Voor altijd young

Wie niet ‘door Neil Young is heengegaan’, heeft de jaren zeventig niet meegemaakt. De depressieve rocker met zijn jankende gitaar is misschien het symbool van het Gouden Decennium. ‘Schat, die plaat trekt krom van de emoties!’
ALS IEMAND ME halverwege de jaren zeventig had verteld dat over luttele jaren dit prachtige welvaartsland vol Hooglied- achtige hippiemeisjes veranderd zou zijn in een kinky pretpark voor maffiosi en moraalridders, had ik hem schaapachtig aangekeken, even met mijn hoofd geschud en een verse hap van mijn tosti genomen. Vervolgens zou ik naar de stereo zijn geslenterd en, neuzelend over het verschil tussen Noord- en Zuid-Holland of een andere belangwekkende kwestie, behendig de plaat hebben omgedraaid. En dan, als Neil Young en Crazy Horse de woonkamer van mijn ouderlijk huis weer geheel hadden gevuld met hun slome zomerrock, had ik mijn gesprekspartner uitgenodigd een begin te maken met het openen van de blikjes bier.

Voor wie dat verbaast: geen rockster werd in de jaren zeventig gezien als een betere belichaming van de tijdgeest dan deze Canadees-Amerikaanse loner. ‘Neil Young komt naar voren als iemand die nogal gevoelig is, en eenzaam’, meldde de boekenweekbijlage van Muziekkrant Oor in 1975. 'Hier speelt alles zich van binnen af.’ Of, zoals hij het zelf zong: 'Though the otherr side is just the same,/ you can tell my dream is real.’ (uit: On the Way Home)
In de geexalteerde jaren negentig klinkt dat nergens naar - Neil Young zou de iT zelfs op een boerenzaterdag niet binnenkomen - maar voor ons kinderen van de jaren zeventig waren dat woorden van peilloze diepte, van proustiaans inzicht in de menselijke geest.
De verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen Young een jaar later zijn Nederlandse debuut zou maken, in het Rotterdamse sportpaleis Ahoy. Al dagen van tevoren konden we van de zenuwen geen huiswerk maken. De meisjes plukten dromerig aan hun hippiebloemetjesjurken, de jongens oefenden het typisch youngiaanse dinosaurusloopje: onvast, semi-stoned en met een licht idiote grijns. Toen het zover was, zaten we versteend van ontroering in de tweede ring van Ahoy, terwijl een langharige en in houthakkershemd gestoken Young de ene lyrische solo na de andere uit zijn gitaar liet opstijgen. Het was fantastisch, en we kwamen allemaal echt laat thuis. De pers, de volgende dag, was gepast onder de indruk van de meeslepende uitvoeringen die Young had gegeven van klassiekers als 'Down by the River’ en het fonkelnieuwe 'Like a Hurricane’. Alleen volgens de recensent van het Algemeen Dagblad had Young zich met zijn anderhalf uur durende optreden 'een echte minimumlijder’ betoond. Azijnpissers had je ook al in de seventies.
VOOR ME LIGT een rafelig nummer van het maandblad Muziek Expres uit mei 1976. Youngs grijnzende tronie siert de voorpagina, boven de aankondiging van het artikel 'Neil Young: is hij nou veranderd of niet?’ Laten we, om 1976 weer even in herinnering te roepen, eerst een paar ingezonden brieven lezen. 'Moeje luisteren’, schrijft Martin uit Nieuwkuyk aan een recensente van het blad. 'In je recensie over “Zuma” van Neil Young zeg je nogal wat domme dingen. Neil zou bijvoorbeeld muziek zonder emoties maken. Schat, die schijf trekt krom van de emoties!’ Nancy en Karin uit Assendelft informeren naar het gerucht dat Jim Morrison nog leeft. Erik uit Venray doet zijn beklag over de maatschappijkritische stukken in Muziek Expres. 'Het begint zo langzamerhand een politiek blaadje te worden. Als het zo blijft, kan ik me beter op de Vara-gids abonneren.’
Dan komt het omslagartikel over Young. Onder de kop 'Ik zing omdat ik van de mens hou’ volgt een hartverwarmend expose over de vraag 'Hoe is het nou met Neil?’ Slalommend langs vertaalde teksten ('Ik zag katoen. En zwarte mensen. En grote witte herenhuizen. En kleine hutjes. Zeg, man uit ’t zuiden, wanneer betaal je ze terug?’) belanden we bij betekenis en boodschap van Youngs oeuvre: 'Schaam je niet voor wat je voelt. Vandaar dat zijn grote schare fans hem als een goeie vriend beschouwt. Iedereen is een beetje Neil Young. En Neil Young is een beetje van ons allemaal…’ Dat soort hoogstpersonalistische dialectiek was gesneden koek in de jaren zeventig, toen Nederland zich per slot van rekening op het kruispunt bevond van collectieve zelfbescherming en individuele ontplooiing.
