Oude dijken in nieuwe wijken

Voor de dolende mens

Stedenbouwers bestrijden de anonimisering in de nieuwbouwwijk en laten zich inspireren door de ‘levenslijnen’ van een plaats. Een resultaat van dergelijke culturele planologie is de Melkweg in Purmerend.

Talloze malen moet ik langs het bord gefietst en gelopen zijn, vóórdat ik het opmerkte. Toch staat het bord pontificaal in mijn woonwijk, op een kruispunt van fiets- en wandelpaden waar ik bijna dagelijks langs kom, bijvoorbeeld bij het boodschappen doen in het winkelcentrum verderop. Ik was me van geen kwaad bewust, totdat ik het informatiebord opmerkte dat gewag maakt van een ‘cultuurhistorische route’, dwars door mijn eigen nieuwbouwwijk.

Het bord vertelt in vogelvlucht, in woord en beeld, de ontstaansgeschiedenis van Purmerend, in het bijzonder van het nieuwste deel daarvan, mijn eigen nieuwbouwwijk (Vinexlocatie), de Weidevenne. De route heet ‘Langs de Melkweg’ en het bord legt geduldig uit dat deze Melkweg de oude weg van Purmerend naar Amsterdam is. Langs die eeuwenoude weg vestigden steeds meer mensen zich, die vanuit hun neder­zettingen het omringende veen ontgonnen; zo ­ontstond het karakteristieke landschap van een lange weg met lintbebouwing met, dwars op die weg, lange weiden en daartussen brede sloten.

De ontwerpers van de nieuwbouwwijk hebben zich, zo meldt het bord voorts, laten inspireren door dit ‘veenweidelandschap met het daarbij horende slotenpatroon en de oude wegen’. De oude Melkweg is nu een fietspad dat als een ‘centrale ader’ midden door de nieuwbouwwijk loopt. Vrijwel in het midden van de wijk, bij het treinstation en vlak bij het winkelcentrum, kruist deze weg loodrecht een ander fietspad met daarnaast een brede sloot, een ‘markante oude watergang’ die ook bewaard is gebleven en opgenomen in het plan.

Het bord deed me denken aan het lied Herfst en Nieuwegein van singer-songwriter (‘vinex-dichter’) Spinvis, die zich daarin overgeeft aan de buitenwijkblues. Het eerste couplet luidt als volgt:

De wind verzamelt stemmen en papierherfst en NieuwegeinEen auto en een man en een rivierVanaf hier is alles wat het lijktde kaart waarop hij kijktde sneltram en het kruispunten het zwembadU bevindt zich hier

Het informatiebord bij (en over) de Melkweg heeft ook een kaart met een overzicht van de wijk, maar door de extra informatie is het voor voorbijgangers bovendien mogelijk zich niet alleen ruimtelijk te oriënteren, maar ook in de tijd. Dit bord zegt: ‘U bevindt zich nu hier’. Dit informatiebord maakt dat niet ‘alles is wat het lijkt’.

Een cultuurhistorische route door een Purmerendse nieuwbouwwijk… Dat had Gerrit Komrij mee moeten maken. Hij hád het mee kunnen maken, want het bord bleek al in mei 2011 te zijn onthuld, door een ongetwijfeld trotse Purmerendse wethouder ruimtelijke ordening. De onlangs overleden Komrij stierf als een bekend dichter, als voormalig maar onovertroffen ‘dichter des vaderlands’ zelfs, en vooral als beroemd poëzie-bloemlezer. Maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw was hij, voor NRC Handelsblad, een berucht televisiecriticus en voor Vrij Nederland schreef hij iets later stukken over (tegen!) de Nederlandse architectuur en vormgeving, die werden gebundeld in Het boze oog. Komrij hekelt ‘de haast panische angst voor ruimte’ die de Nederlandse ‘bestuurders, ambtenaren, stedebouwkundige ontwerpers, architecten en buurtwerkers’ in zijn greep heeft. Hij vreesde een ‘verpurmerending’ van Nederland: ‘Het is niet mooi en het is niet lelijk, het is niet glad en het is niet hard, het hangt niet aan de muur en het verdomt te tikken bovendien. Je hebt, kortom, nergens een houvast. Loop je nu in Sappemeer of in Almere, in Amsterdam of in Buitenveldert? Geen idee, waar waren we gisteren ook al weer? De verpurmerending van Nederland gaat traag, maar onstuitbaar voort. Winkelpromenades, sierbestratingen, woon­erven en Keulse minipotten. Dat is wel het allerergste: de weigering om herkenningstekens aan te brengen, het loslaten van de levenslijn van een stad of een dorp.’

