dag naar het Parijs van zijn jongelingsjaren begon terug te verlangen. Gebukt onder 'drieentachtig jaren en drieentachtig ziekten’ nam hij in 1777 de postkoets. 'Mijne heren, u zult in deze postkoets geen andere contrabande vinden dan mijzelf’, zei hij tegen de douane. Hij betrok een huis aan de Quai de Theatins, waar hij een delegatie van de Comedie Francaise ontving. De nieuwe koning, Louis XVI, weigerde hem een audientie; de vorst vond het al mooi genoeg dat hij de Grote Spotter op Franse bodem tolereerde. Hoe lang trouwens nog? 'Voltaire heeft last van zijn blaas, hij lijdt aan aambeien en zijn stofwisseling, zegt men, functioneert slecht’, schreef een tijdgenote: 'Het zou mij niet verwonderen als hij spoedig stierf.’ Dat geschiedde op 30 mei 1778, ’s avonds tegen acht uur, waarna hij in een dorpje in de Champagne werd begraven - veiligheidshalve buiten het prerevolutionaire Parijs.
Toen een paar jaar later de Franse Revolutie een feit was, werd zijn kist met pracht en praal naar het Pantheon vervoerd, begeleid door de Nationale Garde. De lijkkoets stopte bij de Opera, bij de Tuilerieen en bij het sterfhuis aan de Quai de Theatins, die tegenwoordig de Quai Voltaire heet. De massa was in tranen. Toen maakten de dochters van de ongelukkige Jean Calas zich uit de menigte los en kusten de kist.