‘voor een prikkie’ joods bezit aan ambtenaren verkocht

MAANDAGMIDDAG 8 december. Ronald Florisson, directeur Voorlichting van het ministerie van Financiën: ‘Ik heb er geen woorden voor. De eerste berichten zijn werkelijk onthutsend. We weten dat jullie iets op het spoor zijn waarover wij pas enkele uren geleden informatie kregen. Het is ons nog niet helemaal duidelijk, maar er is met de joodse bezittingen niet netjes omgegaan. Het gaat om ontzettend laakbaar gedrag.’

Florisson weet dan nog niet precies wat De Groene Amsterdammer uit verschillende bronnen al wel weet: dat er joods bezit, in de oorlog gestolen en na de oorlog teruggevonden, door Nederlandse ambtenaren aan Nederlandse ambtenaren verkocht is. Voor een prikkie: tegen de taxatiewaarde die aangenomen werd in 1958 te gelden. Betrokkenen waren in dienst van het Agentschap dat de bezittingen beheerde.
De eerste die ons op het spoor zette, was een oud-medewerker van het Agentschap. De oud-medewerker: ‘Er kwam een nasleep van de joodse schadeclaims. Er werd in het Duits gecorrespondeerd en het ging om vrij hoge bedragen. Ik heb daar vreselijke dingen gezien. Het was een vuil zaakje.’
De directeur van het Agentschap in die dagen was de heer P.J.H.J. Stulemeijer. Rechterhand van Stulemeijer was Sondag. Dan werkte er nog een mijnheer J. Stevens, verantwoordelijk voor het archief.
De oud-medewerker: 'In het gebouw waren sieraden en goud en zilver van de joden aanwezig, afkomstig van Lippmann-Rosenthal. Overgebleven van de joden die waren vermoord en niets hadden teruggeëist. Ik weet niet om hoeveel het ging. Op een gegeven moment heeft Stevens georganiseerd dat het voor het personeel tentoongesteld werd. Daarop is het voor een prikkie verkocht aan het personeel van het Agentschap en van de Raad voor Rechtsherstel.’
De reden voor de oud-medewerker om het verhaal nu te vertellen, is diens nooit verminderde afschuw van de koortsachtige opwinding die de onderlinge verkoop op het Agentschap teweeg bracht. 'De tentoonstelling werd ook aan mij bekend gemaakt. Het vervulde me met afschuw. Ik heb gezegd: “Hoe dúrven jullie zoiets te verkopen! Hoe dúrf je de kostbare oorbellen van mensen die vermoord zijn in je oren te stoppen!” Had het aan de joden gegeven. Die hadden het gekoesterd omdat hun lotgenoten omgekomen zijn.
De dag van de verkoop ben ik weggelopen - ik kon het niet verdragen. De spullen werden uitgestald en voor een prikkie verkocht. Mijn collega’s lieten elkaar zien wat ze hadden gekocht. Iemand kwam naar mij toe met mooie oorbellen. Ze was zo blij als ik weet niet wat. Ze stond ermee te dansen. Er was een koffiejufrouw die daarna altijd met goud liep. Natuurlijk wisten de mensen die kochten dat het allemaal van de joden afkomstig was. Deze mensen hadden geen gevoelens.’
De medewerker meent zich te herinneren dat de besloten veiling begin jaren zeventig plaatsvond. Uit andere bron weten wij dat het in 1968 of 1969 geweest moet zijn.
OP DINSDAGMORGEN 9 december bevestigt Ronald Florisson namens het ministerie van Financiën dit verhaal. Het ministerie is met man en macht de vermoedens van de vorige dag gaan natrekken en tot dezelfde bevinding gekomen als wij. Woordvoerder Florisson: 'Er zal een diepgaand onderzoek worden ingesteld. Wij weten nu dat er inderdaad rond 1968-1969 een verkoop onder het personeel heeft plaatsgevonden tegen de taxatiewaarden van 1958. Wij moeten deze informatie zo gauw mogelijk bekendmaken aan de Tweede kamer. Anders komt woensdag De Groene uit en is er donderdag geen minister van Financiën meer.’
Vorige week meldde De Groene Amsterdammer de vondst van een deel van het zogeheten Liro-archief, waarin de Duitse roofbank Lippmann-Rosenthal zeer precies de gestolen joodse goederen administreerde. Het archief werd aangetroffen in een door kraakwachten bewaakt pand aan de Amsterdamse Keizersgracht. Aangenomen werd dat het door slordigheid en vergeetachtigheid in het verder lege pand was achtergelaten. Is dat wel zo? Of kwam het ambtenaren van het Agentschap van Financiën goed uit dat de kaarten sinds de jaren zeventig niet meer voor nader onderzoek beschikbaar waren?
