De Spaanse griep in Amerika, 1918 © Mary Evans Picture Library / ANP

Ongeveer eens in de 150 jaar verandert de trage loop van de Moldau in een meedogenloze stroom die zich met dertig keer de gewone kracht door het land vreet. Wie de macht van het water heeft gezien zal niet te dicht bij de rivier durven komen. Elke keer nadat het water was geweest, gingen de mensen daarom verder van de rivier bouwen.

Zeven grote vloeden telden wetenschappers van de Landbouwuniversiteit Praag tussen 1118 en 1845. Zij analyseerden op basis van archeologische vondsten en historische optekeningen de locatie van meer dan twaalfhonderd nederzettingen langs de Moldau in een periode van acht eeuwen, en zagen een patroon. In de 25 jaar na elke overstroming werden de meeste nieuwe huizen op plekken enkele meters hoger gebouwd dan in de jaren vóór een vloed.

Al vanaf de tweede generatie – de kleinkinderen die de overstroming niet meer hadden meegemaakt – gingen mensen echter weer dichter bij de rivier bouwen. Er kunnen verschillende redenen voor dat gedrag zijn, zoals de beschikbaarheid van land of het bezit van eigendomsrechten. Maar gezien de opvallende overeenkomsten door de eeuwen heen was waarschijnlijk de collectieve herinnering aan de vloed de bepalende factor voor het besluit waar gebouwd werd. De ervaring van een overstroming toonde de overlevenden het gevaar van het water en liet hen maatregelen nemen voor hun bescherming in de toekomst. Levende herinneringen werden doorgegeven door ooggetuigen, schreven de drie Tsjechische onderzoekers in 2019 in het tijdschrift Nature Communications. Maar de houdbaarheid van die herinneringen lijkt beperkt. Als de ooggetuigen sterven en dus de levende herinnering verdwijnt, vergeet de gemeenschap de gevolgen van een ramp en begint zij weer dichter bij het water te bouwen.

De veronderstelling dat kennis van generatie op generatie wordt doorgegeven is daarom een mythe, concludeerden de onderzoekers. Mensen, in elke generatie opnieuw, moeten herinnerd worden aan de ernst van een gebeurtenis, want informatie die niet vaak genoeg herhaald wordt, verdwijnt uit de herinnering.

De identiteit van individuen en groepen is voor een groot deel gebaseerd op een gemeenschappelijke geschiedenis, vaak de ervaringen van strijd, lijden en overleven. Oorlogen en andere vormen van geweld die het bestaan bedreigen, laten een bijzonder sterke indruk achter en zijn daarom een belangrijk onderdeel van de herinneringscultuur van samenlevingen. Voor en over de slachtoffers van oorlogen, genocides en terreur vinden herdenkingen en ceremonies plaats, worden monumenten gebouwd, begraafplaatsen en musea ingericht en boeken geschreven. Voor gebeurtenissen als natuurrampen en pandemieën geldt dat veel minder.

De Eerste Wereldoorlog wordt in veel landen nog steeds herdacht. In Frankrijk en Groot-Brittannië is de dag van de wapenstilstand, 11 november, nog elk jaar een belangrijk nationaal moment. De gelijktijdige pandemie van de Spaanse griep speelt daarentegen geen rol in de herdenkingscultuur, hoewel het virus meer slachtoffers maakte dan de gevechten aan het front. Tussen 1918 en 1919 stierven aan de Spaanse griep wereldwijd waarschijnlijk tussen de vijftig en honderd miljoen mensen – meer dan in de Eerste en Tweede Wereldoorlog en mogelijk meer dan in beide oorlogen tezamen.

Het was veel moeilijker om over de griep te vertellen dan over de gevechten op het slagveld. De ziekte kwam plotseling en begon met roestbruine vlekken in het gezicht. Van het ene op het andere moment verslechterde de situatie, werden mensen blauw in het gezicht, kregen een dikke borstkas gevuld met vocht en bloed, en overleden. Daardoor ontbrak de ‘narrativiteit’ – de mogelijkheid van mensen om een verhaal met een begin en een eind en met goed en kwaad te laten ontstaan.

