Pro/contra ontwikkelingssamenwerking

Voor de koopman en de dominee

Het werkt niet, dus hou er maar mee op, zegt de een: volgens de WRR heeft de ontwikkelingshulp van de afgelopen zestig jaar niets opgeleverd. Het moet werken, dus ga er maar mee door, vindt de ander: arme landen steunen is goed voor Nederland.

WAAROM HELPEN WE? De bijdrage aan ontwikkelingshulp van de Nederlandse overheid kan worden afgeschaft (Geert Wilders), of in elk geval gehalveerd (Arend-Jan Boekestijn, VVD). Zeker nu de crisis toeslaat en de dikke vijf miljard die we dit jaar uitgeven ook elders goed besteed kan worden. Want hulp helpt niet, zo stellen zij.
Wat die laatste stelling betreft kregen zij steun van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De Raad publiceerde in mei het rapport Doing Good or Doing Better, een voorstudie van het in november te verschijnen advies aan de regering over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Op pagina 1 van het rapport verklaart de Raad de ontwikkelingssamenwerking van de afgelopen zestig jaar de facto failliet. De hulp heeft ‘niet geleverd wat het beloofde’, aldus de Raad: ‘De ontwikkeling van Afrika evenals delen van Azië en Latijns-Amerika stagneert. De economische groei in Afrika was in de jaren tachtig en negentig lager dan in de jaren zestig en zeventig. Veel Afrikaanse landen zijn nog steeds afhankelijk van hulp; het is niet ongewoon als een derde van hun bruto binnenlands product (bbp) afhankelijk is van hulp, en driekwart van de begroting gedekt wordt met donorgeld’, stelt de WRR koel vast in het openingshoofdstuk van het boek, dat een snel verhelderend overzicht biedt van de paradigma’s die het ontwikkelingsbeleid van de afgelopen decennia domineerden. De feiten zijn hard, niemand kan er meer omheen. Ondanks succesverhalen van geslagen waterputten en kinderen die naar school gaan is het alles overstijgende doel, minder armoede, niet bereikt.
Zestig jaar en miljarden dollars verspilling tasten de geloofwaardigheid van hulp zo hard aan dat het gevaar bestaat dat het ontwikkelingskind met badwater en al in het putje van populistische politici verdwijnt. Dat beseffen ook de pleitbezorgers van hulp. In een poging het debat weg te trekken van het ‘laten we er maar mee ophouden’-niveau, publiceerde GroenLinks eind vorig jaar het pamflet De falende staat van de ontwikkelingssamenwerking. En in de afgelopen tijd betrad een heel leger van prominente Nederlanders met hetzelfde doel het discussiepodium. Onder de kop ‘Afschaffen hulp is het antwoord niet’ stelden onder anderen Joris Voorhoeve (oud-VVD-politicus en voorzitter van de Raad van Toezicht van Oxfam Novib), Jacobine Geel (theologe en televisiepresentatrice) en René Paas (CNV-vakbondsvoorzitter) in een ingezonden brief in Trouw dat het debat zou moeten gaan over de vorm en de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking, daarmee erkennend dat er tot nu toe iets schort aan de effectiviteit van beleid. Ook oud-premier Ruud Lubbers deed een poging om de discussie weer naar het ‘hoe’ van helpen te trekken. Volgens Lubbers is ontwikkelingssamenwerking toe aan een ‘renovatie’, zo stelde hij op een bijeenkomst van de 1-procent-club. Zijn generatiegenoot en oud-VVD-leider Hans Dijkstal had het op dezelfde bijeenkomst over ‘heel anders nadenken’ over ontwikkelingssamenwerking.
Het werkte misschien vaak niet, maar dat is geen reden om ermee op te houden, zo is het nieuwe standpunt van de voorstanders van ontwikkelingsbeleid. Ze kunnen niet anders. Want juist door de mislukkingen van internationale samenwerking te ontkennen of er omfloerst over te praten, speelden zij de tegenstanders de afgelopen jaren in de kaart en verzandde het debat in een ‘welles’-‘nietes’-spel. Willen de voorstanders weer grip op het debat krijgen, dan zullen ze de mislukkingen en fouten van ontwikkelingssamenwerking moeten erkennen en laten zien dat ze bereid zijn ervan te leren. Alleen op die manier kunnen ze de discussie terughalen naar een niveau vanwaar weer verder gewerkt kan worden. De goede bedoelingen voorbij.