EEN OUD-MEDEWERKER die tientallen jaren op het Agentschap werkte, vertelt over de komst van directeur Stulemeijer: 'Stulemeijer beheerde een pand op de Keizersgracht alwaar de Raad voor Rechtsherstel en de Stichting '40-'45 zaten. Hij was er directeur. De nalatenschap en het goud van de joden werden daar bewaard. Het gevonden archief stond daar ook. Toen dat kantoor werd opgeheven, kwam Stulemeijer op het Agentschap. Hij nam de helft van het personeel van de Raad voor Rechtsherstel mee. Wij roken dat er wat mis was.’
Deze ex-medewerker zag hoe in 1959 op het Agentschap het Centraal Afwikkelingsbureau voor Duitse Schade-uitkeringen (Cadsu) aan de slag ging. De doelstelling was tweeledig: het claimen van materiële schade in Duitsland door joodse slachtoffers van de vervolging. Later kwam daarbij de verdeling onder joodse slachtoffers en verzetslieden van 125 miljoen Duitse marken voor geleden immateriële schade. Stulemeijer was het eerste jaar hoofd van het bureau. Na een jaar, in 1960, werd hij benoemd tot agent van het ministerie van Financiën en directeur van de Grootboeken der Nationale schuld te Amsterdam.
De medewerker meent zich te herinneren dat de besloten veiling begin jaren zeventig plaatsvond. Stulemeijer gaf zijn fiat, Sondag voerde het uit en Stevens verborg het archief. 'Stulemeijer bleef en Stevens kreeg een hoger baantje. Toen Stulemeijer wegging bleek dat hij een ontzettende chaos had achtergelaten. Dossiers en mensen waren verschrikkelijk behandeld. Er zijn toen mensen gaan praten en het ministerie is ingelicht. Sondag ging met ziekteverlof.’
Stevens moffelde als archivaris het archief weg in een lade. Bij de verhuizing in 1979 gingen aandelen, effecten en grootboeken mee. Volgens de oud-medewerker liet Stevens het archief moedwillig achter in het oude pand: 'Hij had iets te verbergen. Als het archief is afgesloten, moet je het officieel overdragen. Alles wat het agentschap afsluit, moet naar het ministerie. Dan wordt het doorgerekend door de Algemene Rekenkamer. Als dat gebeurd was, hadden ze gezien dat er nog veel goud en zilver over moest zijn.’
Volgens de oud-medewerker werden de kaartjes weggestopt in de hoop dat ze ooit als oud materiaal zoude worden vernietigd.
STULEMEIJER IS dood, Sondag is dood. Maar Stevens leeft nog. Sinds een half jaar is hij weg bij het Agentschap.
Stevens: 'Die kaarten, dat was het enige wat er nog was. Mijnheer van der Leeuw van het Riod vroeg er wel eens inlichtingen over. Ik dacht altijd dat het allemaal van geringe waarde was hoor.’
Kleine dingetjes?
'Ja, het zijn allemaal kleine dingetjes. Daar heb ik nog wel eens over gehoord.’
Veel sieraden en zo?
'Ja.’
En u beheerde al die oude archieven van Lippmann-Rosenthal?
'Nee, die waren allemaal in Den Haag. Dat kon voor die meneer van het Riod via het Agentschap worden opgevraagd. Dat gebeurde heel weinig. Ik geloof dat die dossiers zeker al een jaar of twintig à vijfentwintig geleden zijn vernietigd omdat er helemaal niets meer mee te doen was.’
Hoe kunnen deze kaartjes dan nu nog bestaan?
'Die waren de enige waar nog een enkele keer iemand van het Riod om kwam vragen. Een meneer van de LVVS heeft ze bij zich gehouden.’
Wie was die meneer?
'Dat weet ik echt niet meer.’
Stond het misschien in de kelder van Herengracht 410?
'Dat denk ik. Of die meneer heeft het altijd bij zich gehouden. In die andere kasten zat helemaal niets. Dat waren kasten van het Waarborgfonds Rechtsherstel die feitelijk nooit zijn gebruikt.’
A. J. van der Leeuw van het Riod bevestigt dat er sieraden zijn overgebleven. Wij hebben vernomen dat nog af en toe een verkoop werd georganiseerd. Klopt dat?
'Daar weet ik niets van.’
Weet u ook of er nog sieraden over waren?
'Nee… absoluut niet.’
Die heeft u nooit gezien?
'Nee, die heb ik nooit gezien.’
Er zou een veiling annex verloting hebben plaatsgevonden onder het personeel? 'Dat weet ik allemaal niet.’
