`von teutschen blut’

Ik ben woedend, lieten de Nederlanders Kohl weten. Frau Antje is een sloerie, schreven de Duitsers terug. Tijd voor een imago-actie, besloten beide partijen op hoog niveau. En dus reisde een gezelschap van Nederlandse journalisten een paar dagen door Duitsland. Tussen Bergen-Belsen en de Brauereigaststatte.
VEEL VERHEFFENDS hadden wij ons niet voorgesteld van Koninginnedag, op initiatief van het Nederlandse consulaat-generaal gevierd in de Industriele Club van Dusseldorf: Sekt en zoute haring, genuttigd door geplastificeerde bejaarden met ongetwijfeld twijfelachtige opvattingen, afgewisseld met plichtmatige toespraken over de vele voortreffelijkheden van onze Landsvrouwe.

De organisatie had toch nog een verrassing in petto. Het was de minister van Onderwijs van de deelstaat Noordrijn-Westfalen die tot onze verbazing plotseling bezig bleek haar excuses aan te bieden. Excuses waarvoor? Voor het feit dat Adolf Hitler ooit in diezelfde Industrieclub de lokale middenstand had verzocht zijn twijfelachtige beweging te subsidieren? Nee, de excuses, zo bleek, betroffen de een avond daarvoor dank zij het wakkere Brandpunt ontmaskerde hoogleraar uit het nabijgelegen Aken, die meer dan een halve eeuw geleden op vaderlandse bodem allerlei foute dingen heeft gedaan. Hij is erin geslaagd zijn landgenoten in grote verwarring te brengen. Deze ‘ontmaskering’, zei de minster van Onderwijs, zou immers alsnog 'de verhoudingen tussen Nederland en Duitsland kunnen belasten’. Zodat haar chef, de minister-president, 'onze buren slechts mijn excuses kon aanbieden voor dit verwerpelijk gedrag’.
Waarom eigenlijk? Omdat er zovele jaren na dato nog een ouwe nazi uit zijn hol is gekropen, die op zijn leeftijd (85) de zeldzaamheidswaarde van een gestreepte eenhoorn heeft? In een periode waarin de verhouding tussen Nederland en Duitsland zo voortreffelijk is dat je er van de weeromstuit bijna misselijk van zou worden?
ZEKER, HET IN Duitslands grootste deelstaat rondreizende groepje Nederlandse journalisten had tussen de bedrijven door de Duitse kranten gelezen. Wij wisten dus dat er nog steeds Duitsers zijn die geneigd zijn het verleden te bagatelliseren. De Duitsers bijvoorbeeld van de 8mei- beweging, nationalistische intellectuelen die beweren dat de dag van de bevrijding in werkelijkheid de dag van de nederlaag was, een standpunt dat verwant is aan dat van die onzalige Historiker die van mening zijn dat Hitlers jodenwetten het logisch gevolg van Stalins Goelag Archipel waren.
Bevrijding of nederlaag? Een voetbalelftal dat na een geleden nederlaag naar huis terugkeert, kan moeilijk beweren een overwinning te hebben behaald, zei een der betrokkenen in een televisie-uitzending.
Het is een proeve van verregaande, zich aan de rand van de politieke criminaliteit bewegende poging tot historische relativering, al was het alleen al omdat de grootste massamoord uit de contemporaine geschiedenis allesbehalve een spelletje is geweest. Maar wie neemt dit soort geluiden serieus? Zelfs die ouwe nazi uit Aken niet, die inmiddels berouwvol ('Ik wacht nu alleen maar op de dood’) zijn diverse onderscheidingen heeft ingeleverd. Geen land ter wereld dat zich zo serieus met zijn verleden bezighoudt als Duitsland, in woord en in geschrift, geen natie in Europa die zo overgevoelig (en schuldbewust) op bondsgenootschappelijke kritiek reageert.
Er zijn recentelijk wat oneffenheden tussen Nederland en Duitsland geweest, met als kristallisatiepunten de 'Ik ben woedend’-actie van een Nederlandse omroepvereniging en een niet minder doldwaas artikel in een Duits weekblad, waarin 'Frau Antje’ werd geportretteerd als een hoererende, narcoticaverslaafde fietsendievegge in de overgang. Het leidde tot ministerieel contact op bilateraal niveau, waar onder meer onze journalistieke mini-tournee een uitvloeisel van was. Dergelijke journalistenreisjes moeten de Duitsers duidelijk maken dat het met de zedeloosheid in de Lage Landen wel meevalt en de Nederlanders bewijzen dat, wat de Duitsers betreft, de Tweede Wereldoorlog eindelijk is uitgevochten.