Even verderop in het blad komen we Young weer tegen - in de Galerij der Groten, een uitneembare poster van het magische viertal Crosby, Stills, Nash and Young. Als Olympische goden rijzen deze edelhippies torenhoog uit boven een danteske hel van militairen, rednecks en de politici Richard Nixon, Joseph Luns en Ronald Reagan. Op de voorgrond herkennen we bovendien een jonge prins Bernhard en koningin Juliana. 'Altijd duidelijk in hun politieke opvattingen’, staat er goedkeurend over Young en zijn collega’s.
Waarom dachten de bewoners van de met druipkaarsen in lege Chianti-flessen versierde kinderkamers dat Young 'een beetje iedereen’ was? Redenen genoeg. Youngs melancholische songs over ongelukkige liefdes en andere relationele verwikkelingen - denk aan 'Heart of Gold’, 'Only Love Can Break Your Heart’ - maakten hem de ideale vaandeldrager voor het ik-tijdperk. Zijn meest succesvolle elpee, het verstilde Harvest (1972), sjokte voort op dezelfde treurige cadans als de katerige samenleving van de jaren na Parijs '68 en Woodstock.
Young, 'hip’ en het archetype van de stonede singer/songwriter, gebruikte veelzeggend genoeg - althans, naar eigen zeggen - nooit psychedelica. De hallucinatoire sixties waren niet besteed aan deze introverte scepticus. Bovendien was het medisch gesproken verstandig, want Young leed aan epilepsie, dezelfde aandoening waaraan de jaren zestig en ten slotte in 1977 het kabinet-Den Uyl tenonder gingen. Ook al was Young aanzienlijk minder verpolitiekt dan zijn praatzieke, kernwapenvrije collega Graham Nash, 'links’ was hij wel. Daar gingen we tenminste vanuit. Zijn sociale bewogenheid was even vanzelfsprekend als die van alle andere serieuze rockmusici na Bill Haley. Maar wat belangrijker was voor een goed begrip van de jaren zeventig: Young was dan wel politiek bewust, maar ook aangenaam gespeend van het activisme dat in de jaren zestig hoogtij had gevierd. Songs als 'Southern Man’ - een Gone with the Wind-achtige aanklacht tegen de slavencultuur van het Zuiden - en 'Ohio’, over de dood van vier studenten bij een campusoproer, waren geen oproepen tot rebellie of strijdliederen als die van Bob Dylan, maar uitingen van strikt persoonlijke, morele verontwaardiging. Youngs humanisme was heel wat anders dan het sadistische universum van Dylan, die in 'Masters of War’ de wereldleiders had toegezongen dat hij met plezier op hun graf zou dansen om zich van hun dood te vergewissen. Met Youngs populariteit hadden het zuivere geweten en vooral het 'diepe gevoel’ op zolder de plaats ingenomen van de barricade en de bezetting op straat.
IN NEDERLAND WERD de Young-cultus - die uiteraard nooit tot hysterische taferelen kon leiden, hooguit tot emotionele implosies - naar grote hoogten gevoerd door Muziekkrant Oor en de Haagse Post. In het kerstnummer van 1975 beschreef HP-medewerker Bert Jansen een troosteloze bijna-ontmoeting met Young in een Amsterdams cafe. 'Ik wacht tot-ie zijn glas leeg heeft. Dan zal ik hem een pils aanbieden en stamelen dat het glas bier maar een belachelijke vergoeding is voor alles wat hij mij gegeven heeft. Hij drinkt langzaam. Als de schuimkraag op de bodem ligt durf ik niet meer.’
Daarna rijgt Jansen aan de hand van Youngs oeuvre de ene ontboezeming aan de andere: 'Op feestjes was ik ook niet zo in trek. Niets gemakkelijker dan je in een duistere hoek van de ruimte te vermaken met veel Grolsch en zware shag. Mistig voor je uitkijken en met lede ogen toezien hoe het mooiste meisje door je beste vriend versierd wordt. Ergens voel je je superieur.’ Want, aldus Bert, 'waar Dylan eens een soort God was, in ieder geval een hoger iets, is Neil Young de kameraad die een troostende hand op je schouder legt omdat hij het ook allemaal heeft meegemaakt. Niet dat je daar een spat verder mee komt, maar toch.’
