Voltaire’s vraag – en zijn bewondering voor ChinaBij de tentoonstelling The Three Emperors in Londen

Voltaire’s vraag

De tentoonstelling The Three Emperors in Londen is gewijd aan de regeringen van de Manchoe-hemelszonen Kangxi, Yongzheng en Qianlong, keizers van China in de zeventiende en achttiende eeuw. Vele geletterden in het Europa van de Verlichting hielden het achttiende-eeuwse China voor een modelsamenleving. Tot die bewonderaars behoorde Voltaire.

Voltaire geloofde niet in historische vooruitgang, eerder in cycli van opkomst en ondergang van beschaving. Aanvankelijk plaatste hij bloeiperioden van beschaving alleen in Europa: het Griekenland van Pericles, het Rome van Augustus, het Florence onder de Medici, het Frankrijk onder Lodewijk XIV. Later besefte hij dat zich ook buiten Europa bloeiperioden hadden voorgedaan. In de manier waarop hij over het achttiende-eeuwse China schrijft, lijkt hij soms te suggereren dat de Manchoe-keizers de toorts van de beschaving hadden overgenomen van de Zonnekoning Lodewijk XIV. Onder hun bewind leek China voorop te lopen in de historische ontwikkeling. Voor zijn visie op het verre land voerde Voltaire harde feiten aan. Het Chinese keizerrijk, dat het eigenlijke China, Manchoerije, delen van Centraal-Azië en Tibet omvatte, was vele malen groter en volkrijker dan Frankrijk, de grootste staat van Europa. Volgens zijn informanten, voornamelijk de jezuïeten die aan het hof van Peking verbleven, was het rijk even welvarend als de Nederlandse Republiek of Engeland, toen de welvarendste delen van Europa. De omvang van het rijk en de welvaart wezen op goed bestuur door de afstammelingen van de Manchoe-vorst die China in het midden van de zeventiende eeuw had veroverd. De keizers Kangxi (r. 1662-1722), Yongzheng (r. 1723-35) en Qianlong (r. 1736-95) hadden de rationele godsdienst en ethiek van de Chinese mandarijnen overgenomen. In plaats van roofzuchtige aanvoerders van een klein steppevolk waren zij nu beschaafde en vreedzame bestuurders van miljoenen landbouwers. China leek – samen met Engeland – het best te demonstreren wat een verlichte elite kon bijdragen tot het goede leven in een grote staat.

Het Chinabeeld van Voltaire is later in het zich snel moderniserende Westen afgedaan als een droombeeld. China kende immers nauwelijks historische ontwikkeling: economisch zat het land vast in een malthusiaanse armoedeval, de bevolkingsgroei overtrof steeds weer de stijging in de productiviteit. Een despotisch regime verergerde de misère van de bevolking, het corrupte bestuursapparaat spande zich alleen in om de privileges van de heersende elite te verdedigen en het starre traditionalisme van de confucianistische literaten smoorde iedere ontwikkeling naar een moderne samenleving in de kiem. De Manchoe-keizers spanden zich niet voldoende in om de verlichte mentaliteit verder te ontwikkelen; pas door zich open te stellen voor het Westen zou China kunnen moderniseren.

Deze voorstelling van een in onwrikbaar traditionalisme verstarde samenleving is de laatste tijd vooral door historisch onderzoek naar de Chinese economie en technologie ingrijpend herzien. Dit onderzoek toonde aan dat China in de tiende en elfde eeuw een opmerkelijke economische groei doormaakte. Het omvangrijke keizerrijk verwierf een levensstandaard die in Europa met zijn vele staatjes pas na 1500 werd bereikt. Die economische groei herhaalde zich in de achttiende eeuw en maakte de stagnatie of zelfs het verval van de tussenliggende periode ongedaan. Opnieuw was China de leidende economie in de wereld. Dat werpt de vraag op of de Chinese samenleving zich toen ook politiek en cultureel moderniseerde. Zat Voltaire er misschien toch niet volledig naast toen hij China vergeleek met de meest voorlijke staten van het Westen?

