Victor Hadwiger, in 1878 in Praag geboren, vertrok in 1903 naar Berlijn, weg van het taaleiland dat Praag tientallen jaren rond de eeuwwisseling is geweest voor Duitstaligen. Lokaal moet hij als een van de vele flamboyante kunstenaarbohémiens befaamd geweest zijn. Nu is hij een van de zestig vergeten en miskende auteurs van de twintigste eeuw, die tien jaar geleden de twijfelachtige eer te beurt viel te worden bijgezet in het boek Ein deutscher Dichter bin ich einst gewesen. Kort daarvoor waren van hem nog zijn twee romans, Abraham Abt uit 1911 en het postume Il Pantegran, herdrukt. Naar deze ‘tragikomische geschiedenis’ (1911) te oordelen, is miskend niet meteen een woord dat op Hadwiger van toepassing is. Ik weet ook niet of je het expressionistisch proza kunt noemen, het heeft er de pathetiek, de opstapeling van beelden en de onrust mee gemeen: als er één ding is waar je teksten uit het begin van deze eeuw aan kunt herkennen, is het inderdaad de alarmerende hectiek. Het oproepen van sfeer lijkt belangrijker dan beschrijving en vertelling, en ook dit verhaal moet het vooral hebben van de suggestie, dus van de welwillendheid van de lezer.

Dat geldt al voor de titel, Liefde en bruiloft van de tragische aap Jogo, die een verhaal op zich had kunnen zijn. Maar, de liefde die een circusdirecteur koestert voor zijn aangenomen dochter blijkt bij voorbaat hopeloos en de bruiloft is een ander woord voor moorddadige verkrachting. Laconiek eindigt dat hoofdstukje aldus: ‘En zo lagen daar twee lichamen te schokken, het ene in de waanzin van de liefde, het andere in dat van de dood. Zo vierden Lucie en haar vader hun bruiloft.’ Overigens wordt er nog ergens gesuggereerd dat het meisje als ze haar onschuld voor wellust inruilt, dat is omdat ze met het zweepje van de directeur in handen de macht leert smaken; zo onschuldig is de frêle danseres nu ook weer niet. Maar hoe zit het met die tragische aap? Het verhaal begint met een mopperende, mensenhatende aap Philip, een echte, al is hij dan een asceet op een stokje. Deze geeft een karakterschets van zijn baas als 'een eenling, een ontaarde’, de enige 'die wist hoe je met apen moet omgaan’. Daarna geeft de tekst de ene suggestie na de andere als de circusbaas in beeld komt: 'zijn onderkaak bewoog als van een piekerend dier’; hij heeft beelden van 'dierlijke wreedheid’ voor ogen, en hij slaat dan wel mensentaal uit, maar soms hapert zijn spraakvermogen behoorlijk. Ten slotte staat het er expliciet: 'en moest het alleen maar nacht worden om hem die gedaante te laten aannemen die zijn lot was.’ Maar gelukkig kan hij nog (weer) rechtop lopen. Dat is na de bloedbruiloft: het circus gaat in vlammen op en Jogo had op zijn laatste ronde graag alle kettingen losgemaakt en (staat er pardoes) 'iedereen die hij liefhad de vrijheid gegeven - ongeacht het soort dier’. Hij redt de aap Philip, ze herkennen elkaar en 'het was weer als vroeger’ - naar hoe het vroeger was, laat zich raden; al eerder betwijfelde Jogo of de wereld er met een apenstaat op vooruit zou gaan.