Een deur verder, bij Muziekkrant Oor, deed Jansens generatiegenoot Constant Meijers in de categorie tranentrekkend proza niet voor Jansen onder. Meijers zocht Young in 1973 op in een Londense kleedkamer, gaf hem twee flessen tequila en jammerde vervolgens als een bijbelse klaagvrouw de Oor-kolommen vol. Wat was er toch voor ergs aan de hand met Neil Young, die dit keer ongeschoren en dronken op het podium was verschenen en het publiek als een louche casino-komiek welkom had geheten? Een existentiele crisis, begrepen we uit Meijers’ stuk, dat als inlegvel - of zakdoek - werd bijgevoegd in Youngs meest bizarre elpee tot dan toe: het ijselijke Tonight’s the Night, waarop hij als een dronken nachtclub-entertainer de dood van zijn vrienden Danny Whitten en Bruce Berry bezingt. Bert Jansen stelde vast dat Young 'schreeuwt, kreunt en fluistert, in het grensgebied tussen de diepste emoties en de totale ontreddering’. De melige humor van Youngs act en van nummers als 'Roll Another Number’ was beide schopenhaueriaanse zwartkijkers ontgaan.
ER ONTGING DE Young-aanhangers achteraf gezien wel meer. Toen een journalist uit de counter culture hem eind jaren zestig vroeg waar hij zou zijn als de revolutie uitbrak, was het rappe antwoord: 'Thuis, met een kanon.’ Toen in 1969 de film Woodstock klaar was, liet hij als enige muzikant zijn aandeel in het mythische festival integraal schrappen. Tien jaar later betoonde Young zich een bereidwillige getuige a charge voor verontruste medebewoners van zijn lommerrijke Westcoast-woonoord, die een lokaal rockfestival bij de rechter wilden verbieden. In geuren en kleuren schilderde de aimabele 'Mr. Young’ voor de rechtbank de overlast van drugs, naaktloperij en lawaai die met dit soort evenementen gepaard gaan. Het festival werd, mede dank zij Youngs burgerzin, verboden.
Was Neil Young dus wel 'een van ons’? Waarschijnlijk niet - en toch wel. Wat in de romantische depressiecultus rond Young over het hoofd werd gezien, was dat hij geen lid wilde zijn van een avant-garde of tegencultuur als het hem niet uitkwam. De Amerikaanse prairie-individualist Young dacht in de eerste plaats aan zijn muzikale carriere en liet zich slechts inpalmen door een 'beweging’ voorzover dat zijn loopbaan ten goede kwam. Tegenwoordig - rijk en de vijftig voorbij - laat Young nog wel eens van zich horen als er een bedreigde dolfijnensoort moet worden gered, of een Amerikaanse boer van de strop gered met een dosis subsidie, maar daarmee houdt zijn politieke bewustzijn wel zo'n beetje op.
OVER YOUNGS political correctness hoeven we het al helemaal niet te hebben. Het nummer 'A Man Needs A Maid’ (1972) geldt, ondanks de onmiskenbare dubbele bodem, als een toonbeeld van vrouwonvriendelijke popromantiek ('just keep my house clean, fix my meals and go away’). Het werd morrend onthaald door de progressieve muziekpers. Twee jaar later schreef Young, bij wijze van follow-up, zijn beste protestsong: tegen het feminisme. In 'Pushed it over the End’ zwaait een carrierebeluste haaibaai met een gun en laat ze tien mannen truien voor haar breien in de garage. Niet echt fijnzinnig, maar Young kwam ermee weg. Dat ging minder vlot toen hij, tien jaar na de 'Galerij der Groten’-poster, zijn nieuwe held Ronald Reagan de hemel in prees omdat die een vuist durfde maken tegen de Russen. Sterk zijn en je eigen boontjes doppen, was Youngs boodschap aan de wereld. 'Youngs sociale instincten zijn altijd ten diepste reactionair geweest’, concludeerde de criticus Dave Marsh vorig jaar in Mojo, het Engelse muziekblad voor veertigers.