De tentoonstelling The Three Emperors, in de Londense Royal Academy, is gewijd aan Voltaire’s Chinese modelmonarchen. De makers kozen als thema de cultureel-politieke positie van de keizer. Zij laten de grote verscheidenheid aan rollen zien die de keizers moesten vervullen om de vele volkeren en culturen van het rijk bijeen te houden en ze naar behoren te laten gedijen binnen de kosmische orde. Maar de vragen naar de moderniteit van het achttiende-eeuwse China spelen op de achtergrond mee.

De Chinese keizers droegen hun hofschilders, onder wie jezuïeten als de Italiaan Castiglione, de Fransman Attiret en de Bohemer Sichelbarth, op om hun verrichtingen vast te leggen op een wijze die naar de waarneembare werkelijkheid verwees. Tegelijkertijd moesten de schilders laten zien wat die werkelijkheid volgens de keizer te betekenen had en vooral ook wat hij daarin betekende. Zij beeldden hem af in rollen waarvan de meeste pasten binnen uiteenlopende tradities. De bereidheid om al die rollen te combineren wijst echter eerder op zin voor verandering dan op gebondenheid aan een normatief verleden.

Een groot schilderij toont Yongzheng bij het offer aan de God van de Landbouw, een ceremonie die de Chinese keizer als Zoon des Hemels behoorde te voltrekken. Qianlong liet zich echter ook afbeelden als een combinatie van monnik, bodhisattva en wereldheerser te midden van boeddhistische godheden. Dit was in overeenstemming met de keizerlijke steun aan een specifieke stroming binnen het Tibetaans boeddhisme. Deze cultus was deels een privé-aangelegenheid, maar ook een middel om de onderworpen Centraal-Aziatische volken voor het imperium te winnen. Deze kant van de keizers verzwegen de jezuïeten in hun rapportage aan Europa. Zo ontging dit aspect ook Voltaire.

Hoewel veel tijd opging aan symbolisch handelen waren de drie vroege Qing-keizers toegewijde, praktische bestuurders, die zich ook buiten Peking vertoonden. Kangxi en Qianlong maakten lange inspectietochten in het zuidelijke deel van het eigenlijke China. Zij lieten deze ondernemingen vastleggen op sets van twaalf rollen, elk tussen de tien en twintig meter lang. De voorstellingen bevatten intrigerende scènes van het dagelijks leven in de grote steden, de gespecialiseerde ambachten, de ontwikkelde markten en het drukke scheepvaartverkeer op de rivieren. Zij laten de keizer zien als een zorgzame vader van het volk dankzij wie China floreert.

In de lente en zomer verlieten Kangxi en Qianlong Peking en trokken naar het koelere Manchoerije. In Moelan, een groot reservaat aan Kangxi geschonken door Mongoolse hoofden, vonden grote jachtpartijen plaats. De keizers lieten zien dat zij door hun verblijf te midden van de Chinese landbouwers niet waren verwekelijkt en nog geharde Manchoe waren, die op het paard konden leven. Zo versterkten ze de banden met de leidende figuren in het thuisland. Centraal-Aziatische hoofden kwamen hun geschenken brengen en werden gefêteerd. Kangxi en Qianlong zijn herhaaldelijk afgebeeld in de rol van heerser over de jagende ruiters van de steppe.

Yongzheng verschijnt in een serie van twaalf hangrollen in zijn hoedanigheid van hoofd van het keizerlijk huishouden, terwijl hij binnen het paleiscomplex deelneemt aan de feesten van het Chinese jaar. We zien hem toekijken als zijn zonen voor Nieuwjaar voetzoekers laten knallen. De voorstellingen lijken genrestukjes van het leven ten paleize, maar ook hier gaat het om een zorgvuldig gekozen rol: de keizer als Chinese literaat. Altijd gekleed in een Chinees kostuum is hij onder meer afgebeeld spelend op de citer, terwijl vooraanstaande hovelingen deelnemen aan een poëziewedstrijd en om beurten wijn drinken uit kommetjes die langsdrijven op een nabij stroompje. Dit was een reminiscentie aan een fameuze literatenbijeenkomst die vierhonderd jaar eerder had plaatsgevonden. Ook portretten van de keizers met schrijfgerei, kalligraferend op een bananenblad, lezend of lentebloemen bewonderend tonen hen in dezelfde hoedanigheid van Chinees geleerde, de rol waarin Voltaire hen het liefst zag.