EEN AKENSE scholengemeenschap. Ze is genoemd naar Heinrich Heine. Het bijbehorende gymnasium draagt de naam van Anne Frank. Met beide keuzen lijkt dus niets mis. Tien, vijftien jaar geleden leidde de poging om de universiteit in het nabijgelegen Dusseldorf naar Heine (links, joods, 'Vaterlandslose Geselle’) te vernoemen nog tot grote politieke opwinding. Nu, in Aken, stond de gehele gemeenteraad, roden en zwarten, achter Duitslands meest controversiele schrijver. 'Al hadden wij zelf liever Michael Jackson gekozen’, zegt een leerling, knabbelend op een toastje met makreel. Hij is tweetalig, zoals vele leerlingen in dit grensgebied. Jazeker, zij lezen ook Nederlandse boeken. Jip en Janneke in het basison derwijs, Marga Minco’s Het bittere kruid, en Anne Franks dagboek in de wat hogere klassen.
Het Technologiezentrum van de gemeente Herzogenrath. De stad vormt, geografisch gezien, een gemeente met het Limburgse Kerkra de. Zij sturen, als het zo uitkomt, elkaars kinderen naar elkaars scholen, terwijl hun bejaarden mogen kiezen of zij hun levensavond in huize Avondrood hetzij Haus Abendrot zullen slijten. Hun kabelnetten zijn, ondanks de diverse juridische moeilijkheden, gekoppeld. Toen de nieuwjaarskaart van Herzogenrath drie Mark aan porti bleek te kosten, bracht Herzogenrath de zending naar het postkantoor van de Nederlandse zustergemeente, die bereid was het drukwerk voor 38 cent per stuk te bezorgen.
'En wat doen jullie, als ik vragen mag, op 5 mei?’ vraagt het Brabants Dagblad. 'Op 6 mei zijn wij van plan er een groot, daverend, gemeenschappelijk feest van te maken’, antwoordt Thijs Woltgens, de burgemeester van Kerkrade. 'Maar op 5 mei hebben wij naar mijn mening, sensibel uitgedrukt, bij onze Nederlandse vrienden niets te zoeken’, zegt zijn collega uit Herzogenrath.
In de bistro, een deur verder, wacht ons een glas bier. 'Ken je die van die Duitser op 4 mei?’ vraagt de Volkskrant. 'Die staat op de Dam naast een Nederlander. Vraagt die Duitser: Wat is hier allemaal aan de hand? Antwoordt die Nederlander: Wij vieren onze dodenherdenking. Zegt die Duitser: Als u maar weet dat er in de oorlog ook miljoenen en miljoenen Duitsers gevallen zijn. Zegt die Nederlander: Ja, maar dat vieren wij morgen.’
'sAvonds, in een Brauereigaststatte in Dusseldorf, maakt ons gezelschap kennis met de Nederlandse consul-generaal, een diplomaat met een, zo te horen, spectaculair hoog corpsbalgehalte. 'Ik ben dus degene die de eer heeft om overmorgen bij de verjaardag van Hare Majesteit de Koningin de feestelijke toespraak te houden’, verklaart hij. 'Daarna zingen wij natuurlijk het Wilhelmus. En weet u wat zo aardig is? Wij zingen het eerste couplet in het Nederlands en het zesde, het “Mijn schilt ende betrouwen”, in het Duits, als gebaar tegenover onze Duitse gasten. U zingt toch wel met ons mee? Maakt u zich geen zorgen, u krijgt de tekst bij de ingang op een oranje kaartje uitgereikt.’
Het Parool en De Groene Amsterdammer kijken elkaar bezorgd in de ogen. 'Het Wilhelmus in het Duits?’ vraagt de eerste. 'Kan dat zomaar? Worden hier geen vaderlandse waarden met voeten getreden?’ Wij spreken af de aanstaande gebeurtenissen scherp in de gaten te houden en zonodig heftig de publicitaire trom te roeren.
DE VOLGENDE DAG vertrekt het gezelschap per trein naar Hannover, de heren met een door de joodse spijswetten voorgeschreven hoofddeksel binnen handbereik. Een borsalino, een vilten hoed, een alpinopet en nog een alpinopet. De Groene Amsterdammer, diep geworteld in de joods-protestantse traditie, heeft vanzelfsprekend een keppeltje in de binnenzak. Wij zijn op weg naar het concentratiekamp Bergen-Belsen, waar joden en christenen vandaag gezamenlijk Yom Hashoa we gwurah vieren, de gedenkdag van het vermoorde Europese jodendom.
