Profiel: Anton de Kom

Voor een vrij Suriname

De Surinaamse schrijver en verzetsstrijder Anton de Kom bleef lang vergeten, tot hij werd opgenomen in de hernieuwde canon van de Nederlandse geschiedenis. Het was De Koms levensdoel om de Surinaamse bevolking te bevrijden van koloniale onderdrukking.

Het is een warme avond in oktober 2006 als wij in Paramaribo een gesprek voeren met Armand Zunder. Zunder houdt zich als Surinaams econoom bezig met het berekenen van herstelbetalingen die Nederland aan Suriname zou moeten betalen voor de uitbuiting van het land ten tijde van de koloniale periode. Na een boeiend gesprek over Haïti, waar de zwarte bevolking de blanke Franse overheersers had verdreven en het land in 1804 tot vrije republiek had uitgeroepen, kwamen we op ons eigenlijke onderwerp: Anton de Kom. Zijn eerste opmerking was echter: ‘Hoe zouden jullie het vinden als ik een boek over Willem van Oranje zou schrijven?’ Die houding, dat het not done was als bakra’s (Nederlanders) een biografie over De Kom zouden schrijven, waren we al eerder tegengekomen.

Nadat wij als inwoners van de Bijlmermeer Anton de Kom ontdekten, waren we geboeid geraakt door zijn intrigerende persoonlijkheid: geboren in 1898 in Paramaribo en in april 1945 gestorven in het Duitse concentratiekamp Sandbostel. Welk drama had zich in dat leven afgespeeld, vroegen wij ons af, en waarom was er nog geen biografie over deze Surinamer geschreven?

Algauw bleek dat alle pogingen om een biografie over De Kom te schrijven waren gestrand. Dat had voor een deel te maken met het feit dat er van hem erg weinig informatie in de vorm van brieven of dagboeken bewaard gebleven was. Maar een belangrijke oorzaak was ook dat De Kom vooral in Suriname sterk gepolitiseerd was. Na de staatsgreep van 1980, die door Desi Bouterse en de militaire machthebbers werd omgedoopt tot ‘revolutie’, hadden Bouterse en zijn politieke medestanders De Kom naar voren geschoven als hun revolutionaire voorganger. Er kwamen buttons waarop Anton de Kom en Desi Bouterse met de tekst ‘revo’ samen werden afgebeeld en De Koms portret verscheen rond 1986 zelfs enige jaren op de Surinaamse bankbiljetten.

Tegenstanders van Bouterse voerden De Kom evenzeer als hun held in het vaandel: hij had gestreden voor vrijheid van zijn volk, zoals zij nu streden om Suriname van Bouterse te bevrijden. In 1983 was op instigatie van politieke medestanders van Bouterse de universiteit van Suriname hernoemd als ‘Anton de Kom Universiteit van Suriname’, wat weer bij anderen kwaad bloed zette: De Kom was geen wetenschapper. Wie zich in Suriname aan een biografie waagde, vond hoe dan ook tegenstanders op zijn weg. De scheidslijnen tussen voor- en tegenstanders verdeelden zelfs families.

Ondanks die tegenstellingen heeft Anton de Kom nooit aan belangstelling ingeboet. De laatste tijd wordt hij in Nederland vooral genoemd door actievoerders in de discussie over het doorwerken van het slavernijverleden, racisme, discriminatie en etnisch profileren. Wij slaven van Suriname staat nu zelfs op de bestsellerlijst en De Kom is in de canon van de Nederlandse geschiedenis opgenomen. Wat al zijn bewonderaars gemeen hebben, is dat zij vaak slechts één aspect van De Koms gedachtegoed benadrukken, wat onrecht doet aan zijn veelzijdige persoonlijkheid.

Anton de Kom groeit op in een gezin waarvan de vader nog in slavernij is geboren, maar zijn moeder behoort tot de al eerder vrijgelaten of vrijgekochte slaven, wat haar tot een zelfbewuste vrouw maakt. Voor iemand uit een familie met een slavernijverleden geniet Anton een goede vooropleiding. Hij volgt met succes de mulo, de hoogst mogelijke middelbare-schoolopleiding in Suriname in die dagen. Na de mulo behaalt hij een boekhouddiploma en zet zich als werknemer van de Balata Compagnie al jong in voor de balatableeders, arbeiders die onder erbarmelijke omstandigheden de balata (grondstof voor rubber) van de bomen aftappen. Hij leert hun onder meer hoe zij kunnen controleren dat ze daadwerkelijk uitbetaald krijgen waarop ze recht hebben.

