Profiel: Hans Verhagen

Voor een vrij en kleurrijk leven

Hans Verhagen houdt al ruim vier decennia zijn vinger aan de pols van de tijd. Wie zijn loopbaan — als journalist, filmer, schilder en bovenal dichter — volgt, krijgt als vanzelf een beeld van de maatschappelijke en culturele veranderingen die ons land heeft ondergaan. Bovendien liep Verhagen op verschillende ontwikkelingen vooruit. En plotseling beëindigde hij zijn bezigheden, die abrupt werden onderbroken door periodes van schijnbare stilte. Veelzeggend is de titel van een VPRO-reportage uit 1970: Waar is Hans Verhagen?

Het zal met zijn grilligheid te maken hebben dat Verhagen weinig eerbetoon heeft ontvangen. Maar dit jaar is dat ineens anders. Zijn verzamelde gedichten zijn verschenen onder de titel Eeuwige vlam. Er is een tentoonstelling in het Letterkundig Museum, die vergezeld wordt door een «schrijversprentenboek» en een dvd. En onlangs ging het filmportret Ontdrifting in première.

Het is verre van traditie dat een Nederlandse schrijver of dichter zich werkelijk openstelt voor de tijdgeest. De naoorlogse literatuur lijkt zich doorgaans aan het tijd gebondene te willen onttrekken. Op uitzonderingen na natuurlijk worden plaats- en tijdsaanduidingen liefst zo vaag mogelijk gehouden. Bezigheden van personages zijn van alle tijden. Voor zover nieuwsfeiten een rol spelen, zijn ze zelden herkenbaar voor de lezer. Pas als er afstand is tot het heden, zoals in de vele oorlogs- en Bildungsromans, wortelt de handeling sterker in haar tijd. De uitzonderingen — De avonden, De tandeloze tijd, Gimmick! — zijn niet voor niets klassiekers.

In de Nederlandse poëzie is het abstractieniveau nog hoger. Terwijl de moderne Angelsaksische poëzie een sterke politieke en maatschappelijke traditie heeft, blijven de meeste Nederlandse dichters liefst binnenskamers. Hans Verhagen onderscheidt zich niet alleen doordat hij de actuele werkelijkheid toelaat in zijn werk, bovendien weet hij die te verheffen en er zijn persoonlijk stempel op te drukken.

Hans Verhagen, geboren te Vlissingen in 1939, begint rond zijn twaalfde gedichten te schrijven. Iets later ontdekt hij de bebop en gaat hij altsaxofoon spelen. Het is zijn manier om een eigen, vrije wereld te scheppen. Voor school heeft hij weinig interesse, diploma’s haalt hij niet. Dankzij bemiddeling van zijn vader wordt hij journalist. Hij begint in 1959 bij het Algemeen Dagblad de jongerenrubriek Pagina Q, waarin hij de opkomende jeugdcultuur signaleert. Verhagen loopt daarmee voorop in de Nederlandse dagbladpers.

Hij raakt in deze periode bevriend met de dichters C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar, die verbonden zijn aan het literaire tijdschrift gard sivik. Verhagens experimentele en eigentijdse gedichten passen goed bij de signatuur van het blad. Hij treedt toe tot de redactie.

Met Vaandrager en Sleutelaar maakt hij gard sivik tot spreekbuis van een belangrijke nieuwe stroming in de Nederlandse poëzie. De «Bende van Vier» — inclusief Armando, die zich tot de ideoloog ontwikkelt — wil af rekenen met het aloude cliché van de dichter als gevoelig kunstenaar, die zich boven de banaliteit van alledag verheft. De schrijver moet als een journalist worden: iemand die registreert en informatie verstrekt. Toch is Verhagen een wat halfslachtige representant van gard sivik. Terwijl zijn drie bendegenoten in hun gedichten de nieuwe consumptiemaatschappij volop toejuichen, is hij eerder een dichter van tegenstellingen en ambiguïteit. Uit de cyclus Hans Verhagen & Zn.: «Deze mensen gaan hun bewegingen niet na noch/ de beweegreden van hun bewegingen/ : deze mensen bewegen// En daarmee is alles gezegd/ wat zij zeiden,/ maar zij zeiden niets.»

In 1963 verschijnt Verhagens eerste volwaardige bundel Rozen & motoren onder groot enthousiasme. Hij wordt gezien als verkondiger van een nieuwe, moderne poëzie. «Zulke stemmen komen één of hoogstens tweemaal in een eeuw voor», schrijft dichter en criticus Hans Warren. Kenmerkend voor Rozen & motoren is de cyclus Het nieuwe Zeeland, waarin Verhagen het land van zijn jeugd beschrijft als modern industriegebied. De vooruitgang fascineert hem, maar hij geeft zich er niet aan over: «En luister// de fabriekshal, waar de afd. Staalbewerking/ concerteert./ U staat bewonderend stil. Ik leef verder — // Buiten mezelf.» Verhagen zoekt een verbinding tussen het eigentijdse en zijn romantische behoefte om het alledaagse te ontstijgen. Dat zal zijn hele artistieke loopbaan zo blijven.