Ik herlees, al sporende, Amor fati, Abel Herzbergs verslag van zijn verblijf op deze onheilige grond. Nee, gaskamers waren er niet. Je ging er niet minder dood om. Dank zij de tyfus. En vooral door de honger. Dus werd er gestolen, een korst brood of een pannetje soep. Een rechtbank van kale, wijze joden, 'alle drie voortreffelijke juristen en onkreukbare mannen’, boog zich over het probleem. Zij hadden allen in een vorig leven, net als de procureur-generaal en de diverse verdedigers, een vooraanstaande rol gespeeld in de wereld der juristerij. 'Rechters, aanklager en advocaat, ze dragen als ambtsgewaad hun lompen en ze hebben allemaal even grote honger als de dief.’ Diens schuld was evident: hij kreeg vier weken Bunker. En stierf, net als zijn geleerde en haveloze rechters, de advocaten en de getuigen.
Het concentratiekamp ligt in een lieflijk landschap. De massagraven ('Hier rusten 20.000 doden’) worden overschaduwd door beuken en berkebomen. De politieagent bij de ingang draagt de bekende gifgroene hoerapet. Hij heeft een tulp in zijn hand. De deelnemers aan de herdenking hebben zich rond de obelisk in het centrum van het kamp gegroepeerd, rechts de hoogwaardigheidsbekleders, links, op een podium, de pers. Ook de cameralieden en geluidsmannen dragen zo'n rabbinale hoed. In het midden zitten de slachtoffers, veelal met een vlaggetje met de wit-blauwe davidster in de hand. De ceremoniemeester begeeft zich naar de microfoon. 'Willen de overlevenden wat inschikken? Wij willen graag klokslag twee beginnen.’
Bondskanselier Helmut Kohl staat democratisch op de tweede rij, schuin achter Duitslands opperjood Ignatz Bubis, ooit door Fassbinder geportretteerd als het prototype van de genadeloze, gewetenloze joodse uitzuiger, in werkelijkheid een van de morele leiders van de Bondsrepubliek. In de Inschriftenmauer, achter de obelisk, gewaagt de latijnse tekst van 'Gods goedheid’, die 'eindelijk het ongelukkige mensengeslacht kwam redden’. Daar had de goede God, lijkt mij, beter een jaartje eerder aan kunnen beginnen.
De gazzan zingt het Ejli Ejli lomo asawtoni? - Mijn God, waarom hebt ge ons verlaten? Bubis, wiens vrouw in Bergen-Belsen heeft gezeten, veegt zijn ogen af. Daarna volgen de toespraken, waarin altijd weer hetzelfde wordt gezegd en die altijd weer aangrijpend zijn. 'En dan verneem ik uit de krant dat er lieden zijn die beweren dat de achtste mei, de dag waarop de oorlog eindigde, geen dag van bevrijding is geweest’, zegt Gerard Schroder, de minister- president van Nedersaksen. 'Dames en heren, wie slechts over het Hitler-fascisme spreken wil als tegelijkertijd de Duitse deling aan de orde wordt gesteld, vervalst de geschiedenis.’ Applaus - op de perstribune en vanuit de rijen der overlevenden. De hoed van Helmut Kohl is inmiddels op zijn achterhoofd gegleden. Hij oogt als een ramptoerist. Onrust onder het publiek: er is een meisje flauwgevallen. Geroep: is er een dokter bij de hand? Een zeer oude man maakt zich los uit de rijen der overlevenden en verleent het meisje vakkundig de eerste hulp.
In het perscentrum van het concentratiekamp krijgen de binnen- en buitenlandse verslaggevers een bundel met 'getuigenissen en documenten’, zo boordevol koude gruwel dat wij collectief besluiten het onaangeroerd te laten. Goed, een blik dan, terwijl wij terugreizen naar de standplaats Dusseldorf, want de meesten onzer hebben verzuimd zich van treinlectuur te voorzien. Even later zit de hele coupe, van Trouw tot de Haagse Courant, van Radio Zuid tot Radio Oost, dat boek te lezen, urenlang, slechts onderbroken door ontzet gemompel als iemand weer eens op iets onbeschrijfelijks is gestuit. Op 5 juni 1945, korte tijd na de bevrijding van Bergen-Belsen, riep de burgemeester van het nabijgelegen Hannover de bevolking op diegenen die nog in het kamp verbleven met goede gaven te bedenken. Met een dam- of schaakspel, bijvoorbeeld. Of met boeken, 'in alle talen behalve Duits’. Of met een grammofoon met bijbehorende grammofoonplaten. Allemaal goed bedoeld, ongetwijfeld. Niemand had die man blijkbaar verteld dat die arme, kreperende tot half-kreperende schlemielen aan maar een ding behoefte hadden: voedsel met een levensreddende kroes water.