Doodgaan aan een virus was niet alleen minder spectaculair, het werd ook minder gedenkwaardig geacht dan een ‘eervolle’ dood aan het front. De verhalen van slachtoffers van de Spaanse griep waren minder goed ‘vertelbaar’. Daarnaast speelt ook de neiging mee om een oordeel aan herinneringen te willen verbinden, schreef herinneringsdeskundige Astrid Erll van de Goethe-Universiteit Frankfurt. Een beoordeling – dus de indeling in goed en kwaad – is moeilijker bij catastrofes waarbij de mens hooguit een indirecte rol speelt. Bij oorlogen, genocides en terreuraanslagen daarentegen is de aanwijzing van een dader veel simpeler.

Soortgelijke problemen zullen zich ook bij de huidige pandemie voordoen, want ook corona laat zich slecht als verhaal vertellen. Er is geen duidelijk begin en geen einde, de oorzaken zijn onduidelijk, de verantwoordelijkheden onoverzichtelijk, de verhalen van slachtoffers zijn erg, maar vergeleken met andere doodsoorzaken ook weer niet heel spectaculair. Ook corona ontbreekt het daarom aan ‘vertelbaarheid’ en ‘narrativiteit’.

Dit verklaart waarom de slachtoffers van de huidige pandemie relatief weinig aandacht krijgen. In Nederland is de eerste patiënt aan de gevolgen van een corona-infectie overleden op 6 maart 2020. Sindsdien stierven er meer dan elfduizend mensen, maar in het publieke debat speelt de dood nagenoeg geen rol. Dominant zijn de besmettingen en de bezetting op de ic’s, niet de sterfgevallen. Veel mensen worden door corona vooral indirect, bijvoorbeeld door de lockdown, geraakt. Voor hen zijn de ziekte en de pandemie niet grijpbaar. Als er geen algemene herdenking op gang komt, zullen zij de crisis waarschijnlijk binnenkort vergeten.

De herinnering, zelfs aan ingrijpende gebeurtenissen als 9/11, wordt bij individuen na één jaar al inconsistent. Mensen konden in een onderzoek een jaar na 11 september 2001 de feiten over de aanslag nog wel herhalen – het aantal gekaapte vliegtuigen of waar president Bush op dat moment was – maar hadden vaak een slechte of foutieve herinnering aan de impact, bijvoorbeeld hoe zij zich voelden of met wie ze het eerst over 9/11 hadden gesproken. De herhaling van feiten in de media of in gesprekken in de sociale omgeving vlakt de curve van het vergeten af, schreven de wetenschappers. Zij noemen dat een ‘repetitie-effect’. Maar het gevoel van ernst en urgentie gaat verloren.

Het vermogen zich te herinneren raakt ook aan de vorming van een collectief geheugen van een samenleving. Normaliter loopt het leven van een individu lokaal en in een beperkte kring parallel met de geschiedenis van een land of de wereld. Bij grote gebeurtenissen ontstaan er momenten waarop de tijdslijnen van een persoon en van een samenleving overlappen. Men heeft het gevoel onderdeel te zijn van iets groots. Het zijn deze momenten waaruit een herinneringscultuur kan ontstaan, een gemeenschappelijke herinnering.

Sociale wetenschappers zijn verdeeld over de vraag waar dit collectieve geheugen zit – in de wereld, of in de mensen? Zijn het symbolen, teksten, monumenten, een cultuur in objecten dus waarvoor de herinnering van individuen minder belangrijk is? Of zit het collectief geheugen in de bundeling van herinneringen van mensen die hetzelfde hebben meegemaakt, een soort superbrein dus dat bestaat wanneer individuen zich gezamenlijk herinneren, een optelsom van individuele ervaringen?