De vormgevers van Nederland hebben zich deze verwijten, die dan ook niet alleen van Komrij kwamen, maar juist heel breed gedragen werden en eerlijk gezegd al heel snel een cliché werden, niet op zich laten zitten. Men ging de dreigende anonimisering en vervreemding, het alom aanwezige gevoel verloren te zijn, te lijf met behulp van geschiedenis en later ook kunst. De sporen van oude levenslijnen in het landschap werden onderstreept en verwerkt in de nieuwe plannen. En kunstwerken moesten dienen als baken voor de homo suburbanus, de dolende mens.

Een te groot geloof in de maakbaarheid van de samenleving had, zo was de gedachte ongeveer, geleid tot het ontbreken van identiteit en tot anonimiteit en die vijand wilde men als het ware met de eigen middelen bestrijden: als geschiedenis en identiteit ontbreken, dan maken we die toch? Helemaal onredelijk is dit hernieuwde (postmoderne) geloof in maakbaarheid (‘maakbaarheid 2.0’) misschien niet. De onthulling dat tradities zijn uitgevonden (‘the invention of tradition’) hoeft inderdaad niet per se een ‘deconstructie’ of zelfs aan de kaak stellen van die traditie te zijn, maar kan ook gezien worden als een aansporing: laten we nieuwe tradities maken. Of is dat een paradox?

Hoe dan ook, in 1999 kwam er een heuse beleidsnotitie waarin men de ruimtelijke ordening expliciet in verband wilde brengen met het erfgoed en cultuurgeschiedenis: de Nota Belvedere. De cultuurhistorische waarde, de eigenaardigheid (‘identiteit’) van het landschap, moest meer prioriteit krijgen in nieuwbouwplannen, in de ruimtelijke ordening in het algemeen. Er kwam een ‘projectbureau Belvedere’, dat zo’n tien jaar gefunctioneerd heeft en vele projecten in gang heeft gezet. Hun werk wordt onder meer voortgezet door een in 2009 opgerichte Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Sinds die tijd is er ook sprake van ‘modernisering van de monumentenzorg’ (een wel heel fraaie oxymoron). De zorg betreft niet meer sec de monumenten, maar de hele context waarin die staan. Sinds 1 januari 2012 zijn gemeenten verplicht cultuurhistorische waarden mee te laten wegen in de totstandkoming van het bestemmingsplan. De gemeenten zijn dus verplicht hun cultureel erfgoed in kaart te brengen en daartoe heeft de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed onlangs een rapport gepubliceerd met ‘aanwijzingen en aanbevelingen’: Cultuur­historisch onderzoek in de vormgeving van de ruimtelijke ordening. Overigens was er sinds de Cultuurnota 2001-2004 al officieel sprake van ‘culturele planologie’ en kwam er in 2010 een heus Handboek voor de omgang met cultureel erfgoed: Geschiedenis en ontwerp.

Bij het plannen van veel Vinexwijken was sprake van culturele planologie. Het ­bekendste en vroegste voorbeeld is de grootste Vinex­locatie: Leidsche Rijn bij Utrecht. Daar is ­geprobeerd, zoals de website van de gemeente Utrecht zegt, ‘oud en nieuw op een bijzondere manier met elkaar te verweven’. In de nieuwe wijken bleven namelijk ‘elementen als water, dijken, ­bomenrijen en bijzondere boerderijen, bewaard. Ze vormen een verrassende ­combinatie met nieuwe gebouwen en nieuwe ontwerpen. De contrasten en verschillen maken Leidsche Rijn Utrecht tot een levendige en kleurrijke wijk. Niet anoniem, maar inspirerend voor de ­bewoners van vandaag en in de toekomst.’

