Vóór alles een charmeur

VINCENT GOUNOD
FRANÇOIS MITTERRAND: EEN BIOGRAFIE
Aspekt, 633 blz., € 34,9

Toen vorig jaar Anet Bleichs biografie van Joop den Uyl verscheen, ging er een schokje door Nederland. De bevlogen socialistenleider, wiens imago na zijn dood welhaast mythische proporties had aangenomen, had in de jaren dertig fascistische sympathieën gekoesterd. Van het antisemitisme had hij niets moeten hebben, maar als gereformeerd opgevoede jongen met een sterk sociaal gevoel had hij wel iets gezien in de antikapitalistische frasen en nationalistische sentimenten van de nationaal-socialisten. Voor sommige linkse Nederlanders was dit even slikken.
Toch viel het effect van deze onthulling volkomen in het niet bij de schok die in 1994 door Frankrijk ging toen Pierre Péan zijn Une jeunesse française publiceerde, over de jonge jaren van president François Mitterrand. Het verschil werd niet alleen veroorzaakt door het feit dat Mitterrand op dat moment nog aan de macht was, terwijl Den Uyls biografie twintig jaar na diens dood verscheen, maar ook doordat Péan veel meer belastende feiten had ontdekt dan Bleich.
In de jaren dertig was Mitterrand (1916-1996) een fellow traveller van verschillende fascistoïde groeperingen, demonstreerde hij tegen de komst van buitenlandse studenten en tegen een joodse professor en was hij bevriend met diverse extreem-rechtse terroristen. Na de Duitse inval bracht hij anderhalf jaar door in een Duits krijgsgevangenenkamp, waaruit hij eind 1941 na een aantal vergeefse pogingen wist te ontsnappen. Daarna trad hij in dienst van het Vichy-regime van maarschalk Pétain, dat met de Duitsers collaboreerde. Een baan op het commissariaat voor ‘joodse vraagstukken’ weigerde hij, maar wel ging hij werken voor de organisatie die zich inzette voor de herintegratie van krijgsgevangenen. Voor dit werk ontving hij in 1943 uit handen van Pétain de hoogste onderscheiding van het Vichy-regime. Ondertussen had hij echter al contacten met het verzet, en aan het eind van de oorlog was hij leider van een van de verzetsorganisaties van ex-krijgsgevangenen.
Vooral de foto op het omslag van Péans boek zou, indien in 1981 gepubliceerd, Mitterrand het presidentschap hebben gekost. Daarop staat hij samen met Pétain, hét symbool van de Franse collaboratie. Maar misschien nog schokkender was het feit dat Mitterrand goed bevriend was met René Bousquet, politiechef van het Vichy-regime en verantwoordelijk voor de deportatie van tienduizenden joden. Het was een vriendschap die bleef bestaan totdat Bousquet in 1993 werd vermoord. Ook met allerlei andere dubieuze types bleef Mitterrand zijn leven lang bevriend.
Uit de omvangrijke, goed gedocumenteerde biografie die de Belgische diplomaat Vincent Gounod over Mitterrand schreef blijkt dat vriendschappen de kern van zijn politieke bestaan vormden. Als anderen loyaal bleven, steunde hij hen ook, en zo bouwde hij een immens netwerk op dat nog het meest doet denken aan de maffia. Deze zorgvuldig opgebouwde en gecultiveerde Hausmacht stond in dienst van zijn tomeloze ambitie.
Na de oorlog sloot Mitterrand zich aan bij een kleine rechtse partij, die in het instabiele politieke bestel van de Vierde Republiek een scharnierpositie innam, zodat hij tussen 1947 en 1958 elf maal minister was. Hij was een fel tegenstander van Charles de Gaulle en keerde zich tegen diens Vijfde Republiek, hoewel het bijna autocratische ambt van president hem later als gegoten zat.
Pas na 1960 ging Mitterrand zich als socialist profileren. Socialistenleider Guy Mollet had dan ook gelijk toen hij zei: ‘François Mitterrand is geen socialist. Hij heeft socialistisch leren spreken.’ Toen Mitterrand in 1981 eindelijk president werd, speelde hij even met de gedachte een werkelijke revolutie door te voeren, ‘zoals Robespierre… zoals Lenin’, maar zelfs de relatief bescheiden sociaal-economische hervormingen liepen al snel stuk op de realiteit van de economische recessie. Al na een jaar kwam hij tot de conclusie dat het roer om moest en dat keiharde bezuinigingen à la Reagan en Thatcher onvermijdelijk waren. Tamelijk laconiek merkte hij op: ‘Het Franse socialisme? Dat is mijn bijbel niet!’
Nederlandse socialisten konden Mitterrand dan ook nauwelijks zien als een geestverwant. Iemand die onverkort vasthield aan Frankrijks nucleaire arsenaal, wiens geheime dienst het vlaggenschip van Greenpeace opblies, die in Afrika een desastreuze neokoloniale politiek voerde en allerlei misdadige regimes steunde, wiens medewerkers voortdurend verwikkeld waren in allerlei financiële schandalen en die dikke maatjes was met Helmut Kohl – wat was dat voor socialist?
Gounod maakt duidelijk dat Mitterrand voor alles een charmeur was, iemand die wist hoe hij mensen aan zich moest binden en kon gebruiken voor zijn ambities. Hij had een feilloos oog voor machtsverhoudingen, maar maakte tegelijkertijd indruk door zijn grote kennis van de Franse cultuur en geschiedenis, terwijl hij een uitstekende stilist en redenaar was. Voor hem was de literaire vorm dan ook belangrijker dan de inhoud, en uiteindelijk vond hij Le Pen sympathieker dan zijn opvolger Chirac, omdat de eerste fraaier Frans sprak. Door zijn paradoxale optreden, zijn merkwaardige vriendschappen en zijn vele geheimen had hij volgens Gounod veel weg van een romanpersonage. Eigenlijk was zijn hele leven een writer’s goldmine, zodat zijn biograaf het boek aldus besluit: ‘Hij had een groot schrijver kunnen zijn, maar werd politicus.’