Roland Topor

Voor de muziek uit

Roland Topor
Romans, verhalen, tekeningen en foto’s gekozen en van een nawoord voorzien door Arnon Grunberg, Nijgh & Van Ditmar, 391 blz., € 29,90

Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door Arnon Grunberg, die uit eigen zak – een deel van de ako-prijs – zijn keuze uit tekeningen en teksten van het Franse multitalent Roland Topor (1938-1997) subsidieerde. Wat mij betreft heeft Grunberg in één opzicht zijn doel bereikt: het werk van Topor aan vergetelheid en veronachtzaming te onttrekken. Het is waar, ik was Topor een beetje uit het oog verloren. Begin jaren zestig had ik zijn bizarre tekeningen gretig bekeken: in het blad Hara-Kiri en allerlei boekuitgaven zoals Anthologie (1961), Manuel du savoir-mourir (1963, bij tekst van André Ruellan), vooral Dessins paniques (1965, een verzameling tekeningen uit Hara-Kiri). Toen werd Topor populair – voor liefhebbers vaak een sein om de aandacht te verplaatsen. Hoogtepunt waren voor mij daarna nog een paar fantastische tekenfilms en een film over De Sade waarvoor hij de tekst schreef: de Markies die op de vloer van zijn cel zittend een samenspraak houdt met zijn uit de kluiten gewassen penis. Dat alles is typerend jaren zestig, al zou het niet eenvoudig zijn te zeggen wat dat voor het tekenwerk betekent. Als het gedateerd is, dan vooral omdat het niet gedateerd is, niet met huid en haar vastzit aan de actualiteit. Bizar was nog gewoon gek, dwars, monter zwartgallig, vooral verrassend, de draak stekend met van alles en nog wat.

De hernieuwde uitgave biedt de mogelijkheid naast de tekeningen ook teksten te lezen, langere (die hier ten onrechte romans heten) en kortere. Wat mij opvalt is dat de kortere en vooral de kortste het meest bij de tekeningen passen: puntige ideeën, als het woord idee van toepassing is op de omkering of vertekening van bekende verhoudingen. De beste verhaaltjes zijn die welke je alleen kunt weergeven door ze in hun geheel voor te lezen. Bijvoorbeeld een gemakzuchtige oplossing, over een lange man die op zijn rug en zijn hoofd klautert, omdat hij gemakkelijker te beklimmen is dan de Mount Everest. Ook de wenken, wat te doen bij de verjaardag van dada, mogen er wezen. Of de laatste tekst, Zoll, waarin een man een douanier in zijn slaapkamer ontvangt (‘Waar een grens is, is douane’) met als slotzin: ‘Het is in orde, meneer. U kunt naar de andere kant. En Norden stierf.’ Gewoon grappig is het titelverhaal van het mooiste stel tieten ter wereld: wat er gebeurt als Simon in de lift van de Amerikaanse Janet Bubble een stel beeldschone tieten krijgt aangewreven. Zij voelt zich bevrijd, hij wordt een wereldberoemd man. Als ze elkaar na drie jaar toevallig tegen het lijf lopen, stuiven ze uiteen.

De verhaaltjes blijken gemakkelijker weer te geven dan de tekeningen. Tekst is altijd vager en wolliger; een tekening moet nu eenmaal duidelijk zijn en heeft als ze goed is meer kans trefzeker over te komen. De meeste van Topors prenten zijn vertekeningen van gezichten en lijven. Wat kunnen lichaamsdelen zich in bochten wringen. Dat alleen al wekt onbehagen. Merkwaardig is dat de teksten dit fysieke, maar ook elk plastisch aspect missen. De al in 1968 vertaalde vertelling De huurder is ondanks de lengte van 120 pagina’s niet veel meer dan een uitgesponnen anekdote: een fatsoenlijke dertiger huurt een kamer, waarvan de vorige bewoonster uit het raam is gesprongen. Hij zal haar lot delen, daarvoor zorgen de buren, die hem langzaam maar zeker in de huurster veranderen. Wat vreedzame medebewoners leken, blijken beluste moordenaars.

Wat valt er over zo’n bloemlezing te zeggen? Ik zou de verhouding tekst en tekening hebben omgedraaid: driekwart van het boek voor tekeningen ingeruimd en verder zo veel mogelijk korte teksten. Het is maar een associatie, maar nu ik die teksten lees bedenk ik wat Georges Perec, leeftijdgenoot van Topor, met dat materiaal zou hebben gedaan. Eén ding: hij zou nooit leuk gedaan hebben; en zodra Topor dat doet (waarbij ik dat gegiechel van hem hoor) worden de teksten al gauw melig en zouteloos. Beter gezegd: het idee verschrompelt tot een ideetje en de uitwerking is vooral in- en aanvullen. Een tekening zegt het in één oogopslag.

Aan Perec moest ik vooral denken bij de tweede grote vertelling, memoires van een oude zak, die nu voor het eerst vertaald wordt. Het is een listig idee dat gelegenheid geeft tot venijnige terzijdes: de modernste kunst geeft voor zichzelf sprekend een insidersverhaal over een eeuw avant-garde. Op z’n derde graveerde de verteller, eind negentiende eeuw, al Klees in de aardappelpuree. Als koksjongen maakte hij kunstwerken van etenswaren; jammer alleen dat ze zo snel bedierven. Sarah Bernhardt bood aan naakt voor hem te poseren. Iedereen kende hij, in Parijs, Amerika, Rusland; in de beeldende kunst maar ook in literatuur en muziek – en passant ontmoette hij Freud, Lenin en Hitler. Hijzelf nam wat hem te pas kwam, anderen pikten het weer van hem, want hij was in alles de eerste. Het kubisme vond hij tot drie keer uit (nog in de jaren zeventig).

‘Ik ben de avant-garde altijd vóór geweest, dus moest ik halt houden om op de rest van het peloton te wachten en telkens passeerden ze me. Daarom word ik overal vergeten. O, u kunt wel in uw kunstgeschiedenisboeken kijken, maar u zult me nooit op de juiste plek aantreffen. Ik ben de kampioen van de eenmansontsnappingen geweest die vóór de finish werd ingehaald.’ De kunstwereld was voor Topor een wespennest van intriges en achterklap. En hij zag hoe kunst en geld naar elkaar trokken. Bijna vierhonderd grote namen zijn in deze kunsthistorische husselpot verwerkt. Het verhaal is van 1975; het aardigst is misschien nog het nawoord van 1984: ‘Hoeveel nieuwe spirituele avonturen heb ik niet tot stand gebracht! Want er is sinds 1975 heel wat gebeurd. Om te beginnen, mei ’68!’

Oud is hij in 1984, maar vitaler dan ooit, waarna hij besluit: ‘Ik verzeker u dat het me goed doet om mezelf in de spiegel te bekijken na een paar jonge zakken gezien te hebben. Een ouwe zak, het zij zo, maar nog altijd kras!’