In deze wijk is ook kunst ‘ingezet’. Onder de titel ‘Beyond Leidsche Rijn’ zijn daar talloze manifestaties en interventies georganiseerd. In 2009 kwam het programma ten einde, maar er is nog een ‘beeldenpark’ dat desgewenst bezocht kan worden met een wandelroute. Als het gaat om de rol van kunst in nieuwbouw­wijken is Carnisselande bij Barendrecht een ander in het oog springend voorbeeld. Deze veel ­kleinere gemeente heeft een soortgelijk, ­minstens zo omvangrijk, beeldenpark in haar Vinexwijk gepland en gerealiseerd. Het project kwam vorig jaar af en kreeg van de kunstcriticus van NRC Handelsblad, Sandra Smets, de vierde plek op haar ranglijst van ‘de beste kunst van 2012’.

Zelfs, of misschien juist, in Purmerend is er op een vergelijkbare manier veel aan gedaan om niet verder te ‘verpurmerenden’. Ik ontdekte dat een aantal kunstwerken in mijn wijk die mijn aandacht al eerder hadden getrokken bij elkaar hoorden en ook een ‘kunstroute’ vormden. Sommige daarvan, de meest abstracte eigenlijk, zijn wat mij betreft zeer geslaagd, maar er zijn ook veel minder geslaagde werken, die op een nogal schoolse manier zeggen: ‘U bevindt zich hier’.

Om terug te komen op het bord bij de Melkweg: dat moet de omgeving voor voorbijgangers als het ware leesbaar maken, het is een ‘legenda’. Hoe sympathiek op het eerste gezicht ook, bij nader inzien probeert culturele planologie volgens mij iets op te lossen dat helemaal geen probleem is. En dat is het verschijnsel woonwijk zelf. Velen, vermoedelijk bijvoorbeeld Komrij, voel(d)en zich ongemakkelijk bij het verschijnsel woonwijk, en ‘ongemakkelijk’ is dan nog zacht uitgedrukt, ik denk dat er regelrechte weerzin bestaat tegen de zogenaamd eenvormige en saaie buitenwijken. Vaak fungeert culturele planning als een soort ‘afleidings­manoeuvre’. Het moet verhullen dat we te maken hebben met een heel gewone woonwijk. Maar wat is er eigenlijk mis met een woonwijk?

De weerzin tegen de woonwijk is waarschijnlijk een weerzin tegen wonen in het algemeen, tegen het gewone, het banale, alledaagse. Een beschaafd mens, een dichter zoals Komrij, houdt zich daar niet mee bezig – of het moest het echte, oorspronkelijke wonen op het land of in de stadscentra zijn. Alleen al de gedachte aan het massale wonen daartussen, in de buitenwijken, wekt bij velen een gevoel van onbehagen.

Het bord en de cultuurhistorische route die het aanwijst, zijn volgens mij pogingen zulk onbehagen te bezweren. Het bord probeert de omgeving bijzonder te maken, opmerkelijk, eigenaardig en vooral: on-gewoon. Het bord is een soort totempaal die een bijna heilige plek markeert en de bewoners op magische wijze met hun woonplaats en met elkaar moet verbinden.

Dit soort culturele planning is een poging tot restauratie, tot ‘hertovering’. Het is een poging het proces van ‘onttovering’ waar de westerse wereld volgens Max Weber sinds de modernisering in de zeventiende en achttiende eeuw mee te maken heeft terug te draaien of af te zwakken. In de moderne wereldbeschouwing spelen magie en geloof een steeds kleinere rol en technologie en wetenschap een steeds grotere. Als een dergelijke rationalisatie ergens te herkennen is, dan wel in de woningbouw, daar draait het om kwantiteit en efficiëntie – woningbouw lijkt een kwestie van rekenen.

