Vonken in de schemering

‘HET WOORD is dood, het moet geschreven/ het schrijft zich om zich schoon te spreken’, zo lees ik in de reeks ‘Kijk, het heeft gewaaid’ uit de tijd staat open, de nieuwe bundel van Gerrit Kouwenaar. Toen ik die regels voor de eerste keer las - in 1993, toen deze reeks als afzonderlijke uitgave bij uitgeverij Herik te Landgraaf verscheen - zag ik daarin een bewijs voor de Houdini-achtige kwaliteiten van Kouwenaars poëzie. Ontsnapte zijn poëzie met deze regels immers niet aan haar samenvattingen, aan wat in literaire kritieken, in juryrapporten en in proef- en andere wetenschappelijke schriften in meer algemene zin over Kouwenaars poëzie is gezegd?

Ik herhaal het nog maar eens: Kouwenaar is de dichter van regels als: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaakste’. Hij is de dichter die met woorden de werkelijkheid stillegt, in de meest letterlijke zin: letterlijk dood maakt. Natuurlijk om op die manier, in het gedicht, te ontsnappen aan het verstrijken van de tijd (bij Kouwenaar mikt de dichter met poëzie nog onverminderd op de eeuwigheid). Het woord doodt om de verstrijkende tijd een halt toe te roepen; de werkelijkheid buiten het gedicht wordt in het gedicht tot stilstand gebracht, waardoor dat gedicht als het ware in zichzelf keert en zo zijn eigen werkelijkheid wordt, autonoom. Anders gezegd: in het gedicht ontkomt de dichter aan zijn eigen sterfelijkheid.
ENFIN, zo ongeveer vat je Kouwenaar samen. En waren de hierboven geciteerde regels niet een bewijs dat Kouwenaar in zijn nieuwe poëzie aan die samenvatting ontsnapte? Immers, in deze regels - en ook al in de bundel een geur van verbrande veren uit 1991 - lijkt de werkelijkheid die in het gedicht is stilgezet niet meer die mogelijkheden tot ontsnapping aan de eigen sterfelijkheid te bieden. Integendeel: de gedode werkelijkheid, de stilgezette tijd in het gedicht vertoont steeds meer overeenkomsten met de werkelijke tijd die de dichter, naarmate hij ouder wordt, steeds meer dreigt te doden. Het woord doodt niet meer zozeer, het ìs dood en wil nu dringend worden geschreven, zo las ik en ik dacht: Kouwenaar ontsnapt hier in zijn poëzie misschien minder en minder aan de verstrijkende tijd, maar met zijn poëzie ontsnapt hij wel aan zijn eigen poëtica.
Onzin natuurlijk. Het was niet de poëzie die hier aan de poëtica ontsnapte, ik was het zelf. Bovenstaande regels maakten mij er alleen maar van bewust dat de samenvattingen van Kouwenaars poëzie (of van wiens poëzie ook) je maar al te gemakkelijk kunnen afhouden van het lezen van die poëzie. Een poëtica is handig als kapstok om over poëzie na te denken, om het werk van een dichter te vergelijken met dat van een ander, maar stelt niets voor zonder de poëzie waaruit zij werd afgeleid.
Volgens de poëtica behoren Kouwenaar, Faverey, Ten Berge, Tentije en tegenwoordig ook Kopland allemaal min of meer bij elkaar. Je hoeft alleen maar de gedichten van Kouwenaar, Faverey, Ten Berge, Tentije en Kopland daadwerkelijk te lezen om te ontdekken dat dit - nou ja, misschien niet helemaal, maar toch wel grotendeels onzin is. Iedere dichter van waarde schudt met één gedicht zijn beschouwers van zich af. Maakt van beschouwers weer beginnende lezers, bedoel ik. Zoals dichters met ieder gedicht dat zij schrijven weer helemaal aan het begin staan.
'Altijd het woord dat zijn echo verbetert’, lees je in de reeks 'volledig, zonder betekenis’ uit Kou wenaars nieuwe bundel, want dat wat gezegd werd moet steeds opnieuw en wordt steeds àls nieuw gezegd. Je bent bijna geneigd om te stellen dat het een dichter zo altijd lukt de tijd te overwinnen: hij maakt van hetzelfde telkens iets anders, iets nieuws, iets wat er nog niet was, nog nooit zo werd gezien althans.