Verhagen wordt redacteur bij de Haagse Post, waar zijn maten Armando en Sleutelaar eveneens werkzaam zijn. De HP-principes vertonen veel overeenkomsten met die van de poëzie uit gard sivik. Het onderscheid tussen «hoge» en «lage» cultuur wordt ook bij HP niet gemaakt. De journalist is onbevooroordeeld, eerder nieuwsgierig dan kritisch, en maakt zijn persoonlijke opvattingen ondergeschikt aan het geven van informatie. HP is in die dagen een spannend en onbevangen weekblad. Verhagen geniet van zijn vrijheid en schrijft vele reportages.

Als dichter begint hij zich echter bekneld te voelen. Met zijn zelfstandige debuut heeft hij een groot succes bereikt, maar met zijn mederedacteuren moet hij een ideologie uitdragen. Die spanning is voelbaar in de laatste gard sivik. Het omslag toont een verkeersbord met een dikke streep door «50»: de tijd van de gekunstelde, dichterlijke Vijftigers — Kouwenaar, Campert — is voorbij. Verhagens bijdrage, de cyclus Televisie, is een optimistische maar grillige ode aan het nieuwe medium. Hij vraagt zich hardop af wat zijn rol als dichter moet zijn, nu televisie een overrompelende hoeveelheid informatie beschikbaar maakt. «Dichter? Soms weet ik werkelijk niet/ of ik nu zwijgen moet of kijken.» Verhagen staat op een kruispunt.

In 1965 wordt gard sivik opgevolgd door De Nieuwe Stijl. De vier dichters publiceren er zeer sterk eigen materiaal in, maar de onderlinge chemie raakt uitgewerkt. Verhagen ergert zich aan de dogmatische uitspraken van zijn mederedacteuren. Hij vindt dat ze het banale al te zeer verheerlijken, en is uitgekeken op de ver doorgevoerde zakelijkheid. De Nieuwe Stijl verschijnt slechts twee keer, daarna gaat ieder zijn eigen weg.

De «jaren zestig» barsten halverwege het decennium pas echt los. Verhagen gaat na een korte Rotterdamse periode in Amsterdam wonen, waar de nieuwe tijd het hevigst woedt. Na de soberheid rond De Nieuwe Stijl is de kleurrijke, optimistische sixties-cultuur voor hem een verademing. In de tiendelige cyclus Cocon (1967) is er nog sprake van Nieuwe Stijl-principes, maar tegelijk is er de suggestie van iets hogers, van iets levensbeschouwelijks. Het voorwoord spreekt met zelfspot van «kwasi-mystiek gepaard aan misbruik van technische termen». Dan verschijnt een jaar later Verhagens tweede volwaardige bundel Sterren cirkels bellen, waarin psychedelica hand in hand gaan met uiterst precies taalgebruik. Verhagen heeft zich opengesteld voor de nieuwe tijd, maar niet langer met het koele oog van de journalist. Er is meer ruimte om het leven te ondergaan: «En je ervaart/ de prachtigste producten in de prachtigste verpakkingen.» De soms euforische gedichten zijn in een strenge vorm gegoten; vaak beslaan ze slechts enkele korte regels.

Verhagen wordt producer van Dragonfly, de eerste Nederlandse «flower power»-popgroep. En de VPRO vraagt hem een tv-jongerenprogramma op te zetten: Hoepla, dat hij maakt met Wim T. Schippers en Wim van der Linden. Het is meteen spraakmakend. In Hoepla aflevering 2 (1967) verschijnt fotomodel Phil Bloom naakt in beeld. De commotie is enorm. Er worden kamervragen gesteld en tot over de landsgrenzen wordt geschreven over het historische televisiemoment. De VPRO staakt de Hoepla-uitzendingen na drie afleveringen.

Een periode van introspectie begint. Verhagens huwelijk met Conny Tavenier, zijn jeugdliefde, begint onder spanning te komen. Conny heeft psychische problemen en keert met hun zoontje Norman voor onbepaalde tijd terug naar Vlissingen. Verhagen verdiept zich in de bijbel en het boeddhisme. Hij maakt diverse reizen naar het Verre Oosten, die hij bekostigt door goud te smokkelen. Hij begint zich te identificeren met Jezus, die in India in een visioen aan hem verschijnt. De VPRO-reportage Waar is Hans Verhagen? toont hem wit gekleed, met lang haar en een baard, afgezonderd in een huisje op het Walcherse platteland. Hij krijgt het gevoel deel uit te maken van een totaliteit. In latere interviews zal hij deze religieuze periode in verband brengen met zijn zoektocht naar verbindingen — iets wat al valt terug te voeren tot zijn debuut Rozen & motoren.

