Nederland loopt voorop in de bestrijding

Voor de eer

De bestrijding van eergerelateerd geweld is in beweging. Dat bleek dit weekend tijdens een besloten werkconferentie. Minderhedenorganisaties werken aan een eigen handelingsprotocol. Het pilot-project van de politie Haaglanden wordt landelijk beleid. Nederland loopt voorop.

In Duitsland zorgde de rechtszaak tegen de moordenaar van de 23-jarige Turkse Hatun Sürücü vorige maand voor opschudding. Zij werd in 2005 midden op straat in Berlijn doodgeschoten door haar jongste broer. Haar Koerdische familieleden beschouwden haar als «een hoer die leefde als een Duitse», omdat ze een schijnhuwelijk met een neef had afgebroken, hun zoontje alleen opvoedde, als elektromonteur financieel onafhankelijk was en wel eens uitging met mannen. Eerdere eermoorden haalden nauwelijks de krant, maar na de zaak-Sürücü wordt voor het eerst, heel voorzichtig, in de Bondsdag het fenomeen eerwraak aangekaart.

Nederland verkeert in een veel verder stadium. Een aantal schokkende eermoorden vormde voor het kabinet aanleiding de bestrijding van eergerelateerd geweld hoge prioriteit te geven. Tot dan toe waren de aard en de omvang ervan nattevingerwerk. Bij justitie en politie had het dossier nauwelijks aandacht. Beroepsgroepen die ermee te maken kregen, handelden wegens gebrek aan kennis en expertise vaak te voorzichtig. Maar justitie lijkt binnen Europa voorop te lopen. Minderhedenorganisaties, die al langer bezig zijn eergeweld aan te pakken, worden ondersteund. Op eigen initiatief werken drie koepelorganisaties van minderheden sinds juni vorig jaar aan een handelingsprotocol, dat een handreiking moet bieden in de preventie en bestrijding van eergerelateerd geweld. Zij tonen voor het eerst duidelijk hun gezicht. Minister Verdonk oogst bij alle betrokken partijen grote lof.

Dat bleek tijdens een besloten werkconferentie over dit thema, dit weekend in Den Haag. In verschillende workshops, waaraan ruim tachtig mensen met uiteenlopende etnische achtergronden deelnamen, werd onder meer gesproken over de vraag wat de eigen verantwoordelijkheid binnen de gemeenschap is.

Zeki Arslan, voorzitter de Samenwerkende Turkse Organisaties (sto): «Er is vanuit de gemeenschap grote bereidwilligheid om bij signalen van eergeweld vrijwillig te interveniëren. Maar het blijft een kwetsbaar vraagstuk. Personen die hun nek uitsteken worden er binnen de gemeenschap niet altijd populairder op. Dat heb ik zelf gemerkt toen ik jaren geleden begon met het onderwerp aankaarten. Mensen zijn bang dat je de vuile was buiten hangt. Schaamte speelt een grote rol.» Arslan is voorzichtig over het belang van het protocol: «Je moet oppassen dat het niet een blauwdruk wordt die te ver af staat van de praktijk. Het staat bij de politiek nog maar kort op de agenda, dankzij de aandacht in de media voor een aantal tragische zaken. Die zijn, heel paradoxaal, nodig geweest om het open te breken. Maar het kost zeker twee generaties om het uit te bannen.»

Om beleid te kunnen ontwikkelen, begon de politie Haaglanden in samenwerking met de politie Zuid-Holland-zuid op verzoek van Justitie in oktober 2004 een _pilot-_project. Ruim een jaar lang zijn zaken met een cultuurgebonden motief behandeld. Een speciale eenheid Multi-Etnisch Politiewerk (mep) werd opgezet om met wetenschappers specifieke expertise op te bouwen. Deze eenheid vormt tevens een netwerk van twaalfhonderd contactpersonen die meer dan tachtig minderheden vertegenwoordigen door heel Nederland. Het project had een aantal doelstellingen. Ten eerste het ontwikkelen van een registratiesysteem, want dat was nog nooit gebeurd. Daarnaast moest met het verkregen inzicht een aanpak van preventie en bescherming van potentiële slachtoffers worden ontwikkeld.