En zeker, het werk van Kouwenaar heeft bij al het gescherm en vooral geschipper met de dood en de eeuwigheid altijd iets buitengewoon monters gehouden, iets feestelijks bijna. Dat ontbreekt ook in de tijd staat open niet; de titel laat zich immers, voor wie dat wil, meteen al lezen als een buitengewoon opgewekte constatering.
Een dergelijke opgewektheid past uitstekend bij al die voortreffelijke maaltijden die er in de gedichten telkens weer worden genuttigd. Poëzie is als eten, zo lees je meermaals watertandend bij Kouwenaar, immers ook zo'n activiteit die je steeds moet herhalen en waarbij de volgende maaltijd de echo van de vorige verbetert, overstemt zelfs.
Maar het omgekeerde is voor Kouwenaars poëzie ook waar: dat het hem nooit lukt de tijd te overwinnen en dat hetgeen hij steeds opnieuw en ook steeds àls nieuw zegt niets anders is dan de steeds hernieuwde, schrikwekkende uitvinding van zijn eigen sterfelijkheid. De tijd staat open, zeker, maar de tijd is daarmee ook een gapend gat, een zwart gat. 'Vandaag hoort de woorden de stilte bezweren’, lees je in het speciaal voor dodenherdenking geschreven gedicht 'dag van de doden’: 'alsof de tijd ooit te stillen was// zij noemen zich bij onteigende namen/ zij willen wat doodzwijgt verstaanbaar maken/ en roepen omlaag en omhoog in een gat’.
Misschien is het vanuit dit perspectief bezien wel tekenend dat we de dichter in zijn gedichten minder vaak dan vroeger smullend in het midden van een maaltijd bij heerlijk gebraad aantreffen. In de tijd staat open zit hij al tijd aan het dessert, zo lijkt het, tussen 'scherven van bekers/ afgeknaagd afval’, of etend van een haast overrijpe meloen: 'De nacht vindt plaats, de tijd is rond/ men proeft het rijpe woord meloen/ warm als de afgekoelde grond/ en op de rand van het bederf// omdat men zich in vlees verbergt/ schenkt het moment een eau de vie’.
DAT HELDERE glaasje levenswater is hier echter natuurlijk toch weer een waarschuwing om de titel van de bundel niet alleen maar op te vatten als verwijzend naar het zwarte gat van de dood, maar ook steeds te blijven zien als de aanduiding van het oneindige aantal mogelijkheden dat het leven onverminderd in petto heeft, als het ogenblik, het moment waarbij en waarin men bestaat.
'Hier in mijn schemer vonkt nog het oude volledige leven/ en bekvecht het uitgesteld vlees met de geest’, schrijft hij in een ontroerend in memoriam-gedicht voor en aan Lucebert, en dat is de paradoxale formulering waarbij Kouwenaars poëzie op dit moment bestaat: schemer misschien, maar met onverminderd die vonk. Die vonk is niet zozeer herinnering aan een uitslaande brand (niet uitsluitend althans), maar veeleer de mogelijkheid dat alles nog eens in de hens zal gaan.
Ik zei al: Kouwenaar vindt met ieder gedicht zijn eigen sterfelijkheid weer uit, zelfs in in memoriam-gedichten waarin gestorvenen worden herdacht. Her-denken is bij Kouwenaar inderdaad opnieuw denken, zodat in het gedicht voor en aan Lucebert de overleden dichter in de regels toch weer even tot leven wordt gewekt, al is het dan als de dichter die voorgoed vastligt 'in wat je steeds luider totaler verzwijgt’. Er is nooit overgave aan en daarmee acceptatie van de dood; er is hoogstens identificatie met de eigen sterfelijkheid, een identificatie die altijd schrik teweeg brengt.
Ook bij de lezer. Juist bij de lezer. Dat maakt dat Kouwenaar, ondanks het feit dat hij door beschouwers al een plaats heeft toegewezen gekregen en behalve met prijzen bedacht is met een poëtica en zelfs een hele school volgelingen - en dat is allemaal terecht en juist en absoluut waar ook -, dat Kouwenaar desondanks met deze nieuwe bundel van mij weer een beginnende lezer maakt die de schrik om het hart slaat als hij leest wat hij allang weet, maar in en door deze woorden nog weer eens aan den lijve ervaart: 'dat de nachtschade hangt aan zijn leven/ dat de zaaier ontkiemt in zijn veldbed/ dat de groene woorden als kersen bederven.’