Het keizerlijk rollenspel bereikt een hoogtepunt in een album van Yongzheng. Hij verschijnt in dertien verschillende gedaanten. Niet alleen komt hij voor in historische hoedanigheden, zoals de halflegendarische held uit de Han-dynastie die de perziken van de onsterfelijkheid steelt en een beroemde Chinese kalligraaf uit de tiende eeuw, hij neemt ook religieuze en etnische identiteiten aan, zoals taoïstische magiër, Tibetaanse monnik, Mongools edelman, Centraal-Aziatische boogschieter en – het vreemdst van alles – pruikdragende Europese tijgerdoder.

Die Europese identiteit was een vriendelijk gebaar tegenover de jezuïeten, die al aan het begin van de zeventiende eeuw aan het hof van Peking waren toegelaten en daar ononderbroken tot het eind van de achttiende eeuw verbleven. De missionarissen hadden een positie aan het hof gezocht en verworven in de hoop China «top-down» te kunnen bekeren. In feite moesten zij om hun positie te behouden het grootste deel van hun tijd aan andere zaken besteden. Zij traden voornamelijk op als culturele makelaars tussen China en Europa. Zij leerden het keizerlijk hof westerse wetenschappen en vaardigheden. Aan hun Europese opdrachtgevers legden zij China uit. Zij creëerden het beeld van het keizerrijk als een beschaafd en ontwikkeld land, dat Voltaire zo aansprak.

De missionarissen vertaalden de Chinese klassieken, onder anderen Confucius, in het Latijn. Zo wilden zij laten zien dat ontwikkelde Chinezen niet de geopenbaarde waarheid over God en zijn geboden kenden, maar wel op de hoogte waren van de goddelijke zaken die met behulp van de natuurlijke rede waren vast te stellen. De Chinezen wisten niet van de Tien Geboden en van de goddelijke Verlosser die mens was geworden, maar zij erkenden wel een Hoogste Wezen, dat aan de natuur wetten had opgelegd, zoals bleek uit de vaste omloop van de hemellichamen. Het Hoogste Wezen had de mensen in een onverbrekelijk verband samengevoegd, waardoor kinderen hun ouders en ondergeschikten hun superieuren dienden te respecteren en te gehoorzamen. Volgens de heersende mening onder de jezuïeten in China was deze natuurlijke religie en moraal volledig compatibel met het christendom. De Chinezen waren geen verdorven heidenen, maar bewonderenswaardige christenen in spe.

De jezuïeten publiceerden ook over de geschiedenis van het Chinese keizerrijk, dat terug zou gaan tot vóór de oudste koningen van Egypte en Mesopotamië. Deze lange traditie bewees de deugdelijkheid van de rationele religie en moraal voor de politieke praktijk. Daarvan getuigde ook de zo opmerkelijke welvaart van China in hun eigen tijd, waarover zij uitvoerig rapporteerden op basis van ervaring. Enkele van de hofjezuïeten moeten het Manchoe-rijk goed hebben gekend. Tussen 1708 en 1721 bereisden negen van hen in opdracht van Kangxi het eigenlijke China, Manchoerije en delen van Centraal-Azië om het rijk met behulp van westerse methoden in kaart te brengen. Jean Baptiste Du Halde S.J. vatte de jezuïetenkennis over de Chinese religie en ethiek en het verleden en heden van het keizerrijk samen in zijn vijfdelige Description de la Chine (1735-1737). Dit was het voornaamste werk dat Voltaire gebruikte voor de vorming van zijn denkbeelden over China.

De Franse philosophe accepteerde het Jezuïetenbeeld van het eigentijdse China. Hij beschreef het rijk als een stabiele, welvarende staat, onbaatzuchtig geregeerd door een via examens gerekruteerde, geletterde elite onder leiding van geleerde keizers. De Manchoe-vorsten waren tolerant in religieuze zaken, maar ook doortastend in het onderdrukken van religieus fanatisme en scheurmakerij. Wat de jezuïeten hadden meegedeeld over de religie en ethiek van de Chinese literaten, gebruikte hij voor zijn campagne ten gunste van het deïsme. Dit was een op rationele en empirische uitgangspunten gebaseerde godsdienst en moraal, zonder geopenbaarde waarheden en geboden, die het christendom, althans onder Europese geletterden, zou moeten vervangen. De rationeel-empirische godsvoorstelling van de Chinese literaten en de confucianistische ethiek van wederkerigheid en leven voor de gemeenschap kwamen wonderbaarlijk overeen met het deïsme. China liet zien dat een samenleving geleid door een deïstische elite bestond en werkte.

