Recensie Frans-Willem Korsten

Vondel belicht

Frans-Willem Korsten
Vondel belicht: Voorstellingen van soevereiniteit
Verloren, € 25,-

Het is er nu dan toch: het boek over het toneel van Joost van den Vondel waaraan Frans-Willem Korsten de afgelopen jaren heeft gewerkt en waarvan deelstudies de nodige beroering hebben gewekt in de overigens meestal kalme vijver van de neerlandici-renaissancisten. Het stond al voor het voorjaar van 2006 aangekondigd bij uitgeverij Vantilt, onder de titel Vondel ontzet, maar het werd uiteindelijk een uitgave van Verloren: Vondel belicht: Voorstellingen van soevereiniteit.
Er werd naar dit boek uitgekeken, en het wachten was de moeite waard: Korsten schreef een spannend boek. Hij slaagt erin nieuw licht te werpen op het toneel van Vondel, door ongebruikelijke invalshoeken te kiezen. Hij deinst er niet voor terug om daar waar dat zinnig lijkt het werk van moderne denkers te gebruiken om de teksten open te breken en te laten spreken, hij legt Vondels ideeën niet alleen naast die van een tijdgenoot als Grotius maar ook naast die van latere theoretici als Hobbes, Hume en Deleuze en schroomt bijvoorbeeld niet op parallellen te wijzen tussen Vondels toneelgeweld en de Balkanoorlog.

Het is overigens niet zo dat Korsten de stukken van Vondel compleet losweekt uit de tijd van hun ontstaan, integendeel. Zijn eerste uitgangspunt is nu juist dat de stukken moeten worden bezien in het licht van de roerige tijd waarin ze ontstonden. De vroegmoderne tijd was een periode waarin Europa zocht naar manieren om het toen alomtegenwoordige geweld te beteugelen, zowel in het groot, in de maatschappij, als op kleinere schaal, in gemeenschap en gezin. Vondel brengt in zijn stukken dit immense krachtenveld terug tot de machinaties en redeneringen tussen een kleine groep spelers op het toneel. Hij onderzoekt de mogelijkheden die de mens heeft om zijn wereld in te richten, vorm te geven en te besturen en hij gaat daarbij de meest ingrijpende vragen omtrent God, staat en mens niet uit de weg.

Om de spanningen die ten grondslag liggen aan Vondels stukken adequaat te kunnen onderscheiden en beschrijven, vond Korsten een gelukkige sleutel in het begrip soevereiniteit. Soevereiniteit was een veel bediscussieerd begrip in het Europa uit Vondels tijd, een periode waarin nieuwe staten worstelden met allerlei machtskwesties. In Korstens optiek was Vondel gebiologeerd door het vraagstuk van de soevereiniteit, of die nu de staat gold of het individuele lichaam. Soevereiniteit bestaat bij gratie van wat daar buiten valt – iets kan alleen maar soeverein zijn ten opzichte van iets anders – en dat brengt een permanente dreiging met zich mee. Vondel onderzoekt, aldus Korsten, in zijn spelen hoe soevereiniteit kan worden gerealiseerd, bewaard en beschermd tegen geweld. Dat laatste kan (en wordt meestal) gerealiseerd via politiek dan wel religieus tegengeweld, maar er zijn alternatieven, en juist die lijken Vondels interesse te hebben.

Hoe dat werkt, kan bijvoorbeeld geïllustreerd worden aan de hand van Vondels Noah. In dit stuk wordt de wereld geschetst aan de vooravond van de zondvloed. God zal zijn orde opleggen aan de wereld door haar te schenden. Noah is in het stuk degene die stem geeft aan de plannen van God; zijn grote tegenspeler is een vorstin, Urania. In eerdere studies wordt Noah in de regel positief gewaardeerd als man Gods, Urania anderzijds neergezet als een verdorven wezen. Korsten komt tot een andere lezing. Bij hem vertegenwoordigt God, en daarmee ook Noah, een eenzijdig, autoritair en gewelddadig bestuur, terwijl Urania juist de rede en de levenslust verwoordt. God vernielt de wereld, terwijl Urania doet wat in haar wereldse macht ligt om wereld en bewoners te sparen en bewaren. Zo geeft zij stem aan een alternatief, een alternatief dat wreed wordt gesmoord en stom gemaakt. Gods wreedheid komt er des te schrijnender door naar voren, zijn geweld is een weinig aantrekkelijk instrument om orde te vestigen.

Een vergelijkbaar patroon ziet Korsten ook in andere spelen van Vondel terug: een patriarchale, geconcentreerde macht wiens gewelddadig optreden veelal wordt gesanctioneerd door God, in conflict met een natuurlijke, in de meeste gevallen door vrouwen gerepresenteerde, op heelheid en vruchtbaarheid gerichte tegenkracht. Nog weer anders gezegd: de lineaire christelijke geschiedenis botst met de cyclische natuur. Korsten baseert zijn interpretaties op scherpzinnig lezen. Hij heeft een scherp oog voor juist die plekken in een tekst waar het rommelt, waar zaken niet kloppen, plaatsen waar filologen soms al sinds lang mee worstelen en die in gangbare interpretaties meestal worden gladgestreken. Korsten weet die passages betekenis te geven, op zo’n manier dat de teksten van Vondel een nieuw, verrassend karakter krijgen: in plaats van geoliede poëtische bouwsels worden het ontregelende en conflictueuze tonelen. Het is geen spektakeltoneel in de zin zoals Vos stukken schreef, maar op een andere manier niet minder enerverend.

