Vóór de genocide

Foto’s van de vermiste mannen van Srebrenica in het kantoor van de ‘Moeders van Srebrenica’ in Tuzla, oktober 2002 © Roger Lemoyne / Getty Images

Het verhaal van De tolk van Srebrenica eindigt waar ons verhaal, het bekende verhaal van Srebrenica, begint: 13 juli 1995. Wat wij van die dag weten is in de afgelopen 25 jaar duizendmaal herhaald, vaak betreurd en vaker vervloekt. Wat Hasan Nuhanović, de tolk, op die dag ervoer, vermoedde, voelde en vooral waarom dat zo was, dát weten wij niet. Nou ja, misschien weten we het wel, zeker nadat je dit boek gelezen hebt, maar weten en weten is twee.

Nadat de mannen van de enclave het bevel hadden gekregen naar de poort te gaan, kregen ze nog een bevel: alle scherpe voorwerpen uit de bagage halen. ‘Dat duurde uren’, schrijft Nuhanović. Ondertussen zaten zijn moeder, vader en jongere broer nog altijd in het kantoortje van de VN-waarnemers. Daar zaten ze omdat Nuhanović er werkte. Als tolk. Om dezelfde reden kon hijzelf in de enclave blijven. Zo niet zijn ouders en broertje. Die moesten mee. De waarnemers en aanwezige Nederlandse soldaten probeerden hen daartoe met zachte hand te overreden. Nuhanović wist het. Er was geen ontkomen aan. ‘Ik zal nooit de juiste woorden kunnen vinden om te beschrijven hoe ik me op dat moment voelde en gedroeg’, schrijft hij. ‘Niet in dit boek en ook niet in enig ander boek dat ik ooit zal schrijven. Wat ik in de regels hieronder heb neergelegd… zijn slechts fragmenten.’

Tot die fragmenten behoort de verwarrende ontmoeting, onderweg naar de poort, met plaatsvervangend Dutchbat-commandant Robert Franken. Hij schudt Nuhanović de hand en zegt hem dat zijn vader ook kan blijven. Maar mijn andere zoon dan, vraagt de vader, en mijn vrouw? De keus is aan u, zegt Franken. Omdat zoiets geen keus is, schudt de vader Franken de hand, vraagt hem goed op zijn oudste zoon te passen en loopt richting poort. Wat sta je hier nog? vraagt dezelfde Franken vervolgens aan Nuhanović. De andere tolken zitten al in de bar, ga daarheen, de Serviërs kunnen elk moment hier zijn.

Wat volgt kan de lezer niets anders bezorgen dan woede en diepe schaamte

Verwarring is een te klein woord.

Terwijl de meeste Bosniërs in de bar hangen of dommelen – het is enkele uren later, Nuhanović geeft terecht geen tijdsaanduiding, de tijd staat stil – loopt Nuhanović naar buiten en zoekt in de volstrekte duisternis een plekje bij het hek, zo dicht mogelijk bij het stadje Bratunac, oftewel ‘the killing fields’. Hij hoort schoten. ‘Achter me was de loods die door Dutchbat als garage gebruikt werd’, schrijft hij in de laatste regels van zijn boek. ‘Ik hoorde muziek… Er brandde nog licht en ik zag de silhouetten van Nederlandse soldaten die uit hun blikjes bier zaten te drinken. De muziek werd geleidelijk luider en werd alleen af en toe overstemd door het Servische mitrailleurvuur in de verte. Ik herkende de melodie als een befaamd nummer van The Doors: “Riders on the Storm”.’

Het is een te lange passage voor een recensie, ik weet het, maar in dit geval kan het niet anders. Frank Westerman, die een kort voorwoord bij dit boek schreef en Nuhanović al lang kent, vertelt dat hij hem in 1997, bij zijn eerste komst naar Nederland, probeerde over te halen het ijs van de Amsterdamse grachten te betreden. Zo gebeurt, uiteindelijk. Voetje voor voetje schuifelt Nuhanović over de spekgladde ondergrond. Pas als hij weer op straat staat, komt de schrik. Wat is er? vraagt Westerman. ‘Ik heb twee minuten niet aan mijn ouders en mijn broer gedacht’, luidt het antwoord.

Nuhanović’ verhaal over de gebeurtenissen voorafgaand aan dat ene, onvergetelijke moment in juli 1995 vormt de inhoud van dit eveneens onvergetelijke boek. Dat verhaal begint in 1992, aan het begin van de Bosnische Burgeroorlog, en vertelt vanuit het perspectief van de oudste zoon het verhaal van drie jaren en een gezin. Het begint meteen ‘spannend’ – wat in dit verband een vervloekbaar woord is, want typisch het woord van een buitenstaander. Dreigend is beter. Onheilspellend ook. Want de Serviërs (‘četnici’) rukken op, niemand is nog veilig, het gezin Nuhanović heeft geen andere keuze dan wegtrekken, terugkeren, weer wegtrekken en uiteindelijk de bossen in vluchten. Wat volgt is een leven op drift dat de lezer, althans mij, niets anders dan zinloze woede en diepe schaamte kan bezorgen. Eenmaal gevoeld weigeren beide emoties te verdwijnen. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat wij dit in onze achtertuin, onder onze ogen, met al onze kennis en verontwaardiging over genocides uit het verleden, hebben laten gebeuren? Waar was ik op dat moment, wat deed ik? Wat jij?

Uit het verhaal van Nuhanović wordt volstrekt duidelijk dat de massamoord op de Bosniërs geruime tijd tevoren te voorzien is geweest en op het moment van uitvoering ruimschoots bekend was. Aan het begin van zijn boek geeft Nuhanović het voorbeeld van de moorden op de burgers in Višegrad, voorjaar-zomer 1992. Drie jaar voor Srebrenica dus, drie jaar! Hij vertelt het verhaal van een man die wist te ontsnappen en gezien had wat geen mens wil zien. Op internet en krantenbank LexisNexis vond ik tientallen artikelen uit 1992 die precies hetzelfde vertellen als wat die man Nuhanović vertelde en hij in dit boek herhaalt. Ook ik wist het. In juli 1995 las ik David Rieffs Slaughterhouse en trok een kader rond deze zin: ‘Na twee jaar in Bosnië te zijn geweest, ben ik ervan overtuigd dat, zelfs als er camera’s in Auschwitz hadden gestaan, men nog niet meer had gedaan.’