Voor dromers en filmliefhebbers

Brian Selznick
De uitvinding van Hugo Cabret
Uit het Engels vertaald door Gert van Santen
Mynx, 543 blz., € 19,95 (9-90 jaar)

‘Stel je voor dat je in het donker zit, zoals in een bioscoop wanneer de film begint.’ Zo wordt Brian Selznicks verrassende De uitvinding van Hugo Cabret ingeleid. ‘Op het scherm zie je de zon opkomen. Je zoomt in op een treinstation in het centrum van de stad en je zweeft via de deuren een drukke hal binnen. Tussen de mensen zie je een jongen door het station lopen. Je gaat hem achterna, want het is Hugo Cabret, en zijn hoofd zit vol geheimen. Zijn verhaal begint hier.’

Dan volgen 55 sfeervolle, geheimzinnige houtskooltekeningen die een stomme film suggereren. Eerst zie je alleen een wazige maan, midden in een ‘papieren’ inktzwarte nacht. De fictieve filmcamera zoomt uit en in en in en uit. Tovert rondom de maan een sterrenhemel met daaronder de stad Parijs – te herkennen aan de Eiffeltoren – die geleidelijk aan ontwaakt. In het oosten, schuin achter (vermoedelijk) Gare du Nord, komt de zon groot op.

Mensen spoeden zich naar de ingang. Te voet. Of met taxi’s, die verraden dat het rond 1930 is. Eenmaal met de haastige mannen en vrouwen met hoeden naar binnen geglipt, bevind je je in een overvolle met rook gevulde stationshal. In de mensenmassa ontwaar je een smoezelig uitziend jongetje. Van dichtbij toont hij zijn pientere gezicht. Hij kent zijn weg in het Franse kopstation en loopt trappen op en af. Steekt zonder vrees, tussen de ontzagwekkend hoge pilaren en komende en gaande stoomtreinen door, het perron over en gaat een schemerige gang in tegenover een speelgoedkiosk waarachter een oude, vermoeide man zit. Daar verwijdert hij een ventilatierooster, verdwijnt in het gat en laat de man achter. Die is in gedachten verzonken. Tuurt naar een van de grote stationsklokken en merkt niet op dat een oog vanachter de ‘5’ van de klok zijn handelingen volgt.

‘Vanaf zijn plekje achter de klok kon Hugo alles zien’, vervolgt het verhaal dan in woorden. ‘Zijn vingers wreven zenuwachtig over het notitieboekje in zijn zak, maar hij zei tegen zichzelf dat hij geduld moest hebben.’

Geen schrijver, geen illustrator, geen verhalenmaker die het gouden principe van show, don’t tell zo slim heeft toegepast als de Amerikaan Selznick – tot zijn creatie van Hugo Cabret in eigen land vooral bekend als illustrator – in dit dikke, betoverende boek. Zijn cinematografische verteltechniek is uniek: zo eenvoudig en effectief. Hoe kan het dat niemand eerder heeft bedacht film en boek in een ‘shaker’ te doen? (Alleen alleskunner Joke van Leeuwen verdient hier met haar eigenzinnige woord- en beeldverhalen wel enige credits.)

Woord en beeld zijn prachtig in evenwicht (kwantitatief én kwalitatief) en verhalen samen beurtelings over het ontroerende weesjongetje Hugo, zoon van een klokkenmaker, die zich tot levensdoel heeft gesteld de door zijn overleden vader bewonderde maar kapotte automaton (een complexe opwindfiguur die kan schrijven of tekenen) te repareren aan de hand van aantekeningen in diens notitieboekje. Hopend, tegen beter weten in, op een boodschap in het handschrift van zijn vader en verdrijving van zijn eenzaamheid.

Met De uitvinding van Hugo Cabret bewijst Selznick zich als dubbeltalent. Zijn taalgebruik is net zo ongekunsteld en treffend als zijn tekeningen en heeft eenzelfde filmisch effect. Hugo is zijn ‘levende camera’ die in- en uitzoomt en alles wat er in het ‘krochtige station’ gebeurt nauwkeurig registreert. Vanuit zijn duistere woonplek in een van de dikke stationsmuren en vanachter de hoge stationsklokken die hij sinds de onverklaarbare verdwijning van zijn ‘oom de Klokkenmeester’ aan de praat houdt, heeft Hugo bijvoorbeeld ‘het gevoel dat ze [alle mensen die zich voorbij haastten, op weg naar duizend verschillende plaatsen] radertjes waren in een complexe bewegende machine. Maar dat van dichtbij, in de drukte, alles alleen maar lawaaierig en onsamenhangend leek.’

Moeiteloos volg je de ogen en wederwaardigheden van de jongen, die, nadat hij ten behoeve van de reparatie van zijn automaton speelgoedonderdelen uit de eerder genoemde speelgoedkiosk heeft gestolen, verwikkeld raakt in het mysterieuze leven van de oude speelgoedverkoper (wie is deze man eigenlijk?) en diens kleindochter en daarmee in de wondere wereld van de eerste films.

Geleidelijk verandert Hugo’s mooie, spannende kinderavontuur in een buitengewoon oorspronkelijk eerbetoon aan vroege films als L’arrivée d’un train à la Ciotat (1895) van de gebroeders Lumière, Safety Last (1923), met Harold Loyd bungelend aan de grote wijzer van een gevelklok en vooral Le voyage dans la lune (1902) van Georges Méliès, die vóór zijn filmcarrière vermaard goochelaar was en zijn leven eindigde als speelgoedmaker/-verkoper.

Selznick schetst overtuigend een betoverende tijd. Een tijd waarin filmmakers nog ‘uitvinders van dromen’ waren. En het moet gezegd: Selznick lijkt op die eerste filmmakers. Zijn boek verandert je ontegenzeggelijk in een ware dromer. In een tovenaar, avonturier, reiziger of illusionist. In iemand die gelooft in wat hij is en kan.