Sport

Voor

Voor wie ben jij? Voor Federer of Nadal?
Eh…
Nou?
Voor Federer. Nee, voor Nadal. Federer.
Federer?
Ja, Federer. Nee, toch Nadal.
Waarom dan?
Weet ik niet. Eigenlijk ben ik voor niemand. Het kan me niet schelen wie wint.
En als je het moet zeggen?
Dan toch Nadal. Nee, Federer.
Vanwege dat hanige, zeker, dat Spaanse. Nadal is cocky.
En die broek.
Ja, die broek. Als ik zou doen wat hij doet, zou ik niet eens kunnen beginnen met tennissen. Maar Federer heeft zo’n bekkie, alsof hij altijd tegen de zon in kijkt.
Zo’n cleane kop.
En die broek.
Dat is toch verschrikkelijk. Waarom koopt hij geen andere broek dan? Het moet een obsessief-compulsieve stoornis zijn. Waarschijnlijk zou hij het ook doen als hij naakt zou tennissen. Zo meteen verdwijnt de bal erin.
Waarin?
In zijn bilnaad.
Of hij gaat zo met zijn racket zo in zijn broek…
Federer, die is zo gestreken, het is alsof hij niet gesport heeft. En dat vest… een ideale-schoonzoon-vest.
Wanneer zijn we ‘voor’ iemand? Of tegen iemand? Wanneer willen we heel graag dat er een gaat winnen, en niet een ander? Wat is daar voor nodig?
Toen we klein waren en gingen voetballen op straat was het altijd: oké, en dan was ik Cruijff oké, en dan was jij Keizer.
Ik Keizer?
Jij was Keizer. En dan waren wij Ajax.
Het gaat om de verleden tijd. Het is iets heel anders om te zeggen: dan was ik Cruijff dan om te zeggen: ik ben Cruijff. De verleden tijd maakt er een sprookje van – er was eens, lang geleden, een voetbalveldje waar zes jongetjes een partijtje gingen spelen. Ze heetten Wijpie Schermerhoorn, Peter Koelmans, Quintijn Innikel, Rudolf Kalmeijer, Peter Kennis en Rob van Erkelens. Maar ze voelden zich Het Grote Ajax. Van 1971, 1972 en 1973. Dus hadden ze andere namen nodig.
Dan was ik Cruijff. Ik had al een Ajax-shirt met nummer 14 en ik kon sowieso het best voetballen van iedereen, toen, daar.
Oké, en dan was ik Sjaak Swart.
Identificatie, daar gaat het allemaal om in de sport, dat wil zeggen de sportbeleving, door degenen die haar niet op dat moment zelf beoefenen. Degenen die niet de helden zijn naar wie ze zichzelf noemen voor korte tijd.
Ik dacht altijd dat de voetballers die ik op televisie zag niet in het echt bestonden. Dat had ik met name bij het Ajax van de gloriejaren. Op een of andere manier kon ik me niet voorstellen dat de mannen die ik op Wembley van Panathinaikos zag winnen, dat die ook ’s morgens wakker werden in een bed in een huis in een straat in een dorp in een provincie in een land op een continent in een universum in een heelal. Dat de mannen die met de cup met de grote oren in hun handen in een witte badjas een ereronde liepen, dat die ’s avonds thuis zouden komen en een pyjama zouden aantrekken en naar bed gingen.
Fictie was het. En sindsdien ben ik dat gevoel nooit meer kwijtgeraakt. Dat het fictie is.
Bij een wedstrijd waar je naar kijkt, wil je ergens voor zijn. Liever de ene partij zien winnen dan de andere. Blij zijn met een punt voor de een, en teleurgesteld door een punt van de ander. Wat is dat?
Admiratie, is het. Bewondering. Omdat iemand goed is in wat hij doet en dat ook nog op een mooie manier doet. Je wilt hem zien winnen.
En identificatie. Je vereenzelvigen met de sportheld. Je wilt hem zijn en winnen.
Als je voor iemand of iets bent, waar ben je dan voor?
Je bent eigenlijk voor jezelf. Voor wie je wilt zijn.
Als je voor iemand bent dan sta je in wezen achter hem. En naast hem, zij aan zij, strijdend tegen de ander, waar je tegen bent. Omdat zijn haar stom is. Of omdat hij rare geluiden maakt.
Dat kreunen, dat is toch Nadal?
Bij gelijke geschiktheid wordt de doorslag vaak gegeven door een miniem detail als de kleur van de sokken. Bram Som bijvoorbeeld, met die verschrikkelijke zwarte kniekousen van zijn oma. Hij had een held kunnen zijn, waar je voor was, maar je bent tegen hem, door die kniekousen.
Voor wie ben je nou?
Federer. Want Nadal doet het nog steeds, dat met die bilnaad. Net als vorig jaar in de finale. Voor hij gaat serveren of retourneren, hup, ghglljjhp, even de broek uit de bilnaad sjorren. Ja, ik ben voor Federer.