Voor Adorno was radicaal-rechts altijd al actueel

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Vandaag een merkwaardig boekje bovenaan de Duitse bestsellerlijsten van een auteur die al vijftig jaar dood is: Adorno’s Aspekte des neuen Rechtsradikalismus.

Bovenaan de lijst van non-fictiebestsellers in Duitsland staat een merkwaardig boekje – al was het maar omdat de tekst uit 1967 is en de auteur ervan vijftig jaar dood. Aspekte des neuen Rechtsradikalismus van de filosoof-socioloog Theodor W. Adorno (1903-1969) was tot nu toe alleen een bandopname van een lezing. Die hield deze voorman van wat tot in de jaren zeventig de ‘kritische theorie’ werd genoemd voor studenten in Wenen. Adorno probeert in de tekst te verklaren waarom de Duitse extreem-rechtse partij NPD in 1964 onverwacht succesvol is gebleken bij verkiezingen in de deelstaten. De reden voor de populariteit van de tekst nu – er schijnen al meer dan 100.000 exemplaren verkocht te zijn – laat zich niet moeilijk raden: de opkomst van de AfD in Duitsland, en andere extreem-rechtse, nationalistische bewegingen en stromingen, zoals Pegida, de Reichsbürger en een bont palet aan neo-nazi’s. De tekst is, zoals in veel recensies van het boekje wordt opgemerkt, een ‘flessenpost’ uit het verleden, over actuele zorgen.

Theodor Adorno was in het naoorlogse Duitsland een beroemdheid, zo ongeveer als zijn leerling Jürgen Habermas nu. Hij was wat je in Engeland een public intellectual zou noemen. Niet in de laatste plaats dankte hij zijn faam aan zijn levensverhaal. Als lector (Privat-Dozent) filosofie aan de Universiteit van Frankfurt was hij in 1933 gevlucht voor de nazi’s – voor zijn gedachten, die voortbouwden op Hegel, Marx en Freud, bestond in het Derde Rijk geen emplooi. In de Verenigde Staten richtte hij met andere beroemd geworden Duitse ballingen, zoals Max Horkheimer en Herbert Marcuse, het Institute for Social Research op – in het Duits Institut für Sozialforschung geheten en na de oorlog ook wel aangeduid als ‘Frankfurter Schule’.

De analyses en onderzoeken van Adorno en de zijnen kenmerken zich door een marxistisch geïnspireerde kritiek op het kapitalisme. Sleutelwerk is het in 1944 in de VS tot stand gekomen Dialektik der Aufklärung, dat Adorno samen met Horkheimer schreef. In dit naar te vrezen valt nog slechts door weinigen gelezen werk (ook niet door mij) wordt gepoogd een verklaring te vinden voor de opkomst van het fascisme, door het te plaatsen in de geschiedenis van de ideeën van de Verlichting.

Die waarden, is grof gezegd de these, zijn min of meer geüsurpeerd door de krachten van het kapitalisme, met als gevolg een gevoel van vervreemding in brede lagen van de bevolking. Het fascisme is een antwoord op zulke ongenoegens – een schijnantwoord omdat het geen remedie, en eigenlijk zelfs geen programma heeft, en feitelijk de mens nog radicaler uitlevert aan de machthebbers in het kapitalisme. Meer in het algemeen past de opkomst van het fascisme in een bredere opkomst van allerlei vormen van mythisch en magisch denken, die in strijd zijn met de rationele verworvenheden van de Verlichting, en de mens de mogelijkheid ontnemen zich rekenschap te geven van zijn situatie. De lat ligt hoog, in dat opzicht, getuige ook Adorno’s vermoedelijk bekendste tekst, een aforisme uit zijn boek Minima moralia (1951): Es gibt kein richtiges Leben im Falschem. De op verkeerde grondslagen gebaseerde samenleving ontneemt de mens de mogelijkheid juist te leven.

Sommige elementen uit Adorno’s denken maken nu een achterhaalde indruk. Zo had hij een hartgrondige hekel aan alles wat je tegenwoordig ‘populaire cultuur’ zou noemen – zelf was hij overigens een naar het schijnt niet onverdienstelijk amateur-componist, die in zijn jeugd les had genomen bij Alban Berg. De massacultuur zoals die zich in de VS nogal nadrukkelijk aan hem opdrong, was hem een gruwel. Zoiets als jazz vond in zijn ogen geen genade en zelfs de muziek van Stravinsky achtte hij door primitieve wancultuur besmet. Een conservatief was hij niet: Schönberg was meer zijn liefde. Bepalend voor de waarde was de veeleisende kunstzinnige integriteit van een kunstwerk, die niet door overwegingen van de markt besmet moest worden. Van de hedendaagse kunstwereld, waarin de waarde van kunst vaak wordt uitgedrukt in termen van de prijs op een veiling, en waarin kunstenaars aan de andere kant vaak de commercie tot onderwerp van hun werk maken, zou Adorno vermoedelijk onaangenaam getroffen hebben.