WIJ LUNCHEN de volgende dag in Munster met een paar studentes van het lokale Zentrum fur Niederlande-Studien. Natuurlijk komen zij regelmatig in Nederland, al was het alleen maar om het geleerde in de praktijk te beproeven. Van anti- Duitse sentimenten hebben zij eigenlijk nooit wat gemerkt. Hoewel, de voorbeelden van autoradio’s die uit Duitse vervoermiddelen zijn gesloopt… 'Maar lieve kind’, zegt de Volkskrant, 'dat komt omdat het Duitse auto’s zijn, dus dure auto’s, met gegarandeerd dure autoradio’s.’
Ondertussen zijn wij via een projectiescherm getuige van de gezamenlijke herdenkingsbijeenkomst van Bondsdag en Bondsraad. Helmut Kohl, zelf gezegend met de genade ener late geboorte, heeft het maar druk met de zonden zijner voorvaderen. Zijn collectie lichtblauwe gastarbeiderskostuums geniet inmiddels wereldwijde faam.
Dan staat plotseling een half dozijn militairen in de deuropening van het restaurant. Hebben wij, in onze Hollandse hoogmoed, wellicht iets miszegd? Nee, het blijken vertegenwoordigers te zijn van het eerste Duits-Nederlandse legercorps, een poging om de beide naties ook op krijgskundig gebied te verbroederen. Gunther Freiherr von Steinakker stevent op onze tafel af en mengt zich democratisch in het gesprek. 'Waarom zouden wij, Duitsers en Nederlanders, met onze gemeenschappelijke belangen, niet samenwerken?’ zegt hij. 'De voertaal waarvan wij ons bedienen is trouwens Engels.’
Op de achtergrond speelt zich ondertussen een historische gebeurtenis af: De rede van Wladislaw Bartoszewski, de Poolse minister van Buitenlandse Zaken, zelf ooit ingezetene van Auschwitz. 'Natuurlijk begrijpen wij de smartelijke gevoelens van die Duitsers die hun familieleden hebben verloren. Maar het treuren om een verloren familielid is van een andere orde dan het treuren om een verloren oorlog.’
Hoe denkt generaal-majoor Von Steinacker over deze brandende kwestie? 'Over mijn standpunt hoeft u zich geen zorgen te maken’, zegt hij geruststellend. 'De achtste mei was vanzelfsprekend de dag van de bevrijding, daaraan kan geen twijfel bestaan. Maar het lot van een natie valt niet altijd samen met dat van de individuele burger. Neem mijzelf. Ik ben in 1945, als kind, Silezie ontvlucht. Ik heb moeten meemaken hoe mijn kindermeisje werd doodgeschoten en mijn moeder werd verkracht. Onder mijn ogen. Zoiets laat een mens, laat staan een kind, niet onbeschadigd. Kunt u zich dat voorstellen?’
PRECIES OP TIJD staan wij op de stoep van de Industriele Club, te midden van de eerste gasten. Kaasmeisjes op rolbevestigende klompen verzorgen de ravitaillering, in een oud-Hollandse outfit die je in werkelijkheid alleen op Marken ziet als er weer eens een bus met Duitse toeristen is gesignaleerd. Veel rood, wit en blauw, veel gekus, gekir en geknuffel. Vanaf het projectiescherm kijkt Hare Majesteit welwillend toe.
Dan neemt onze consul-generaal het woord, nog steeds every inch een corpsbal. Om - o wonder! - in feite louter verstandige dingen te zeggen, over het 'morele kompas’ dat de jarige beoogt te zijn, over de 'persoonlijke verantwoording’ in ieders mensenleven, Nederlander of Duitser, en over het feit dat het geen zin heeft als Nederlanders en Duitsers elkander tot de Jongste Dag te blijven verketteren, wat er ook in het verleden moge zijn geschied. 'Want op onderdrukking volgt bevrijding en op bevrijding volgt verzoening… Leve de Koningin!’
Waarna inderdaad het verduitste Nederlandse volkslied volgt ('Mein schild und mein vertrauen, bist Du, o Gott mein Herr’). Gegeven het feit dat Wilhelmus van Nassouwe eigenlijk 'von teutschen blut’ is geweest en ons toch maar mooi van die verdomde Spanjaarden heeft afgeholpen, heeft iedereen daar inmiddels vrede mee.