De aanpak van Korsten zal ongetwijfeld op tegenstand stuiten – dat zal bijvoorbeeld zeker gelden voor de manier waarop hij Vondel als schrijver van de voorredes bij zijn stukken apart zet. Ook zijn interpretaties zullen niet allemaal overgenomen worden, en dat hoeft ook niet, maar ze verdienen het wel serieus genomen te worden. In een confrontatie naar aanleiding van een voorstudie van dit boek stelde Jan Konst dat Korsten werkt vanuit een wetenschappelijk paradigma dat onverenigbaar is met het gangbare historische paradigma. Een dergelijke reactie slaat de dialoog dood, en dat is te betreuren. Het zou een gemiste kans zijn wanneer het «traditionele» onderzoek de rijkdom van dit boek niet zou oppakken – daar heeft het namelijk veel bij te winnen.

Korstens boek kan helpen weer fris naar Vondel te kijken. Ik kan me nog goed mijn moedeloosheid herinneren toen ik als student, schrijvend aan een werkstukje, voor het eerst de drie delen van W.A.P. Smits Van Pascha tot Noah in handen kreeg. Het laatste woord over Vondels toneel leek gezegd. Die moedeloosheid, daar groei je wel overheen, maar het volle gewicht van Smits’ geleerdheid laat zich niet eenvoudig wegzetten. Nu hoeft dat ook niet: zijn werk, en dat van de hele traditie waarin hij staat en die doorloopt tot op de dag van vandaag, is belangrijk genoeg. Tegelijkertijd en ironisch genoeg lijkt het echter alsof door heel veel studie een literair oeuvre op de een of andere manier in het slot kan vallen. Korsten maakt het weer open.

En is er daarbij sprake van botsende paradigma’s? Ik denk dat het meevalt. Korsten benadert de zeventiende eeuw ook in hoofdzaak vanuit een historisch perspectief: de wereld waarin Vondel leefde, met al het geweld en de politieke kuiperij die daarin voorkwam, is zijn uitgangspunt en blijft steeds het voornaamste referentiepunt. Het grootste verschil lijkt me te zijn dat Korsten consequent ervan uitgaat dat er niet zoiets bestaat als dé betekenis van een tekst. Hij vat de stukken op als plaatsen waar meningen botsen (ook daar nog niets nieuws), zonder dat dit uiteindelijk tot één sluitende lezing moet leiden. En dat laatste is precies waar veel literair-historisch onderzoek op uit was en is: niet eens op dé betekenis – iedereen zal toegeven dat je met een literaire tekst verscheidene kanten op kunt –, maar wel op de beste, de betekenis die zou samenvallen met de bedoeling van de auteur. Dit is een legitieme en zinnige, maar ongetwijfeld niet in alle gevallen afdoende benadering. Niet elke tekst laat zich in één betekenis vangen: zeker niet het werk van de werkelijk grote auteurs. Het is niet voor niets dat Korstens boek juist over Vondel gaat.

Een bespreking als deze is veel te kort om Vondel belicht recht te doen. Korsten bespreekt niet minder dan twaalf toneelstukken (en dan komen er nog verscheidene andere Vondel-teksten voorbij). Het is een lastig boek, de lezer is gewaarschuwd. De tekst is af en toe stug door taalgebruik uit de postmoderne hoek. Inhoudelijk wil Korsten veel tegelijk, talrijke grote thema’s worden in een paar bladzijden aangeroerd, meestal door kort te verwijzen naar een studie waar dan een paar hoofdpunten worden uitgelicht. De materie is al niet eenvoudig, en de schrijver is bovendien niet uit geweest op het gemak van zijn lezers. Om het boek echt goed te lezen en te kunnen meedenken, moet je er eigenlijk steeds de teksten van Vondel naast openslaan.

Het ligt voor de hand dat dit boek nog het nodige zal losmaken en discussies zal oprakelen, bijvoorbeeld over de rol en de positie van de vrouw in het werk van Vondel. Nog maar een paar jaar geleden schetste Riet Schenkeveld in haar afscheidscollege een inktzwart beeld van «het vrouwelijk dier» bij Vondel, terwijl in de studie van Korsten de vrouw nu juist keer op keer opduikt als redelijke tegenstem. Hoe is die discrepantie te verklaren? En zoekt Vondel echt steeds weer de tegenstem, het alternatief voor geweld? Zijn opmerkingen over de islam kunnen misschien de lakmoesproef vormen – in die kwestie legt Vondel bepaald niet steeds de redelijkheid aan de dag die Korsten nu heeft benadrukt, integendeel: hij is dan eerder zelf een voorstander van een hard en «mannelijk» christendom dat de bedreigde christelijke soevereiniteit met veel geweld wil verdedigen.

Naar verluidt heeft de eerst beoogde uitgever het boek uiteindelijk laten liggen omdat het niet publieksvriendelijk genoeg was. Ik maak me inderdaad weinig illusies over de verspreiding die Vondel belicht zal krijgen. Maar het is wel een belangrijk boek waarin Korsten Vondel weer actueel maakt en zijn werk opent voor hernieuwde studie. * Johan Koppenol is hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Gouden Eeuw