In 1967 vertelt Adorno aan de studenten in Wenen dat de wederkeer van het ‘rechts-radicalisme’ in de Duitse politiek hem niet heeft verrast. De NPD is ook geen herleving van de nazi’s of iets dergelijks. De kapitalistische samenleving zelf schept de voorwaarden waaronder rechts-radicale ideeën steeds weer de kop zullen opsteken. Naarmate de mens voelt dat hij onder kapitalistische omstandigheden de bevoegdheid over zijn eigen leven verliest, groeit de aantrekkingskracht van stromingen en bewegingen die suggereren dat hij die controle kan herwinnen door allerlei ressentimenten de vrije loop te laten: haat tegen joden, immigranten, links et cetera.

Discussiëren met rechts-radicalen heeft weinig zin, meent Adorno. Het rechts-radicalisme heeft namelijk helemaal geen boodschap aan de werkelijke toestand, de rationaliteit of de waarheid. Het gaat ook niet uit van een doordachte theorie maar is uitsluitend gericht op propaganda en andere machtstechnieken. Daarom winnen aan de boezem van partijen als de NPD (en, kun je toevoegen de AfD) de meest radicale stromingen en standpunten het ook altijd van de meer gematigde, ouderwets-rechtse richtingen. De kern van het rechts-radicalisme is namelijk de verstoring en vernietiging, dwars tegen rationele beoordeling van de situatie in. Het rechts-radicalisme is geen ideologie, maar uitsluitend een politieke truc.

Het is wel duidelijk waarom in 2019 zoveel Duitsers gecharmeerd zijn van deze tekst van Adorno, die niet eerder in druk is verschenen. Verstandige Duitsers zijn de enigen niet in de wereld, die met een mengeling van ongeloof en afgrijzen getuige zijn van een opkomst van allerlei chauvinismen, machtswellust, dictatuur en anti-rationaliteit in de politiek. Niet alles in Aspekte des neuen Rechtsradikalismus is van even grote actuele betekenis, maar verbazend veel van wat Adorno opmerkt is dat wel. De spoken van nu zijn eigenlijk nooit weg geweest, omdat ze een permanent bijverschijnsel van de kapitalistische verhoudingen vormen – dat is misschien nog wel de belangrijkste les van Adorno.

Dat juist in het jaar waarin het een halve eeuw geleden is dat Adorno overleed – hij had teveel van zijn hart gevraagd tijdens een bergwandeling in Zwitserland – hij de Duitse boekhandels verovert, heeft temeer wel iets aardigs omdat het einde van zijn leven weinig leuks had. In de naoorlogse Bondsrepubliek was hij een zeer populaire denker, met name bij links. Samen met Horkheimer was hij, in tegenstelling tot Marcuse bijvoorbeeld, naar Duitsland teruggekeerd – onder andere omdat hij dacht dat daar ondanks de verwoestingen van de oorlog meer cultureel bewustzijn was overgebleven dan in het aan ordinaire massacultuur bezweken Amerika. Adorno en Horkheimer zetten in Frankfurt hun Institut für Sozialforschung voort en Adorno werd een theoriegoeroe van links – een beetje zoals Slavoj Žižek een paar jaar geleden in Europa was.

In de jaren zestig echter ontstond er in de Bondspubliek een radicaal-linkse studentenbeweging die – net als die in Amsterdam overigens – niet zo’n boodschap had aan zorgvuldige theorievorming en reflectie over kapitalisme en socialisme. Men wilde antikapitalistische actie en meer praktische ideeën voor de veelal op summiere leninistische noties geënte strijd voor de proletarische onwenteling die – naar men op thans bijna onbegrijpelijke overwegingen meende – op handen was. In deze sfeer zag Adorno – ook hier liggen vergelijkingen met de ASVA in Amsterdam voor de hand – zijn voorlezingen steeds vaker verstoord door studenten die hem academisme in een ivoren toren of zelfs reactionair functioneren verweten.

Van wat in de Adorno-literatuur bekend staat als het ‘borsten-incident’ uit 1969 bestaat alleen deze foto, helaas zonder borsten: drie studenten proberen Adorno te kussen, die zich heftig verweert.

Het hoogtepunt was in april 1969 toen Adorno belaagd werd door drie vrouwelijke studenten. Die hadden met krijt op het bord geschreven: ‘Wer nur den lieben Adorno lässt walten/ der wird den Kapitalismus ein Leben lang behalten.’ Toen de geleerde toch probeerde zijn college voort te zetten, gingen de drie om hem heen staan en probeerden hem te kussen, hetgeen hij wist af te weren door zijn aktetas voor zijn gezicht te houden. Toen de drie vervolgens ook nog hun borsten ontblootten werd het Adorno te veel – hij ontvluchtte de collegezaal om daarin nimmer terug te keren. Het was, ook door zijn overlijden kort daarna, een roemloos einde van een grote geest. Nu is hij, door een onwaarschijnlijk verkoopsucces, in de ogen van de wereld toch een klein beetje meer gerehabiliteerd.


Theodor W. Adorno, Aspekte des neuen Rechtsradikalismus Suhrkamp 2019

De geluidsopname van Adorno’s lezing is hier beschikbaar op archive.org.

Onder de titel Die gesellschaftlichen Voraussetzungen des Faschismus dauern fort vond op 1 augustus j.l. in Frankfurt een hoogstaande, druk bezochte discussiebijeenkomst plaats over de actuele betekenis van Adorno. Die avond kan hier als video worden bekeken.