Ook op muzikaal gebied bleek Young na de jaren zeventig een onbetrouwbare kameraad. Zijn hang naar het burleske bereikte een hoogtepunt in de jaren tachtig, toen hij achtereenvolgens - en tevergeefs - de popmarkt bestormde met Kraftwerk- achtige computermuziek, rockabilly, redneck country & western, en Chicago-blues. Later verklaarde hij zijn abrupte stijlwisselingen uit de wens 'niet langer Neil Young te zijn’. 'Voor ik de studio in ging, bedacht ik telkens een ander mannetje dat dan die plaat voor mij ging maken’, aldus Young, over zijn imaginaire 'neefjes’. Eigenlijk horen we al verschillende schizofrene neefjes op Youngs jaren-zeventigklassiekers After the Goldrush (de poetische neef), Time Fades Away (de overspannen neef), On the Beach (de depressieve neef), Tonight’s the Night (de dronken neef), Zuma (de rockende neef) en Comes A Time (de huiselijker neef).
Misschien maakt die grilligheid Young juist pas echt een held van de jaren zeventig. Als die jaren tenminste eindelijk eens worden ontdaan van hun ideologische lading en worden gezien voor wat ze waren: een periode van humanisme, van vrijheid en sociale mobiliteit, voorbij alle dogmatiek en gepolariseerde ideeendwang. Twintig jaar later hebben we MTV: Wodan-achtige hard-rockers schuiven op gouden ski’s door het beeld, terwijl ze komeetvormige gitaren bespelen en twaalf beren met koperen Pruisenhelmen wild staan te dansen met veertienjarige ballerina’s in minuscule badpakjes. Geen wonder dat Kurt Cobain er de brui aan gaf. De rock is een artistieke bio- industrie geworden die idolen produceert als eendagskuikens. Dertigers in leren broeken. Bolland en Bolland met een gitaar. Een verzetje voor rijkeluiskinderen, met talent zo plat als een surfplank en de motoriek van padden op een hete bakplaat. En geen wonder dus dat Neil Young weer populair is. Sterker nog, de man heeft, na zijn ongelukkige intermezzo in de jaren tachtig, een mythische status bereikt als integere rockveteraan.
ZOU DAT OOK gelden voor de veel gewraakte jaren zeventig? Kunnen die misschien ook een rehabilitatie tegemoet zien? Waarschijnlijk niet. Het laatste concert van Young dat ik zag, werd bijgewoond door een groot aantal mensen die zijn gekomen waar ze nu zijn dank zij de jaren zeventig en die er desondanks hun beroep van hebben gemaakt om met dat decennium af te rekenen als een monument van ijdelheid en verspilling. Het was in de Stopera, december 1989. In Amsterdamse PvdA-cafes werd kort voor het concert voor grof geld gehandeld in kaartjes. De voorste rijen van de Stopera puilden uit van de gemeenteambtenaren en andere hot shots. Het optreden werd een beklemmende karikatuur. De ambtenaren staarden, achterover geleund in hun stoeltjes, eerst wat gegeneerd, even later met natte ogen van nostalgie naar hun jeugdidool, die als een ontdooide Neanderthaler over het podium sjokte. Ik zat hoog en achterin, naast mijn vriendin die al na twee nummers in slaap was gesukkeld, en staarde naar de kale plek op Youngs schedel. Hij deed zijn best. Ramde op zijn gitaar als een keurslager op een rauwe biefstuk. Liet zijn harmonica gillen, maakte zich erg druk, maar niets hielp. Op het ongemakkelijke, grootstedelijke operapubliek spatte elk enthousiasme uit elkaar als een kwak vogelpoep op een natte krant.
De revanche kwam, natuurlijk, in de Rotterdamse Ahoy, waar Young twee dagen later optrad. Het werd een fantastisch concert, een demonstratie van lyrische rock in topvorm. Young ging er op volle kracht tegenaan, maar dit keer was het geen tragische eenakter van een katatone kunstenaar. De vonk sloeg over. Naast me zat een langharige Young-kloon van een jaar of zestien. Toen ik met een ijzingwekkende gil van opwinding opsprong, viel hij van schrik bijna van zijn stoel. Hij veegde zijn lange haren naar achteren en fluisterde: 'Ik dacht dat ik een fan was, maar jij hebt het echt te pakken.’
Na afloop, toen de lichten aanfloepten in de sporthal, keek ik om me heen, maar de knul was nergens te bekennen. Uiteindelijk kreeg ik hem in de gaten, halverwege de massa die zich naar de uitgang wurmde. Hij had zijn jas al aan en elleboogde weg. Ik zwaaide naar hem en riep iets over meerijden naar Amsterdam. Hij keek om, maar schudde heftig nee. 'Hartstikke leuk om jullie ontmoet te hebben’, riep hij. 'Nou,r daag!’
Toen slingerde hij als een otter naar de uitgang, af en toe over zijn schouder kijkend. Het bewijs was geleverd. De jaren zeventig blijven altijd jong.