Culturele planning is zo bezien een poging een geest weer uit de fles te krijgen, namelijk de genius loci. Dat is een oud begrip, uit de Romeinse tijd, waarmee de ‘beschermgeest’ van een plek werd aangeduid. Iedere plek, ieder ding en ieder wezen trouwens, zelfs de goden, zou zo’n ‘beschermengel’ hebben, een ‘ziel’, zou je kunnen zeggen.

Het begrip ‘genius loci’ is met name door architect en theoreticus Norberg-Schulz weer in ere hersteld, waarbij hij zich expliciet liet inspireren door de Duitse filosoof Heidegger. Voor Heidegger is wonen voor de mens een existentiële opgave die slechts vervuld kan worden in een omgeving. De modernisering en rationalisering zou echter het hele begrip omgeving hebben uitgehold. In plaats van over plaatsen zou het alleen nog maar gaan over (meetkundige) ruimte. Ons gevoel voor plaats, voor het unieke karakter van die plaats, voor de omgeving, zou verloren zijn gegaan. En dat terwijl we, volgens Norberg-Schulz, ‘om existentieel vaste voet aan de grond te krijgen’, ons niet alleen zouden moeten kunnen ‘oriënteren’, maar vooral ook ‘identificeren’ met onze woonomgeving.

Ik zou niet durven zeggen dat het volslagen onzin is, hoewel Heidegger met zijn bizarre jargon vaak onnavolgbaar is, maar als het om ‘genius loci’ gaat, vraag ik me wel af: wie gelooft nog aan geesten? Of de ziel? Ik in elk geval niet. Ik geloof wel in bezieling, maar zie daar ook de keerzijde van: in dit verband moet je er toch echt voor waarschuwen dat de gehechtheid, de verknochtheid aan een plek ook te groot kan zijn en gemakkelijk kan leiden tot redeloze overgave en blinde loyaliteit… ja zelfs tot het leggen van verbanden tussen ‘Blut’ en ‘Boden’. In het algemeen lijkt me bezieling en enthousiasme eerder iets om in toom te houden dan om je aan over te geven.

Het bord en de cultuurhistorische route die het aankondigt, zijn bedoeld om het mij als bewoner gemakkelijk te maken om te ‘aarden’, te ‘wortelen’, of hoe dat ook heten mag. Maar het bord zet, waarschijnlijk onbedoeld, mij ook op een andere manier op mijn plaats, en wel als buitenstaander. Het bord maakt niet alleen de omgeving leesbaar, maar leest mij ook de les. Het drukt mij met mijn neus op het feit dat ik hier niet ben geboren en getogen. Net als de meeste medebewoners van deze wijk ben ik hier eigenlijk alleen maar komen wonen omdat ik in Amsterdam geen betaalbare woning kon vinden. Wij zijn niet van hier, we zijn ‘import’, ons ‘bloed’ zit niet in deze ‘bodem’ en we onderhouden slechts een doelmatige relatie met onze woonomgeving – dat we hier wonen is nogal willekeurig, het had net zo goed (maar niet voor hetzelfde geld!) ergens anders kunnen zijn. Schaam ik me niet, dat ik hier, op deze eeuwenoude grond, zomaar ben komen wonen?

Nee, ik schaam me niet. Ergens wonen is niet enkel en alleen een kwestie van ‘aanpassen’, namelijk aan de genius loci. Zoals altijd moet ook hier de liefde van twee kanten komen. De bewoners moeten openstaan voor de plek én de plek voor bewoners. Volgens mij is ‘ergens wonen’ vooral een kwestie van je een plek (tijdelijk) eigen maken. Maar dat moet dan wel mogelijk zijn. Om je ergens werkelijk thuis te kunnen voelen, moet die omgeving daarom tot op grote hoogte neutraal zijn. Neutraliteit wordt meestal smalend afgedaan als ‘nietszeggend’ en ‘laf’, maar ik vind neutraliteit vaak, en in dit geval zeker, erg dapper. Een geschikte woonplaats is afzijdig, onpartijdig. Het wonen dient zich in eerste instantie niet zozeer op een bepaalde plaats af te spelen, als wel in de ruimte. Het wonen, in de zin van ‘plaats maken’ komt later wel en is dan eerder iets van bewoners dan van planners of architecten. Woonplaatsen zijn wel maakbaar in die zin dat ze gemaakt worden, maar niet ‘ontwerpbaar’ of ‘planbaar’.

