Kijken

Voor de tempel

Schrijvers zijn in staat alles wat ze in de werkelijkheid vinden te gebruiken in hun werk. Schilders kunnen dat ook, maar die doen het met alles wat ze zien. En sommigen zien meer dan anderen.

Giotto, Intocht in Jeruzalem, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

In de reeks van Giotto’s schilderingen in de Arena-kapel verscheen ergens ook een strak georganiseerd, hard fresco. Het toont een incident van plotselinge opwinding en verwarring. Voor de tempel ontwaart Jezus handelaren van offerdieren en geldwisselaars. Er was eigenlijk altijd zo’n markt. Nu ineens stoort het hem, die verontreiniging van wat heilig moet zijn. Kwaad ging hij de wisselaars te lijf en joeg ze weg van het plein. De plotselinge woede verbaasde de omstanders in het fresco. Jezus was toch een zachtaardige jongeman? De driftige scène volgde direct op die met De intocht in Jeruzalem. Dat was een gebeurtenis met een heel ander majesteitelijk karakter. Die optocht vond plaats tegen een achtergrond van vriendelijk landschap en groene heuvels.

Het opvallende verschil in stemming en de atmosferische verbeelding tussen de twee fresco’s komt, denk ik, door de inzichtelijke manier waarop Giotto verhalen over allerlei onderwerpen tot zich nam en begreep. Hij stond bekend om de scherpe blik waarmee hij de werkelijkheid waarnam. Van een droge vertelling kon hij, omdat hij er nog zoveel bij zag een levendige voorstelling maken. Hij had de ruime fantasie om een verhaal tegelijk ook te zien als beeldvertelling. Het hielp dat hij vriendschappelijk verkeerde met meesterverteller Dante. Dat meesterschap betrof een uitzonderlijk talent om wat hij in de werkelijkheid gezien had ook levendig in vertellingen onder te brengen. De verbeelding van de dichter werd alerter omdat het vertellen, overal in de Divina Commedia, door visueel realisme werd aangescherpt. Dante zag dingen die hij zich herinnerde: zo werd zijn verbeelding, die van de schrijver, veel concreter.

Ineens verandert de stemming. Schilderen gaat stugger

Aan het begin bijvoorbeeld van Inferno, canto 22, vertelt hij van militaire bedrijvigheid die hij van nabij had meegemaakt: Wel vaker heb ik ruiters op zien breken/ ten aanval stormen, voor ’n parade zien/ verzamelen of voor ’n aftocht om zien keren// Men hoort trompetten, soms gelui van klokken/ en trommels, ziet signalen op de burcht. Dit vertelde hij ter vergelijking bij wat hij moest beschrijven als een raar getoeter waarmee, in de hel, een ruig gezelschap van tien duivels bezig was zondaars te pijnigen. Zij moesten ze terugduwen in kokend teer. Schrijvers gebruiken alles wat ze kunnen vinden, schilders als Giotto doen dat met alles wat ze zien. Zo kwam er meer werkelijkheid in hun verbeelding.

Jezus was langere tijd in Galilea onderweg geweest. Daar predikte hij in gewone taal, werd populair bij het volk, genas zieken en deed wonderen. Toen kort voor Pesach, staat in het Evangelie van Johannes, ‘reisde Jezus naar Jeruzalem. Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver.’

Giotto, Christus verdrijft de handelaren uit de tempel, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

In het volle verhaal was dit een moment van verwarring en onverwacht handgemeen. Doorgaans waren de fresco’s van Giotto in Padua vrij rustig en beschouwelijk van toon. Dat wilde de aard van de meeste vertellingen. Vlak voor deze scène met rumoerig gebakkelei op het plein had Giotto het fresco met de intocht in Jeruzalem geschilderd. Dat was een feestelijk maar geenszins vrolijk beeld. De plechtige intocht wordt beschouwd als het begin van de Passie. De terugkeer van Jezus in Jeruzalem betekende het begin van zijn dood aan het kruis.

Er is een vreemd verstilde opbouw in het verloop van de deftige optocht. In streng profiel zit Jezus op de sierlijk stappende ezel. Hij zit iets hoger naar achteren, statig als op een troon. Hij nadert de hoge stadspoort. Eerbiedige, nieuwsgierige mensen drommen naar buiten om de heiligman te begroeten. Ze tuimelen naar voren. Er zijn er die buigen en hun mantel uittrekken. Ze spreiden die voor de ezel die er zachter over kan lopen. Jezus maakt een gebaar met zijn hand dat tegelijkertijd begroeting en zegening betekent. Achter hem volgt een dichte groep discipelen. Hun ernst is vol stilzwijgen. Jongens klimmen in palmbomen om takken te plukken en om de trage tocht beter te zien.

Als de stoet de stad dan binnenkomt komen ze bij de tempel. Langs de rand rechts op het ene fresco zien we een smal stuk van de stadspoort. De bouw schuift verder in het volgende fresco en sluit aan op de hoge, hoekige vorm van de tempelgevel. Met dat strenge blok architectuur is het plein onverbiddelijk vol. Ineens verandert de stemming. Schilderen gaat stugger. Het wordt grimmiger. Jezus is aan het vechten. Tafels liggen omver. Dieren zoeken een heenkomen. Helemaal rechts staan priesters bij elkaar te overleggen: van die Jezus moeten we af, onberekenbaar.


PS. Dante heb ik geciteerd in de vertaling van Rob Brouwer, Primavera Pers, Leiden, 2016