Illegaliteit Antigone en de asielzoekers

Voor de poorten van de stad

Het theaterstuk Antigone van Jean Anouilh maakt inzichtelijk wat de dilemma’s zijn van bestuurders, asielzoekers en hun sympathisanten bij een uitzetting.

Medium lucy wood  vicini lontanti

In februari 1944 ging in het bezette Parijs het toneelstuk Antigone van Jean Anouilh in première. Twee broers van Antigone raken voor de poorten van hun woonplaats Thebe slaags en komen beiden om. De een krijgt van koning Creon een eervolle begrafenis, het lijk van de ander moet voor de poorten van de stad blijven rotten omdat hij tegen zijn oudere broer in opstand kwam. Antigone, hun zus, wil haar broer toch begraven. Ze sluipt ’s nachts naar het lijk, krabt aarde uit de grond en gooit dat over het lichaam. Ze wordt betrapt. Creon moet haar ter dood veroordelen, maar wil dat eigenlijk niet. De kern van het toneelstuk is de confrontatie tussen Antigone (principieel, onverzettelijk) en Creon, die zijn gezag niet wil laten ondermijnen door Antigone en die tegelijkertijd een oplossing zoekt om haar niet te laten ombrengen. Halsstarrig wijst Antigone zijn oplossingen af. Als ze ter dood veroordeeld wordt, hangt ze zich op. Haar verloofde, Creons zoon, steekt zichzelf dood en als de koningin dat hoort snijdt deze zichzelf de hals door. Creon blijft alleen achter en loopt, ondersteund door een bode, het toneel af omdat hij naar een vergadering moet.

In 1979 gaf het Publiekstheater een vrij historische voorstelling van dit stuk. Het werd gespeeld in de bovenzaal van de Stadsschouwburg, zonder toneel, zonder kostuums, zonder make-up. De acteurs liepen tussen het publiek door. Opmerkelijk was vooral het feit dat Creon (Hans Croiset) een heel redelijke en integere man bleek. Creon deed zijn stinkende best om de problemen zo goed mogelijk op te lossen. Een burgemeester in oorlogstijd, zeker, maar bepaald niet uit opportunistische overwegingen. Hij beoefende de kunst van het mogelijke en niet de kunst van het wenselijke. Ik was zestien en wist dus dat Antigone (José Ruiter) gelijk had. Maar het dilemma van het stuk is dat Creon helemaal geen ongelijk heeft.

De afgelopen maanden moest ik vaak aan Antigone denken. De protesterende asielzoekers in tentenkampen en gekraakte kerken in Amsterdam-West kunnen niet worden uitgezet, maar ze mogen niets doen. Door hun protesten maken ze het falen van het Nederlandse asielbeleid zichtbaar. Ze worden daarbij gesteund door Nederlandse sympathisanten. De autoriteiten reageren aan de ene kant opmerkelijk begripvol. Burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam benadrukte dat hij niet mocht zeggen wat hij persoonlijk van deze acties vond. Hij liet het tentenkamp maandenlang begaan, en toen hij het ontruimde ging hij op zijn hoofd staan om tijdelijke noodopvang voor de asielzoekers te regelen. Staatssecretaris Fred Teeven wil weliswaar graag de indruk wekken een hardliner te zijn – hij verweet Van der Laan dat hij door de noodopvang valse hoop gaf – maar zelf had hij de vluchtelingen ondertussen ook een maand opvang aangeboden. Echter, alle begrip ten spijt: de tentenkampen werden ontruimd, en Teeven besloot Somaliërs toch weer uit te gaan zetten. Regels zijn regels, illegalen moeten weg en als ze niet uitzetbaar zijn, zoeken ze het zelf maar uit.