OOK DE WRR REPT niet van ophouden of afschaffen. De voorstudie verraadt de richting van het advies dat in november uitkomt. Na het failliet van het ‘big push’-paradigma van de jaren zestig (investeer veel en snel in infrastructuur en industriepolitiek), het sociaal-economische paradigma van de jaren zeventig (vergeet ook het menselijk kapitaal niet), de Washington Consensus van de jaren tachtig (magere overheid, veel markt), het ‘goed-bestuur (zorg dat de instituties kloppen)-paradigma’ uit de jaren negentig en het (uit arren moede) paradigmaloze begin van deze eeuw, zal het advies voor de toekomst iets worden langs de lijnen van wat de WRR alvast het ‘leer-paradigma’ noemt: de gemiddelde Afrikaanse leider zal in de toekomst steeds vaker te horen krijgen dat zijn land zelf een eigen ontwikkelingspad moet kiezen dat bij de lokale omstandigheden past. Het copy-pasten van beleid, investeringsprogramma’s, instituties en zelfs de governance uit het Westen is achterhaald. Hulpgevers en -ontvangers moeten de lessen uit het verleden en heden paraat hebben en weldoordacht vertalen naar een goed recept voor steeds weer een unieke situatie. De one-size-fits-all-benadering werkt niet.
Het is natuurlijk maar de vraag of dit nieuwe paradigma de tegenstanders van ontwikkelingssamenwerking kan overtuigen. Want de weerstand zit diep. Als liberalen vechten ze met de principiële spanning tussen helpen en de eigen verantwoordelijkheid. Want los van de vraag of hulp helpt, levert de vraag ‘waarom helpen we?’ niet voor iedereen hetzelfde antwoord op.

WAT ZIJN DE ARGUMENTEN voor en tegen ontwikkelingssamenwerking? Waarom helpen we? Het antwoord op die vraag lijkt misschien een open deur, maar is het niet. Weliswaar is het meest gehoorde motief voor het helpen van ‘de armen’ dat we daartoe verplicht zijn omdat wij rijk zijn, maar dat wil niet zeggen dat altruïsme ook daadwerkelijk de sterkste drijfveer achter hulp is. Want helpen we daadwerkelijk om het leed van anderen te verzachten? Of juist dat van onszelf? Misschien is helpen gewoon fijn, omdat het onze superioriteit onderstreept. Of misschien doen we het omdat we het leed in de wereld eenvoudigweg niet kunnen aanschouwen zonder iets te doen, ook als het zinloos is?
Als helpen niet helpt, maar toch moet, dan helpen we blijkbaar omdat niets doen geen optie is. Of omdat de illusie van het bestrijden van armoede de enige manier is om met onze eigen rijkdom, en onze schuldgevoelens daarover, te kunnen omgaan.
Als drijfveren als schuldgevoel of onmacht ook maar een beetje meespelen, dan zijn ze tegelijkertijd een voedingsbodem voor de argumenten tégen ontwikkelingssamenwerking. Want helpen om jezelf beter te voelen is arrogant. Het ontneemt landen de kans om een eigen ontwikkelingspad te vinden en daar zelfvertrouwen uit te halen. En helpen uit schuldgevoel is hypocriet, vooral als het niet helpt. Bovendien maakt dat schuldgevoel ons blind voor de bijeffecten van al die goede bedoelingen. Volgens een groeiend aantal auteurs – zoals de Nederlandse journalist Linda Polman en de Zambiaanse econome Dambisa Moyo – houdt die hulp ook corrupte regimes in het zadel en ellende, als aantrekker van geld, in stand. Een boodschap die voor de weldoeners lange tijd niet te verteren was.
En dan zijn er ook nog critici, zoals de Nijmeegse hoogleraar Lou Keune, die stellen dat de huidige vorm van ontwikkelingssamenwerking verwerpelijk is, omdat we daarmee een verkeerd (kapitalistisch) systeem exporteren dat, vanwege z’n gerichtheid op groei en gebrek aan duurzaamheid, een gevaar is voor de wereld. Dat is al lang geen wereldvreemd standpunt meer: de Eerste Kamer wilde in mei naar aanleiding van de resultatenrapportage van Ontwikkelingssamenwerking van minister Bert Koenders (PVDA) weten of het oogmerk van economische groei wel valt te rijmen met het uitgangspunt van duurzaamheid en klimaatbeheersing. Ontwikkelingssamenwerking als de grootste bedreiging van de wereld.
Morele argumenten spelen een hoofdrol: we moeten helpen, omdat we daar moreel toe verplicht zijn, of juist niet, omdat het verwerpelijk is. Ook de brievenschrijvers in Trouw beantwoorden de ‘waarom helpen we?’-vraag met een moreel argument: ze stellen zonder uit te leggen waarom dat de verantwoordelijkheid van het Westen voor de armste landen groot is.