De periode van afzondering duurt niet lang, maar het hoger bewustzijn is van blijvende invloed. In 1971 verschijnt Verhagens derde dichtbundel, Duizenden zonsondergangen, die voor een deel in het Verre Oosten is geschreven. De lyrische, soms mystieke gedichten hebben vaak betrekking op de verwijdering van Conny, iets waar Verhagen zich machteloos tegenover voelt staan. Zijn werk is persoonlijker geworden, en tegelijkertijd is er het besef van de eigen nietigheid: «Verbonden met voeten verslaafd aan vergaan/ moet ik leren stilstaan, ik/ die het maken moet, moet zelf gemaakt worden.» Ditmaal is het publiek even enthousiast als de kritiek: Duizenden zonsondergangen beleeft vijf drukken. De NOS zendt een «televisievertaling» uit van de bundel, met ballet en een koor onder leiding van Louis Andriessen.

De problemen met Conny blijken onoplosbaar. Ze heeft psychotische aanvallen en is in toenemende mate onbereikbaar voor Verhagen. Herhaaldelijk probeert Conny zich van het leven te beroven; in 1986, na een lange lijdensweg, slaagt ze daarin. Verhagen vlucht in werk en in toenemend drugsgebruik. Heroïne helpt hem, naar eigen zeggen, door de moeilijkste tijd van zijn leven.

Voor het VPRO-tv-programma Het gat van Nederland maakt hij veelgeprezen reportages met een typerend oog voor detail en het drama van het alledaagse. Later wordt hij zelfstandig programmamaker en komt er een eigen talkshow, Verhagen-Cadabra, maar eigenlijk is hij klaar met zijn televisiewerk. De drugs hebben hem uitgewoond, hij voelt zich vervreemd van zichzelf en zijn omgeving. Begin jaren tachtig is hij eindelijk van de heroïne af. Maar methadon en drank hebben de lege plek ingenomen. Hij zit financieel aan de grond en een langdurige relatie, met Doré Steenman, loopt op haar einde. Toch is er plotseling weer de zin om gedichten te schrijven. Verhagen hervindt zijn discipline en matigt zijn habits. Het resultaat is Kouwe voeten (1983), de eerste nieuwe dichtbundel in twaalf jaar. Verhagen geeft zich bloot in veelal stemmige bespiegelingen over het verlies van de liefde. De ontvangst is verdeeld, iets wat hij niet eerder heeft meegemaakt.

Hij begint make-up te gebruiken, wat hij later bestempelt als de voorloper van een volgende stap: hij leert zichzelf schilderen. Al snel volgen succesvolle exposities. De kleurrijke, expressieve schilderijen kunnen gezien worden als reactie op de grauwheid van de jaren tachtig. Door hun intuïtieve karakter en doordat ze nauwelijks te rubriceren zijn, sluiten ze als vanzelfsprekend aan bij zijn eerdere uitingsvormen.

Verhagen werkt vanaf nu alleen. Hij voelt zich vrij en zijn productiviteit is groot. Hij schrijft een indrukwekkende reeks dichtbundels, waarvan het veelgeprezen Quasi-kamikaze (2002) de meest recente is. De dit voorjaar verschenen verzamelde gedichten Eeuwige vlam bevatten ook nieuw werk.

Verhagens poëzie is rijker dan ooit. Het lijkt alsof zijn eerdere disciplines, en de onderwerpen die hij daarin belichtte, in zijn nieuwe gedichten samenkomen. Het zelfonderzoek en de zucht naar bevrijding; de onthechte waarneming van het alledaagse en de mystieke hang dat te ontstijgen — het is er allemaal. Hij legt verbindingen en laat zich niet categoriseren.

Het engagement blijft onveranderd. Verhagen reageert op zijn tijd op eigen, onmiskenbare wijze. In de nieuwe cyclus Citadel beschrijft hij de huidige wereld als een torenhoge burcht waarin hebzucht en volgzaamheid de boventoon voeren. Het is misschien wel de belangrijkste constante in Verhagens werk: zijn verzet tegen uniformiteit, het grootste obstakel voor een vrij en kleurrijk leven. «Men doet er niets mee/ dat niemand hier is afgedwaald/ (…) Zing dan, Citadel! En hemel, hou zee.»

Ontdrifting, filmportret van Hans Verhagen (regie Matte Mourik), ging onlangs in première tijdens GDMW 03, het festival voor de nieuwe letteren te Rotterdam. Ontdrifting wordt nog vertoond op diverse literaire festivals, onder meer Spraakmakers (SLAU): 7 november in Utrecht, en De Wintertuin: 23 november in Arnhem en 26 tot 30 december in Nijmegen