Het was veel moeilijker om over de Spaanse griep te vertellen dan over de gevechten op het slagveld

Voor het effect van het vergeten schijnt een antwoord op deze vraag niets uit te maken. Wanneer met herinneringen niets gedaan wordt, raken zelfs schijnbaar onvergetelijke gebeurtenissen kwijt, en daarmee het besef over de impact die zij hebben gehad. In dat opzicht zal de coronapandemie waarschijnlijk niet van terreuraanslagen of oorlogen verschillen. Om het vergeten te voorkomen is dus het ontstaan van een gemeenschappelijke herinnering nodig. Anders bestaat het risico dat de vernietigende impact in de vergetelheid raakt zodra het directe gevaar verdwijnt. Daardoor zou ook de druk om voorbereidingen voor een nieuwe epidemie te treffen afnemen.

Noodhospitaal voor Spaanse griep-patiënten, Fort Riley, Kansas, 1918 © Mary Evans Picture Library / ANP

Op een grijze dag begin november 2019 onthulde de premier en minister voor Kunst, Cultuur en Erfgoed van Nieuw-Zeeland, Jacinda Ardern, een grote gedenkplaat op het terrein van het Nationaal Oorlogsmonument in de hoofdstad Wellington. ‘1918 Influenza Pandemic’ staat er in grote letters op. Op de plaat ernaast wordt toegelicht dat het monument gewijd is aan de negenduizend Nieuw-Zeelanders die door de griep zijn overleden en aan de medewerkers en vrijwilligers die voor hen hebben gezorgd. ‘Deze catastrofe’, zo eindigt de tekst op de gedenkplaat, ‘heeft de moderne aanpak van infectieziekten vormgegeven om toekomstige generaties te beschermen.’

Minder dan zes weken na de onthulling van het monument voor de griep werd in China de eerste infectie met Covid-19 gemeld. In Nieuw-Zeeland doken een paar maanden later de eerste coronagevallen op. De regering reageerde zonder vertraging, zette een grootschalig testsysteem op om besmettingen te herkennen en traceerde en isoleerde contactpersonen snel – besmette personen waren gemiddeld al twee tot zeven dagen in quarantaine voordat de ziekte uitbrak. Waar het virus zich toch verspreidde, werden regio’s kort en hard afgesloten. Op een bevolking van 5,1 miljoen inwoners stierven er in het hele land 25 mensen.

Nieuw-Zeeland is een van de weinige landen ter wereld waar de pandemie van 1918 een plek in de publieke ruimte heeft gekregen en de staat bij de herdenking betrokken is. Is het toeval dat Nieuw-Zeeland ook een van de weinige landen is die de pandemie van 2020 hebben weten te bestrijden?

Toen in oktober en november 1918 een zware griepgolf het eiland trof, reageerde de Nieuw-Zeelandse overheid traag. Na een licht verloop aan het begin van het jaar werd het gevaar later onderschat. Wellington was een week stuurloos, nadat de bestuurder van de zorgregio en meerdere andere leiders tegelijk aan het virus waren bezweken. De Maori, de oorspronkelijke inwoners, werden bijzonder hard geraakt omdat zij vaak in armoedige omstandigheden leefden. Het sterftecijfer onder hen was meer dan zeven keer hoger dan onder de bevolking met een Europese achtergrond.

Na het einde van de pandemie paste Nieuw-Zeeland zijn overheidsstelsel aan: er zijn sindsdien bijvoorbeeld meerdere plaatsvervangende bestuurders die besluiten kunnen nemen om een herhaling zoals in Wellington te voorkomen. De zorg voor de Maori kreeg door het creëren van een eigen afdeling binnen het ministerie van Volksgezondheid bijzondere aandacht, en de verschillende overheidsorganen ontwikkelden plannen om bij nieuwe uitbraken nauw samen te werken.