De landelijke en plaatselijke bestuurders vinden dat er niet veel anders op zit dan het beleid uit te voeren. Ze weten heel goed dat vreemdelingenbeleid nooit een leuk gezicht zal worden. Creon benadrukt dat hij het rottende vlees van Antigone’s broer net zo weerzinwekkend vindt als Antigone. Maar uiteindelijk moet beleid toch uitgevoerd worden, en dan liever een beetje netjes. ‘Het is gewoon mijn werk om deze wereld een beetje minder absurd te maken, als dat mogelijk is. Dat is geen avontuur, het is een alledaags vak en niet altijd leuk, zoals elk vak. Maar omdat ik er nu eenmaal ben om dat te doen, ga ik het doen.’ Bestuurders worden niet moe om uit te leggen dat degenen die opkomen voor rechteloze vluchtelingen wel moreel superieur lijken, maar dat ze dat niet zijn. En dat punt maken ze heel goed. Meer mensen in Nederland betekent meer mensen om dezelfde koek mee te delen, en raad eens wie dat het hardste raakt. Als we deze groep regulariseren, staat binnen de kortste keren een volgende groep op de stoep. De problemen van Afrika kunnen niet worden opgelost door kamperende asielzoekers in Nederland opvang te geven. Die actievoerders hebben het Grote Gelijk alleen in hun protest – maar waar is hun gelijk als het op oplossingen aankomt? Zoals Creon zegt: ‘Luister goed. Ik heb de slechte rol, dat is duidelijk, en jij de goede. En dat voel je. Als ik gewoon een goeie botte tiran zou zijn, hadden we al lang je tong uitgerukt, lichaamsdelen met nijptangen bewerkt, of je in een gat gegooid. Maar je ziet in mijn ogen iets dat twijfelt, je ziet dat ik je laat praten in plaats van mijn soldaten te roepen. Dus beschimp je me, je valt me aan zo veel je kunt. Maar waar wil je heen, kleine furie?’

Ook andere details uit het stuk zijn uit het leven gegrepen. Creon pepert Antigone in dat de broer die zij zo nodig moet begraven een waardeloze playboy was, vooral bezig met snelle auto’s en vrouwen. Hoe vaak is mij niet toevertrouwd dat er tussen de mensen die beweren uit Somalië te komen heus mensen uit Djibouti zitten. Ik reageer, gelijk Antigone, vooral niet. Ik loop al 25 jaar mee en was ook in het begin niet op mijn achterhoofd gevallen – ga nou gauw weg. En net als Creon zoeken nette bestuurders erkenning van de actievoerders voor het feit dat ook zij werkelijk het beste voor hebben met de protesterende asielzoekers.

Als je Anouilhs Antigone goed tot je laat doordringen, snap je de oprechtheid van de bestuurders beter. En ze hebben dan wel niet het mooie Grote Gelijk aan hun kant, maar wel een klein gelijk. Antigone grijpt de kansen die Creon biedt om de zaak op te lossen niet aan. Is ze daardoor (Groot Gelijk of niet) niet mede verantwoordelijk voor de tragedie waar het stuk op uitloopt?

Maar de burgemeesters in oorlogstijd zaten toch fout? Dat is in dit stuk niet het enige perspectief. Antigone is namelijk een gelijkhebberige actievoerder van het ergste soort. Als haar gevraagd wordt te begrijpen wat er aan de hand is, antwoordt ze dat ze er totaal geen zin in heeft om wat dan ook te begrijpen. Als Creon haar voorhoudt dat haar broer sowieso niet begraven zal worden, en dat de enige vraag is of ook zij zal sterven, zal dat haar worst wezen. Als Creon haar vraagt of ze soms vindt dat hij de regels niet moet handhaven, zegt ze dat ze het allemaal prima vindt, maar dat zij doet wat haar te doen staat. Weliswaar betaalt ze voor haar standpunt met haar leven, maar omdat ze op die manier de glansrol heeft lijkt ze dat op de koop toe te nemen. Of het offer dat ze brengt ook nog ergens goed voor is, weigert ze zich af te vragen. Ze zijn er heus: actievoerders die zich vastketenen en die een tikkeltje teleurgesteld zijn als ze alleen maar worden losgemaakt en honderd meter verderop weer vrijgelaten. Het is de romantiek van het vruchteloze slachtofferschap, ‘omdat iemand toch moet zeggen waar het op staat’.

In de context van de Duitse bezetting is Antigone’s halsstarrigheid goed te plaatsen. Soms moeten mensen onverzettelijk zijn, zinloos of niet. Maar uitgerekend in zo’n ultieme context: zou het niet nog fijner zijn als dat verzet ook nog eens effectief was? Iets waar Antigone boven staat omdat het haar alleen om de moraal te doen is.