De eindrapportage van de Haagse pilot is deze week klaar. Van de vele duizenden zaken die werden gescreend, speelden bij ruim driehonderd eermotieven een rol. Het betrof zowel gevallen met dodelijke afloop (19) als aangiften van angst voor geweld of ontvoering naar het land van herkomst. Een groot deel kwam uit de Turkse en Koerdische gemeenschap, maar ook uit onder meer Afghaanse, Iraakse, Noord-Afrikaanse en Kosovaarse kring.

Eerherstel speelt zich bijna altijd af in de relationele sfeer. Soms vloeit het voort uit zakelijke conflicten of beledigingen. Daarbij gaat het niet altijd om wat mensen werkelijk hebben gedaan, maar ook om wat anderen denken dat ze doen. Roddel kan een fatale rol spelen bij het ontstaan van geschonden eergevoelens. Het rapport geeft verschillende fasen aan van risico’s voor vrouwen: de eerste gang naar de disco van pubers (onzedig gedrag, de kans op het verliezen van maagdelijkheid), het kiezen van een «goede» partner en echtscheiding bij een belabberd huwelijk.

Doorgaans wordt aangenomen dat vrouwen het slachtoffer zijn en mannen de dader. Vaak is dat inderdaad zo. Maar ook vrouwen, nichtjes, tantes en moeders kunnen de initiator van eerherstel zijn (intellectueel daderschap). Bovendien worden ook mannen met geweld bedreigd door hun schoonfamilie of door jaloerse mannen. Een casus. Een Turkse man wordt tijdens zijn huwelijk mishandeld door zijn schoonfamilie. Als hij gaat scheiden, mag hij de kinderen niet meer zien. Als hij besluit te trouwen met zijn nieuwe partner vreest hij dodelijk geweld van de kant van zijn ex-schoonfamilie.

Een van de conclusies uit het rapport is dat de problematiek te complex is om heldere en eenduidige cijfers te geven. Alleen al de selectie van zaken bleek lastig. Er moet bovendien voor worden gewaakt dat het etiket «eer» te makkelijk wordt opgeplakt. Niet alle gedragingen van bepaalde etnische risicogroepen die bij de politie in beeld komen, zijn terug te voeren op eer. Ook wordt er gewezen op dark numbers, het veel grotere getal van zaken van eergerelateerd geweld die niet tot aangifte leiden en derhalve niet in de statistieken komen. Want het herstellen van de eer van de familie kent een breed scala aan middelen: smaad, belediging, bedreiging, mishandeling, vrijheidsberoving, stalking, ontvoering, uithuwelijking en (gedwongen) zelfmoord.

Wat het ontwikkelen van registratie volgens het rapport bovendien complex maakt, is het veelvuldig voorkomen van dubbele bodems. Een meisje deed aangifte van verkrachting door een kennis. In werkelijkheid hadden de twee een verhouding maar was het meisje doodsbang dat haar familie zou ontdekken dat zij ongehuwd een relatie had met deze man, die niet op de goedkeuring van haar familie kon rekenen. Ze gaf in feite haar minnaar aan.

Een succesvolle aanpak vergt dus een juiste houding van de politie. Hobbyisten menen in van alles eer te herkennen. Goed bedoelde maar overhaaste beslissingen kunnen soms juist tot escalatie van geweld leiden. Bijvoorbeeld als een geheim door toedoen van al te voortvarend optreden van de politie uitlekt. Het inschakelen van een vertrouwenspersoon, zoals een imam, om te bemiddelen in een conflict kan desastreus uitpakken wanneer die persoon door de betrokkenen niet wordt erkend. De inzet van allochtone agenten biedt weliswaar voordelen vanwege kennis over specifieke culturele gewoonten, maar soms doen zich complicaties voor. Burgers bleken geen verklaringen te willen afleggen, uit angst dat de agent het aan de gemeenschap zou bekendmaken. Omgekeerd zijn er gevallen bekend waarin de agent bij de kwestie betrokken raakte omdat het conflict in de eigen familiekring speelde. Dubbele loyaliteit en schaamtegevoelens tegenover collega’s ondermijnen de professionaliteit.