De overheid heeft niet alleen geprobeerd van de fouten van 1918/19 te leren, maar maakt ook de verbinding met het verleden. Toen de overheidsinstanties in mei 2007 een grote oefening voor een influenzapandemie hielden – Exercise Cruickshank – werd deze vernoemd naar Margaret Cruickshank, een arts die tijdens de uitbraak van 1918 onvermoeibaar voor patiënten zorgde en zelf aan de griep bezweek. In het huidige pandemieplan van 2017 wordt op meerdere plekken expliciet aan de pandemie van 1918 gerefereerd.

De gedenkplaat bij het oorlogsmonument was een idee van onder anderen hoogleraar Geoffrey Rice, die meerdere boeken over de Spaanse griep heeft geschreven. Anders dan de regeringen voor haar omarmde premier Ardern na haar aantreden in 2017 het plan. ‘We hebben een premier die goed begrijpt wat er 1918 misging’, zei Rice lovend tegen The New York Times.

Bewustzijn van het verleden beïnvloedt ons gedrag in het heden en de toekomst – op individueel en maatschappelijk niveau. Neurologisch onderzoek wijst uit dat het verleden, het heden en de toekomst in het menselijk brein nauw met elkaar verbonden zijn: om zich de toekomst te kunnen voorstellen, moeten mensen besef en kennis van het verleden hebben.

Patiënten die zich vanwege hersenbeschadigingen moeilijk dingen uit het verleden kunnen herinneren, blijken zich ook de toekomst moeilijk te kunnen voorstellen. Een extreem voorbeeld uit deze onderzoeken is een man die zich na een motorongeluk geen enkele gebeurtenis uit zijn leven meer kon herinneren, en tegelijk ook niets kon bedenken wat in de toekomst zou kunnen gebeuren. Dezelfde cognitieve en neurale processen die verantwoordelijk zijn voor het herinneren, schijnen in het brein dus ook verantwoordelijk te zijn voor de verbeelding van de toekomst.

Het is niet moeilijk om zich voor te stellen dat soortgelijke processen niet alleen in het brein, maar ook in de samenleving plaatsvinden. Een land dat zijn geschiedenis niet kent, zal ook moeite hebben zich de toekomst te kunnen voorstellen. Net als een patiënt met geheugenverlies zou ook een land zonder besef van het verleden elke keer opnieuw moeten leren met een crisis om te gaan.

Als de verbinding met het verleden is verbroken, ontbreekt het een samenleving aan het vermogen om risico’s in te schatten, eerder gemaakte fouten te vermijden en voorbereidingen voor de toekomst te treffen. Want de vaardigheid om als gemeenschap een gevaar te herkennen of zich een scenario – een oorlog, een overstroming, een pandemie – überhaupt voor te kunnen stellen, ontbreekt dan simpelweg.

Een land zonder besef van het verleden moet elke keer opnieuw leren met een crisis om te gaan

‘Wanneer ervaring niet wordt bewaard zal de babytijd eeuwig duren’, schreef de Spaans-Amerikaanse filosoof George Santayana aan het begin van de twintigste eeuw, gevolgd door zijn bekendste zin, die ook in Auschwitz op een bord staat geschreven: ‘Degenen die zich het verleden niet kunnen herinneren, zijn gedoemd het te herhalen.’ Vooruitgang, stelde Santayana in The Life of Reason, hangt af van het herinneringsvermogen.

In het beste geval leiden herinnering en kennis van het verleden dus tot verbeteringen. De ervaring van twee grote oorlogen heeft ertoe geleid dat landen organisaties en instituties hebben opgericht die een derde wereldoorlog moeten voorkomen. De Verenigde Naties en het Genocideverdrag bijvoorbeeld, zijn directe voortvloeisels uit de ervaring van het grote geweld, ontworpen door mensen wier generatie – en in sommige gevallen zij persoonlijk – geraakt werd door de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. Deze nieuwe instituties zorgden ervoor dat ervaringen geformaliseerd werden en toekomstig gedrag niet slechts afhankelijk is van de herinnering aan het verleden, maar ook door vaststaande instituties wordt gestuurd.