Het zou gaan om kleine dingetjes als ringetjes en oorbellen.
'Ik weet niet wat daar is georganiseerd.’
In de joodse gemenschap heeft de heer Stevens een goede naam. Een tijd lang heeft hij het archief van gestolen meubelen in zijn eigen garage opgeslagen gehouden. Toen het Joods Maatschappelijk Werk het van hem overnam, kreeg hij als dank een gesloten enveloppe.
NAUWKEURIGE bestudering van de archiefkaartjes die uit het Liro-bestand afkomstig zijn, levert aanwijzingen op dat er met het teruggevonden goed inderdaad vreemd gehandeld zou kunnen zijn. Op verschillende archiefkaarten staan kleinodiën en andere waardevolle zaken vermeld waar geen koper aan verbonden is. In kele gevallen staat daarbij in rode inkt gestempeld: 'aanwezig’ en 'kluis’. Dat betekent dat op het Agentschap zaken verkocht zouden kunnen zijn als gouden armbanden, gouden oorhangers met robijntjes, gouden trouwringen, een collier met 'turquoisen en paarlen’, twee ijzeren kruizen uit 1914, alsmede een verguld oorlogsverdienstekruis, een broodmes met verguld heft met 'joodsch opschrift’ en een olieverfschilderij op paneel in lijst, getiteld 'Oude burchten’ (waarde: honderd gulden).
Na de oorlog werd Lippmann-Rosenthal-Sarphatistraat omgedoopt in LVVS - Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat - om verwarring met de bonafide joodse bank Lippman-Rosenthal & Co, gevestigd in de Nieuwe Spiegelstraat, te voorkomen. Tijdens de liquidatiewerkzaamheden bleek de bank nog sieraden en en andere waardeartikelen in huis te hebben. De achtergebleven 'goederen, sieraden e.d.’ werden door de LVVS overgedragen aan het Waarborgfonds Rechtsherstel, zo is te lezen in het LVVS Eindverslag van 1958.
Vanaf dat moment zijn de waardeartikelen niet meer te traceren. De dossiers worden overgedragen aan Cadsu, de organisatie die zich vanaf 1959 bezighoudt met de afwikkeling van joodse claims. In het eindrapport van het Cadsu wordt nergens gerept van achtergebleven sieraden en andere waardeartikelen. Het rapport meldt dat claims worden uitgekeerd op grond van taxaties aan de hand van beschrijvingen van sieraden.
HET TERUGGEVONDEN deel van het Liro-archief is niet het enige materiaal dat licht werpt op het overgebleven goud en zilver. Ook de archieven van het LVVS zouden daarover uitsluitsel kunnen geven. Op 550 van de 1200 kaarten die De Groene bestudeerd heeft, staan stempels van het LVVS ('geverifieerd’), waaruit blijkt dat de liquidatoren althans met een deel van de kaarten heeft gewerkt.
Het ministerie van Financiën meldt dat het LVVS-materiaal na 1958 is vervoerd naar een pand in Den Haag. Volgens eerdergenoemde Stevens behoorde dat toe aan een verhuisbedrijf. Stevens weet zeker dat LVVS-bescheiden zijn vernietigd. Weet het ministerie dat ook? Florisson: 'Met toestemming van de rijksarchivaris is een groot deel van het LVVS-archief vernietigd. Wat er nog over is, zijn stukken die betrekking hebben op weggevoerd huisraad en effecten.’ Materiaal dat betrekking heeft op achtergebleven kleinodiën, opgesteld op grond van de Liro-cartotheek, is dus hoogstwaarschijnlijk prijsgegeven aan de versnipperaar.
Een reconstructie: Eind jaren zestig, als alle claimbehandellingen achter de rug zijn, heeft directeur Stulemeyer van het Agentschap nog de beschikking over een bulk sieraden en waardevolle voorwerpen. In plaats van dat bekend te maken, en in plaats van rekening te houden met de belangstelling van komende generaties, organiseert het Agentsschap een onderhandse verkoop. Mogelijk gemaakt door de onzorgvuldige omgang alsmede vernietiging van archieven en dossiers, kraait geen haan naar het verkoopfeestje op Financiën.
PROFESSOR Lipschits, die herhaalde malen vergeefs naar de Liro-cartotheek informeerde bij het ministerie van Financiën, zag afgelopen week ter redactie van De Groene Amsterdammer de kaarten in. 'Toen ik ze eens goed bekeek, zag ik dat spullen zonder nota waren verkocht. Bij mij rees, net als bij jullie, het vermoeden dat waardevolle voorwerpen bij medewerkers van het Agentschap terecht zijn gekomen. Deze reconstructie schokt mij zeer.’