Op zich is het mooi en goed dat woning­bouwers de ‘tabula-rasa-methode’ hebben losgelaten. Het is niet meer een kwestie van een grote laag zand over een weiland uitstorten, alsof je een lei schoonveegt. Toch mag je van de locatie, de genius loci, ook wel enige bescheidenheid verwachten, en terughoudendheid: het moet de achtergrond gaan vormen – niet de voorgrond.

De Vereniging voor Veldbiologie (knnv) gaf vorig jaar een in dit verband interessant boek uit, een bundel ‘filosofische beschouwingen over verbondenheid met natuur en landschap’, onder de titel Plaats. Daarin stonden veel diepzinnige lofzangen op de plaats van usual suspects als Ton Lemaire. Een mooi tegengeluid was te horen van Jozef Keulartz, ook al schetst hij een tamelijk mismoedig beeld. In zijn bijdrage Plaats tussen Utopia en Nostalgia maakt hij duidelijk dat beide opvattingen van plaats, de utopische en de nostalgische, doodlopende wegen zijn. Als we de modernisten, met hun utopische houding, hun gang laten gaan, verdwijnt plaats en resteert leegte, en als we de nostalgische traditionalisten hun gang laten gaan, zitten we binnen de kortste keren met een overvol kitsch-landschap.

We kunnen dus kiezen: leegte of kitsch… Bijna wanhopig vraagt Keulartz zich tot slot dan ook af: ‘Of is er een ervaring van plaats denkbaar waarin vernieuwing en traditie in evenwicht verkeren?’ Zijn betoog toont mijns inziens maar weer eens aan hoe scherpzinnig, maar ook hoe wereldvreemd al te filosofische beschouwingen zijn, zeker als het over plaats gaat. In theorie is zo’n evenwicht inderdaad ondenkbaar – in de praktijk wordt het steeds weer bereikt.

Wellicht ben ik gaandeweg zelf te veel achter het bord bij mij in de buurt gaan zoeken. Dat komt dan doordat ik overgevoelig ben geworden voor ‘geschiedenis’ en de bij mijn tijdgenoten steeds maar groeiende obsessie ermee. In Nederland mag je inmiddels toch wel spreken van een nationale manie met geschiedenis en identiteit en dan vooral het leggen van een rechtstreeks verband daartussen. Een vloedgolf aan ‘canons’ moet de bevolking kneden tot één volk.

James Joyce laat zijn alter ego Stephen Dedalus in Ulysses terecht zeggen dat ‘geschiedenis een nachtmerrie is’ waaruit hij ‘tracht te ontwaken’. Dat is in dit geval wellicht overdreven, Nederland is geen Ierland en Purmerend geen Dublin… Zo storend en dwingend zijn trouwens het bord en de cultureel-historische route die het aanwijst nu ook weer niet. Toch ik wil ook nu nog, nu ik het eenmaal weet, graag gedachteloos door mijn wijk kunnen blijven fietsen, zonder al te veel cultuurhistorische last op mijn bagagedrager mee te hoeven torsen.

Maar het mooie van het bord is wat mij betreft dat het kan helpen je gedachten af te laten dwalen, wat misschien nog wel mooier en beter is dan gedachteloosheid. Het bord doet je eraan denken dat hier ooit een weids landschap was waar wind en water de dienst uitmaakten. Punt is dat het bord niet dient te wijzen op een oorsprong, dat het geen oerbeeld of iets dergelijks opdringt, maar juist ruimte schept door te wijzen op veranderlijkheid.

Zo zie ik het bord: juist doordat het verwijst naar het verleden verwijst het ook naar een toekomst: vroeger was het hier heel anders… én dus zal het ook wel weer anders worden. Ik vind het helemaal geen sombere gedachte, maar juist geruststellend dat onze hele wijk ooit weer zal moeten wijken en opnieuw plaats zal moeten maken. Het is een plaats die ruimte biedt.