Een levendige herinneringscultuur bij herdenkingen en in musea en boeken zorgt ervoor dat de lessen van 1945 ook na meerdere generaties niet vergeten worden. De vorm van de herinnering verschuift daarbij steeds meer van individuele ervaringen die door de overlevenden worden doorgegeven naar symbolische gedaantes in teksten, monumenten en musea. Herinnerd wordt niet meer om te rouwen, maar om te gedenken en waakzaam te blijven. Dat er na de holocaust weer genocides hebben plaatsgevonden, is niet te wijten aan een gebrek aan herinnering of leervermogen, maar aan een gebrek aan wil om te handelen zoals men eigenlijk had geleerd.

In het slechtste geval wordt geschiedenis niet alleen vergeten, maar herschreven. De nieuwe democratische staat die in Duitsland na het einde van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 werd opgericht, slaagde er niet in de herinnering aan de oorlog vorm te geven. In plaats van de nederlaag te erkennen, werd erover gezwegen. Pas na enkele jaren begonnen er lokale monumenten te ontstaan, maar omdat de samenleving het niet eens werd over de geschiedenis en de lessen die uit de oorlog moesten worden getrokken, ontstond er geen nationale herinneringscultuur waaruit overtuigingen voor de toekomst geformuleerd hadden kunnen worden. Bij gebrek aan een gezamenlijk verhaal begonnen complottheorieën te woekeren. De bekendste is die van de dolkstoot – de opvatting dat het Duitse leger de oorlog niet had verloren, maar door democratische politici was verraden en daardoor de gevechten moest staken. Hitler werd met het verspreiden van deze legende machtig.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Duitsland twee keer geleerd: ten eerste van het feit niets te hebben geleerd uit de Eerste Wereldoorlog, door deze keer wel een sterke herinneringscultuur te laten groeien, waarbij bijvoorbeeld huidige politiemensen tijdens hun opleiding concentratiekampen bezoeken om een herhaling van een totalitaire staat te voorkomen. Ten tweede door de gebreken die tot de machtsovername door Hitler en een nieuwe oorlog hebben geleid. De bondspresident heeft bijvoorbeeld minder macht en kan niet meer, zoals de rijkspresident in 1933, het parlement ontslaan en een eigen kanselier benoemen. In de nieuwe staat zijn maatregelen getroffen naar aanleiding van wat de samenleving van het verleden heeft geleerd. Een herinneringscultuur zorgt ervoor dat deze lessen herhaald worden en dat komende generaties begrijpen waarom deze maatregelen nodig zijn.

Op een rots voor de kust van Uruguay moet het World Memorial to the Pandemic herrijzen. Het monument, een ronde schijf met een diameter van veertig meter en een gat in het midden, lijkt op een gigantische schaal die op stenen voor de kust ligt, enkele meters boven de zee. De Uruguayaanse president Luis Lacalle Pou heeft het architectenbureau Gómez Platero opdracht gegeven het project uit te werken.

Driehonderd mensen kunnen tegelijk op de schijf staan of zitten. Het moet een plek voor reflectie worden waar bezoekers rust kunnen vinden. In een toelichting schrijven de architecten dat het monument door de coronapandemie is ingegeven, maar dat het voor een breder collectief bewustzijn moet zorgen dat verder reikt dan de huidige pandemie – namelijk het besef dat de mens altijd ondergeschikt aan de natuur zal zijn.

In Londen zullen dit voorjaar 33 bomen worden geplant – één voor elke Londense borough en de City of London – met boomsoorten die elk jaar zullen bloeien op het moment dat de coronapandemie in 2020 haar eerste hoogtepunt bereikte. Het bomenmonument komt in het Queen Elizabeth Olympic Park in de bijzonder hard getroffen wijk Newham en zal, zei burgemeester Sadiq Khan, een blijvende herinnering zijn aan de overledenen.