NAAST (of tegenover) de morele argumenten staan de pragmatische: ‘Het werkt niet, dus hou er maar mee op’, neemt het op tegen: ‘Het moet werken, we gaan door’ – beide drogredenen van formaat. Het debat is verworden tot een gevecht tussen moraliteit en pragmatisme dat de goede zaak geen goed doet. Want wie het ontwikkelingsbeleid goed bekijkt, ziet al snel dat het een schijngevecht is. Politieke, economische en veiligheidsargumenten spelen eveneens een grote rol. Anders gezegd: het eigenbelang van Nederland bij ontwikkelingssamenwerking is aanzienlijk. Ontwikkelingssamenwerking is bij uitstek een sector die door zowel de koopman als de dominee draaiende wordt gehouden.
Zo is het, anders dan de brievenschrijvers in Trouw ons willen doen geloven, niet waar dat we vooral de allerarmsten in de wereld helpen. Het gros van het Nederlandse ontwikkelingsgeld gaat niet naar de armste landen, maar naar een categorie daarboven. Dat komt onder meer doordat we soms landen helpen om op die manier invloed op het internationale politieke wereldtoneel te verkrijgen. Zo treedt Nederland bij het IMF en de Wereldbank op namens landen als Georgië en Oekraïne. In ruil voor die speciale relatie gaat er jaarlijks een paar miljoen naar die landen, met name begrotingssteun en hulp bij het bestrijden van corruptie. Deze door eigenbelang gemotiveerde steun levert ook wat op, hoge posities op internationale posten bijvoorbeeld. Als vijfde donorland ter wereld heeft het kleine Nederland een rol op het internationale politieke toneel. De functies van Jan Pronk en Ruud Lubbers – tevens groot pleitbezorgers van ontwikkelingssamenwerking – bij de Verenigde Naties zijn niet uit de lucht komen vallen.
Een ander eigenbelang-argument dat met de globalisering aan kracht wint, betreft veiligheid. Want door de sterk toegenomen internationale verstrengeling is internationale samenwerking belangrijker dan ooit. Maakte het vijftig jaar geleden voor onze veiligheid hier niet veel uit hoe het de gemiddelde Afrikaan verging, inmiddels is dat wel anders. Niet voor niets is het veiligheidsargument de belangrijkste drijfveer achter de hulp en samenwerking in Europa in de afgelopen vijftig jaar: als hulp helpt, en een bijdrage kan leveren aan ontwikkeling en een stabielere wereld, dan merken we dat hier. Werkloze jonge mannen waar dan ook ter wereld zijn een risico voor de internationale stabiliteit. Ofwel omdat ze naar het Westen willen, ofwel omdat ze bereid zijn om oorlogen te voeren.

OOK HET MILIEU in Nederland kan profiteren van ontwikkeling elders. Bijvoorbeeld omdat door lagere geboortecijfers de druk op de klimaatverandering afneemt (daar staat tegenover dat ook de sterftecijfers dalen, het saldo is onduidelijk). Nederlandse bedrijven profiteren van markten die opengaan, en van subsidies. En de sector rondom hulp biedt aan duizenden mensen werk. Allicht is er ook hier een keerzijde: ontwikkelingssamenwerking kost 0,8 procent van het bruto binnenlands product (dit jaar bijna 5,5 miljard euro), oftewel drie procent van de totale rijksbegroting.
Maar de kosten-batenanalyses rondom ontwikkelingssamenwerking worden nauwelijks gemaakt. In de recente resultatenanalyse van minister Koenders zijn ze niet te vinden. De vraag (‘wat levert het ons op?’) is vooralsnog blijkbaar te provocerend, te plat. Toch: willen de voorstanders van ontwikkelingssamenwerking iets zetten tegenover de oneliner ‘het werkt niet, dus hou er maar mee op’, dan moeten ze met heldere antwoorden laten zien wat wél werkt, wat het kost en wat het oplevert. Ze moeten laten zien dat ze leren van fouten en bereid zijn om rationeel en kritisch naar de resultaten te kijken in plaats van de verspilling van vele miljoenen steeds maar weer toe te dekken met goede bedoelingen. Dat is de enige manier om steun te behouden voor ontwikkelingsbeleid dat moet, simpelweg omdat niets doen geen optie is.


De belangrijkste argumenten voor en tegen ontwikkelingssamenwerking vanuit Nederlands perspectief

VOOR

  • Als rijk land zijn we verplicht om armere landen te helpen
  • Het leed in de wereld aanschouwen zonder iets te doen is geen optie
  • We moeten ons houden aan internationale afspraken waarin we ons gecommitteerd hebben aan helpen
  • Met ontwikkelingssamenwerking hebben we invloed op het internationale politieke toneel
  • Ontwikkelingshulp helpt oorlog en terrorisme te bestrijden omdat het grote migratiestromen voorkomt
  • Nederlandse bedrijven en de hulpsector profiteren van ontwikkelingssamenwerking

TEGEN

  • Ontwikkelingssamenwerking is hypocriet: het dient vooral ons eigenbelang
  • Ontwikkelingssamenwerking maakt afhankelijk en neemt de prikkel voor autonome ontwikkeling weg
  • Met het geld van ontwikkelingssamenwerking wordt ellende in stand gehouden
  • Ontwikkelingssamenwerking is weinig efficiënt en de effectiviteit ervan is moeilijk aantoonbaar
  • Ontwikkelingssamenwerking is erop gericht economische groei te bevorderen, waardoor conflicten over schaarse grondstoffen zullen toenemen