Wat me, behalve haar stampvoetende gelijkhebberigheid, aan Antigone stoort is dat ze de regels die Creon toepast niet ter discussie stelt. Impliciet doet ze dat wel door zichzelf op te offeren voor de wens om haar broer te begraven. Maar ze had ook kunnen zeggen: waarom moet iemand die haar broer illegaal begraaft eigenlijk dood, kan dat niet wat minder? Of, beter nog: wie zegt eigenlijk dat iemand die hoogverraad heeft gepleegd niet begraven mag worden? Geef de ene broer een eervolle begrafenis en de andere ten minste een anoniem graf. Maar nee hoor, Antigone is zo bezig zich op te offeren dat ze voor deze details geen oog heeft.

Natuurlijk, als Antigone dit soort discussies met Creon aangaat, verwatert haar Grote Gelijk. Als ze haar Gesinnungsethik alleen nog als inspiratiebron gebruikt en overstapt naar Creons Verantwortungsethik, dan komt ze vast te zitten in hetzelfde moeras als Creon. Dat Creon na de zelfmoord van zijn zoon en echtgenote trouwhartig naar een vergadering gaat (‘het land moet geregeerd worden’) onderstreept anderzijds dat mensen die zich in alle oprechtheid richten op de Verantwortungsethik het niet altijd merken als ze echt een grens over gaan.

Het theaterstuk van Anouilh zet het dilemma van de alledaagse politiek op scherp. Ik identificeer me ondanks alles met Antigone. Ik lees het stuk als een waarschuwing dat een moreel vertrekpunt immorele uitkomsten kan hebben en ik hoop dat bestuurders ervan leren dat aansturen op de best mogelijke uitkomst immoreel wordt als die uitkomst domweg niet aanvaardbaar is. Ik ben een moralist die effect in de realiteit wil hebben; bestuurders zijn realisten die een moreel acceptabele uitkomst willen bereiken. We komen van verschillende kanten aanlopen, maar hebben uiteindelijk allemaal een verantwoordelijkheid.

In deze lezing van het stuk komen de vluchtelingen zelf niet in beeld. Als de Nederlandse sympathisanten Antigone zijn en de bestuurders Creon, dan zijn de vluchtelingen het niet begraven lijk. Het gaat daar wel de hele tijd over, maar we krijgen het niet te zien. Het gaat op den duur wel behoorlijk stinken.

Maar deze rol van rekwisiet past de asielzoekers niet. Weliswaar hebben hun sympathisanten de onbedwingbare neiging om namens hen te spreken en te beslissen, maar wat me een onstuitbaar goed humeur bezorgt, is dat de vluchtelingen ons als dat zo uitkomt zonder gêne onderuit halen. In november kwam een aantal organisaties namens de tentenkampers naar buiten met een plan voor een gebouw, maar binnen een paar uur lieten de woordvoerders van de vluchtelingen via de pers weten dat ze daar op dat moment niets in zagen. Even wennen voor zaakwaarnemers: het zaakje praat terug.

De rol van Antigone zit de vluchtelingen evenwel als gegoten. Tot op heden hebben zij als strategie zichtbaarheid en onbeweeglijkheid gehad. Zij gingen in het openbaar op hun krent zitten. Met succes: ze maakten zo een probleem dat in het Nederlandse asielbeleid zit ingebakken prachtig zichtbaar. Kwam de politie ze ontruimen? Ze lieten zich wegdragen. Werden ze binnen twaalf uur weer op straat gezet? Ze gingen in een bushokje tegenover het politiebureau zitten (de overheid doet niet eens meer alsof ze ons willen uitzetten). Dat is Antigone: hier ben ik, en beste Creon, zoek maar uit wat je met me aanmoet. De vluchtelingen spelen de rol net zo overtuigend als José Ruiter destijds, en net als in 1979 zijn heel wat mensen gegrepen door hun vertolking.

Bovendien: als we de vluchtelingen de rol van Antigone toebedelen, komt het machtsverschil met Creon veel scherper in beeld. Omdat het toneelstuk een tragedie is, zijn alle personages radertjes in een machine die onontkoombaar uitloopt op het treurige einde. Maar het is wel Creon die de regels vaststelt en uitvoert. Als sympathisant zou ik Antigone dringend aangeraden hebben om de regels ter discussie te stellen, maar zou het een zier uitgemaakt hebben? Uiteindelijk heeft Creon de touwtjes in handen. Hij probeert Antigone ervan te overtuigen dat zij uit haar rol moet stappen. Maar om de bekende afloop af te wenden zal ook Creon dat moeten doen.

Thomas Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam


Beeld: Lucy Wood- ViciniLontani, 2012/ Upstream Gallery