Wereldwijd denken mensen na over mogelijkheden om de coronapandemie te herdenken. Omdat de fysieke mogelijkheden in de meeste landen nog steeds beperkt zijn, ontstaan er vooral digitale gedenkplaatsen, zoals websites en Twitter-accounts die de verhalen van slachtoffers vastleggen en vertellen. Over geen eerdere pandemie zal zo veel informatie beschikbaar zijn als over corona. Nagenoeg elke ontwikkeling is vastgelegd in video’s en WhatsApp-berichten, in blogs, boeken en selfies.

De beschikbaarheid van informatie leidt echter niet automatisch tot meer besef van het verleden. De lezersstromen op Wikipedia, gebruikt om collectieve online herinnering te ‘meten’, bevestigen de constatering dat een samenleving vergeet: twee historische gebeurtenissen die op elkaar lijken worden naarmate de tijd voortschrijdt steeds minder met elkaar in verband gebracht. Een recent vliegtuigongeluk kan herinneringen aan eerdere incidenten opwekken, maar als er in het Wikipedia-artikel niet naar wordt verwezen, zullen weinig lezers ongelukken ver in het verleden opzoeken. Naar artikelen over incidenten die 45 jaar of langer geleden zijn gebeurd gaan nauwelijks meer lezersstromen – een teken dat er geen herinnering meer aan deze ongelukken bestaat.

Het louter opslaan en bewaren van informatie over het verleden is dus niet voldoende om ervan te leren. Ervaringen moeten herhaald worden, aanwezig en zichtbaar zijn. Maar ook dat is niet voldoende, want louter herinneren versterkt wellicht het collectief geheugen, maar bereidt een groep of een land nog niet voor op een soortgelijke situatie in de toekomst.

Er is nog weinig bekend over de link tussen de collectieve herinnering en haar invloed op een collectieve toekomst. Het lijkt er echter op dat een zekere mate van institutionalisering noodzakelijk is: lessen moeten in wetten, procedures, organisatieculturen en structuren opgenomen worden. Daarnaast moet deze institutionalisering ervoor zorgen dat ervaringen – de raison d’être van gedrag – worden doorgegeven. Om het nut ervan in te zien moeten toekomstige generaties in staat zijn de wetten, procedures en structuren die als gevolg van een gebeurtenis worden gecreëerd ook te begrijpen.

In een situatie als nu met corona moet daarom naast het herdenken ook een proces van ‘voorwaarts herinneren’ op gang komen: een proces waarbij de samenleving leert de onderliggende gevaren en oplossingen te begrijpen. Het is niet voldoende om zich een overstroming alleen te herinneren; men moet ervan leren dat het nodig is om hoger te bouwen. Het is niet voldoende om de slachtoffers van een oorlog of genocide te herdenken; men moet instituties op zo’n manier inrichten dat een herhaling niet mogelijk is. Het is niet voldoende om de slachtoffers van corona te herdenken; men moet de risico’s die een pandemie kunnen veroorzaken proberen te vermijden en maatregelen treffen met het oog op mogelijke uitbraken in de toekomst. Een institutionalisering van de lessen en van de herinnering is daarom noodzakelijk.

De Israëlische historicus Guy Beiner introduceerde het concept van ‘voor-herinnering’ (‘pre-memory’), het idee dat de herinnering aan een gebeurtenis al begint voordat die is afgelopen. Hoe de huidige crisis wordt ervaren en hoe wij nu met die ervaring omgaan, zal invloed hebben op de vraag of en hoe de coronapandemie zal worden herinnerd, en of er lessen uit worden getrokken. We hoeven dus niet te wachten om toekomstige generaties in staat te stellen met nieuwe pandemieën om te gaan.

Of het gaat lukken om voor de lange termijn van de huidige crisis te leren? De mensheid is intelligenter geworden, stelde de filosoof Theodor Adorno, maar niet wijzer. De ontwikkeling van wapens van de speer tot de kernraket getuigt van een toename van intelligentie. Maar het feit dat de mensheid nog steeds oorlog voert, toont aan dat zij niet in wijsheid is gegroeid.