Hoofdcommentaar

Voor de Irakezen is Nederland een vijand

Volgens De Telegraaf was het een «laffe aanval op onze militairen». En minister van Defensie Henk Kamp was «geschokt door de dood van een jongeman die de mensen in Irak wilde helpen». Zij reageerden op het nieuws van afgelopen zaterdag, toen Nederlandse troepen in Zuid-Irak in een hinderlaag werden gelokt. Achteraf bezien is het een wonder dat slechts één militair — wachtmeester eerste klas Jeroen Severs van de marechaussee — sneuvelde. Vijf andere Nederlanders liepen schotwonden op. Volgens onbevestigde berichten zouden twee Irakezen zijn gedood.

De berichten in de Nederlandse media waren relativerend. Met zijn «slechts» twee gesneuvelden behoort Nederland nog altijd bij de minst getroffen leden van de Coalitie. De teneur van dergelijke berichten toont tezamen met de reacties van De Telegraaf en de minister van Defensie dat de werkelijkheid nog altijd niet is doorgedrongen tot de betonnen koppen van opiniërend, bestuurlijk en «wakker» Nederland.

Het betrof een goed voorbereide actie, zeer waarschijnlijk door militieleden van de radicale geestelijke Muqtada al-Sadr, die in de ogen van vele sjiïeten (zestig procent van de Iraakse bevolking!) strijden tegen bezetters. Deze bevlogen, licht bewapende strijders «laf» noemen gaat voorbij aan hun krijgshaftige en vreselijke plan: de Nederlanders moeten weg, dood of levend. De reactie van de minister speelde al net zo op het sentiment als die van De Telegraaf. De gesneuvelde 29-jarige wachtmeester zal ongetwijfeld de beste bedoeling hebben gehad met de mensen in Irak, feit is dat hij gestuurd werd. En wel door de minister zelf. De deelname van Nederland aan een vredesmissie is een beslissing die op het hoogste politieke niveau tot stand komt. Daarbij komt heel wat meer kijken dan het «helpen van de mensen in Irak». Het gaat om nationale en internationale belangen, om je in de kijker te spelen bij grootmacht Amerika en andere internationale partners, om het handhaven van recht en orde (lees: het handelsbelang), om het beveiligen van een strategische regio (olie) en ja, heel misschien ook nog wel een beetje om het helpen van de mensen in Irak. Wijlen wachtmeester Severs had getekend en diende te gaan. Om wille van zijn contract diende hij al die belangen. Gewetensbezwaren werden met dienstplicht en al begraven. De minister bedoelde het vast goed, maar in feite gebruikte hij de gesneuvelde militair voor propagandistische doeleinden. Namelijk om de Nederlandse militaire aanwezigheid in Zuid-Irak af te schilderen als een puur altruïstische missie. Niet netjes en niet waar.

Het zou beter zijn helder en zonder terughoudendheid de situatie te schetsen waarin de Nederlandse staat zijn militairen terecht heeft laten komen. Liefst in onderstreepte en vetgedrukte Telegraaf-kapitalen: HET IS OORLOG IN IRAK, OOK IN HET ZUIDEN! OORLOG! En in een oorlog zet je je helm op. In een oorlog patrouilleer je niet in ongepantserde voertuigen. In een oorlog vertrouw je niet zonder meer op inlichtingen uit de bevolking. In een semi-stadsguerrilla als die in Irak is het gevaar overal. Helm op, luiken dicht en dóórstomen, zoals de mariniers zeggen.

Sinds het begin van de missie patrouilleerden de Nederlanders niet-agressief, met open vizier. In Ar-Rumayta, waar Severs sneuvelde, wordt zelfs regel matig te voet door het dorp gepatrouilleerd. In december, toen het al wat onrustiger werd in het gebied, ging De Groene Amsterdammer enkele malen op pad met een geweergroep van de mariniers in Ar-Rumayta. Ook ’s nachts werden de wagens soms verlaten. Het maakte de ongehelmde mariniers tot makkelijke doelwitten, en ze wísten het. Een paar handgranaten konden onze geweergroep wegvagen. Het was zo’n granaataanval die in mei sergeant-1 der mariniers Steens ma doodde en zijn korporaal levensgevaarlijk verwondde. Maar toen nog heerste het vertrouwen dat de bevolking zo veel baat had bij de aanwezigheid van de militairen en zo weinig werd afgeschrokken door hun open houding dat ze zou waarschuwen als er gevaar dreigde. Dat gebeurde inderdaad enkele malen. Nu echter is de situatie definitief veranderd. Sinds april is het aantal incidenten sterk toegenomen. Schietpartijen, mortierbarrages en zelfs een autobom (in Talil) werden tegen de Nederlanders ingezet. Niemand waarschuwde.

Bij het gevecht van zaterdag was een grote groep strijders betrokken. Zij konden rustig hun gang gaan bij het innemen van hun posities. Opnieuw waarschuwde niemand. Het gevecht duurde tussen de drie en vier uur en speelde zich af langs een route van twee kilometer in het stadje. De Nederlanders schoten hun wapens leeg, automatische geweren, zware mitrailleurs, geweermortieren. Meer dan tweeduizend patronen werden door hen afgevuurd. De aanvallers schoten met kalasjnikovs, een machinegeweer en bazoo ka’s.

De strijd werd pas beslecht toen Nederlandse Apache- helikopters werden ingezet. Zo’n urenlang vuurgevecht is de hel op aarde. Dat zij daarin terecht zijn gekomen hebben ze te danken aan het radicaliserende en mislukte beleid van de Ame rikanen, wier konvooien zij nota bene beveiligen. De Nederlanders waren nooit deel van de bezettingsmacht, maar gezien de aanvallen en het uitblijven van waarschuwingen uit de bevolking worden ze nu echt beschouwd als vijanden.

Nederland stuurde troepen op verzoek van de VN, om bij te dragen aan de vrede en stabili teit. De politiek koos er in juni voor om de missie te verlengen terwijl de veiligheidssituatie in het zuiden verslechterde en de Amerikanen wegzakten in het moeras. Dat was een moeilijke, maar verdedigbare beslissing. Nu echter zijn we dan tóch verzeild geraakt in een oorlog die niet de onze is. Hoe kun je veiligheid bieden als de mensen je veiligheid niet willen? Blijven tot de verkiezingen in januari, zoals beloofd, is nobel, maar wellicht zinloos. Vasthouden aan een verlenging van de missie tot na januari, zoals de VVD krijgshaftig doet, is spelen met mensen levens.