Voltaire nam ook het jezuïetenbeeld van het historische China over. Het grootste deel van het Chinese verleden was voorbeeldig. De bestuurlijke elite had zich al ver voor Christus, ten tijde van Confucius, een verlichte religie en ethiek eigen gemaakt. De geletterden hadden meestentijds op paternalistische wijze het gewone volk in toom gehouden, het productief leren werken en naar zijn stand laten delen in de welvaart. Zij hadden de boekdrukkunst, het buskruit en het kompas uitgevonden, uitvindingen waarmee de Europeanen zichzelf als «modernen» trots onderscheidden van de antieke Grieken en Romeinen. De eerste «modernen» waren evenwel de Chinezen geweest. Soms hadden de keizers en de confuciaanse elite zich laten corrumperen, was interne verdeeldheid ontstaan en hadden barbaren uit de steppe het rijk kunnen veroveren. De veroveraars, eerst de Mongolen van Djengis Khan, later de Manchoe, hadden echter steeds de Chinese tradities – de combinatie van rationele religie, sociale ethiek, respect voor geleerdheid en welvaartsstreven – overgenomen en voortgezet.

Alleen bij de beschouwing van het intellectuele leven gedurende de laatste eeuw rezen bij Voltaire twijfels aan de voorbeeldigheid van China. Waren de Chinezen toch niet wat achterop geraakt in vergelijking met het Europa van Newton? Het was heel verstandig van de keizers dat zij zich niet tot het christendom lieten bekeren, maar staken zij wel genoeg op van de moderne natuurwetenschappen, waarin de jezuïeten hen onderwezen? Zorgden zij er wel voor modern te blijven?

Voltaire’s vraag naar de moderniteit van het achttiende-eeuwse China is sinds enige tijd onder historici weer actueel. Het gaat dan niet om Voltaire’s moderniteit (al is er verwantschap) en evenmin om de moderniteit van na de Industriële Revolutie, maar om «vroeg-moderniteit», ontstaan na de ontdekking van Amerika en de creatie van wereldomspannende handelsnetwerken. Het begrip verwijst naar moderne ontwikkelingen binnen nog overwegend traditionele, agrarische samenlevingen. Kenmerken van «vroeg-moderniteit» zijn: een gestage, maar bescheiden stijging van de levensstandaard, het ontstaan van een publieke sfeer waarbinnen politieke en sociale kwesties worden bediscussieerd en een kritisch-rationele oriëntatie in het intellectuele bedrijf, gericht op vernieuwing in plaats van voortzetting van de traditie.

De makers van de Londense tentoonstelling refereren in de catalogus en de expositie slechts terloops aan Voltaire’s vraag. Zij verwijzen naar de studies waaruit zou blijken dat het achttiende-eeuwse China economisch niet onderdeed voor de meest ontwikkelde delen van West-Europa. Zij vragen aandacht voor het recente onderzoek naar de vroegmoderne Chinese boekproductie en het mogelijk ontstaan van een publieke sfeer. Zij laten zien dat literaten buiten het hof via de schilderkunst politieke kritiek uitoefenden op de Manchoe. Met hun keuze voor de vele rollen van de keizer als thema van de tentoonstelling maken zij duidelijk dat de drie Manchoe-heersers hun belangstelling voor de confuciaanse geleerde tradities combineerden met belangstelling voor de moderne fysica, mechanica en cartografie. Maar dat betekent nog niet dat de keizers zich kritisch-rationalistisch in de wereld oriënteerden. De makers van de tentoonstelling laten in het midden of de Hemelszonen Kangxi, Yongzheng en Qianlong in enige zin vroegmoderne keizers zijn geweest. Deze terughoudendheid past bij de huidige stand van het onderzoek. Voltaire, die als Onsterfelijke de discussie ongetwijfeld vanuit het Panthéon heeft gevolgd, zal nog even op antwoord moeten wachten.

China: The Three Emperors, 1662-1795, Royal Academy of Arts, Londen. Tot 17 april 2006. www.threeemperors.org.uk

Lynn A. Struve (ed.), The Qing Formation in World-Historical Time, Cambridge (Mass.), 2004