«Ik heb niet de illusie dat we ‹het probleem even oplossen›, maar we zijn door dit onderzoek wel een stuk verder gekomen», zegt interregionaal projectleider Willem Timmer in zijn werkkamer op het Haagse hoofdbureau. «Behalve dat we inzicht hebben gekregen in zaken met een slechte afloop, hebben we ook tientallen slachtoffers kunnen beschermen en delicten kunnen voorkomen. Op een gegeven moment vluchtte iemand letterlijk op blote voeten ons bureau in. Een lang gesprek met een tussenpersoon en de familie resulteerde in een verloving. We hebben een geval dat op papier was opgegeven als een vermissing, op basis van onze analyse kunnen traceren als eermoord en de daders kunnen opsporen. Van deze aanpak gaat een enorme preventieve werking uit. Het gaat binnen de gemeenschap rondzingen. Als politie moet je de middelen die er zijn, zowel strafrechtelijk als bestuurlijk, inzetten. Leg aan de familie waarbij het gerucht gaat dat er eerwraak wordt beraamd, nog eens uit dat er twaalf jaar staat op moord en dat het dragen van kennis ook strafbaar is. We kunnen via de ind iemand tot ongewenst persoon laten verklaren of visa van familieleden in het land van herkomst blokkeren. Of als iemand een bedrijf heeft, kun je in een gesprek laten vallen dat er extra controle kan komen. Bij vermoedens van geweld is ons eerste doel het slachtoffer helpen.»

Timmer is binnen de politie al zo’n 25 jaar bezig met dit onderwerp. Zijn eerste zaak zag hij in 1979. Sindsdien heeft hij «honderden lijken gezien»: «Je kunt nooit generaliseren. Ieder geval is anders. Dat maakt de strategie ingewikkeld. Zorg ervoor dat de intake volgens een goede checklist zakelijk en efficiënt is. Soms verkeert iemand in een levensbedreigende situatie, later koop je wel tijd.»

Hij hamert al jaren op het ontwikkelen van deskundigheid binnen de politie, maar daar werd nooit geld voor vrijgemaakt. Toen hem werd gevraagd een onderzoek te starten, pakte hij het met beide handen aan. Met minister Verdonk heeft hij uitstekende ervaringen. Timmer: «Ze is voortvarend, doet wat ze zegt en is toegankelijk.» Zij motiveert hem om meer dan zeventig uur per week te werken. Soms zit hij om half een ’s nachts bij een familieberaad. Hij heeft speciaal lesmateriaal voor de politieacademie ontwikkeld, waarmee na de zomer wordt begonnen. Twee keer per week geeft hij presentaties, zowel aan politiekorpsen binnen Nederland als aan collega’s uit het buitenland die in Den Haag komen kijken hoe het hier wordt aangepakt.

Ook bij de politie komt er binnenkort een werkprotocol. Timmer legt daar momenteel de laatste hand aan: «Voor onze unit is het niet direct nodig, maar voor mensen die onbekend zijn met de materie is het een houvast om meetbaar te werken.» De rol van zelforganisaties moet volgens hem echter niet worden overschat: «Die fase heb ik in de jaren zeventig gehad, dat is een gelopen race.» Liever ziet hij dat er vanuit bestaande organisaties wordt gewerkt met experts: «Kennis moet je in het reguliere werk inbedden. En op wijkniveau. Daar hoor en zie je alles, daar hoort expertise te zitten. Zorg dat organisaties een goede afspiegeling zijn van de maatschappij. Praat met mensen, informeel en niet bedreigend. Als ik mijn haar bij de Marokkaanse kapper laat knippen, hoor ik van alles. Ik spreek Arabisch en maak hier en daar eens een babbeltje.»

Als de doorstart van de Haagse pilot straks wordt geëffectueerd, ligt er volgens Timmer een perfecte structuur om zaken landelijk aan te pakken. De unit wordt met mankracht uitgebreid, de Haagse aanpak wordt model voor een regionale invulling door het hele land. Timmer hoopt dat het onderwerp bij het volgende kabinet prioriteit houdt: «We zijn net op de goede weg. Wat me is opgevallen, is dat het verschijnsel in ons land niet is afgenomen. De meeste slachtoffers zijn onder de 25 jaar. En het leeuwendeel trouwt nog steeds met partners uit het land van herkomst.»