Maar De Kom is ambitieus en zijn donkere huidskleur is een belemmering voor zijn carrière in het koloniale Suriname, waar de betere banen worden ingenomen door witte Hollanders, terwijl de nazaten van de voormalige slaven en de later ingevoerde contractarbeiders alleen zwaar en laagbetaald werk doen. Bovendien geldt: hoe donkerder de huidskleur, hoe minder het aanzien. Later zou De Kom schrijven dat een klasgenote niet met haar broertje wilde wandelen omdat deze een tint donkerder was dan zij.

Wellicht dat Nederland hem meer kansen biedt. Maar daar aangekomen blijkt het ook daar moeilijk om werk te vinden. Uiteindelijk vindt hij een betrekking bij de Haagse firma Reuser & Smulders, handelaren in koffie en thee. Daar ontmoet hij Petronella (Nel) Borsboom, met wie hij in januari 1926 trouwt. Een deel van haar familie vindt het maar niets dat Nel met een zwarte man trouwt en als de broer van Nel Anton bij de eerste kennismaking een hand geeft, veegt hij na het handenschudden zijn hand demonstratief af aan zijn broek.

Den Haag is de stad waar veel Indië-gangers wonen. De stad telt veel Indische verenigingen en sociëteiten. Slechts een enkeling kijkt kritisch tegen ‘ons Indië’ en het koloniale bewind aan. Dat zijn vooral studenten uit Nederlands-Indië die hier studeren en in Den Haag lid zijn van de vereniging ‘Perhimpoenan Indonesia’. Zij vertegenwoordigen hier een Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Het koloniaal bewind in dat land staat daarnaast ook op de agenda van protestvergaderingen van de sectie Nederland van de Liga voor Imperialisme en Koloniale Overheersing, een internationale solidariteitsbeweging van linkse intellectuelen die banden heeft met Moskou.

Als Anton de Kom bijeenkomsten van de Indische studenten en de Liga bezoekt, komt hij in contact met David Wijnkoop van de Communistische Partij Holland, op dat moment de enige antikoloniale partij in Nederland die de leuze, ‘Indonesië, los van Holland nu’ voert. De Kom krijgt als Surinamer vanaf 1929 de kans te gaan schrijven in de Communistische Gids, het partijorgaan waarvan Wijnkoop redacteur is. De Kom houdt de lezer vanaf dat moment op de hoogte van de sociale misstanden in Suriname. Samenvattend is zijn conclusie steeds: de oude slavernij is na de afschaffing vervangen door een nieuwe.

De tekst in de nieuwe canon luidt dat De Kom communistische vrienden krijgt, maar dat kan de lezer op het verkeerde been zetten. De Kom zoekt zelf aansluiting bij mensen als Wijnkoop omdat zij dezelfde politieke visie hebben op het kolonialisme. Het zijn zeker in het begin geen vrienden maar politieke medestanders.

Sinds 1927 werkt De Kom aan een ambitieus plan. Hij wil de geschiedenis van Suriname herschrijven vanuit het perspectief van de voormalige tot slavernij gedwongen Afrikanen en vanuit het perspectief van de contractarbeiders, en niet vanuit dat van de koloniale overheerser. Daarvoor zit hij uren in de Koninklijke Bibliotheek, waar hij de meer dan 850 pagina’s tellende Geschiedenis van Suriname van Julien Wolbers bestudeert. Wolbers is een negentiende-eeuwse amateur-historicus die al in een vroeg stadium pleitte voor afschaffing van de slavernij. Daarnaast zoekt De Kom de hulp van de linkse schrijver Jef Last, met wie hij via de Liga in contact is gekomen. Samen met Last werkt hij aan de eerste versie van zijn boek. Deze eerste versie, zo zal later blijken als hij het manuscript herschrijft, staat dankzij Jef Last vol met communistisch jargon. Als het boek af is probeert De Kom het manuscript tevergeefs uit te geven en voorlopig geeft hij het in bewaring bij Gerard Vanter, een redacteur van het communistische dagblad De Tribune.

Ondertussen probeert hij al sinds 1929 terug te keren naar West-Indië. Dat jaar solliciteert hij naar een betrekking op Curaçao en als hij wordt afgewezen schrijft hij een brief aan de gouverneur van Suriname, Rutgers, met een plan een voormalige plantage te gebruiken voor landbouw. Hoewel hij succes heeft met zijn werk als vertegenwoordiger en zelfs een kleine auto rijdt, en hoewel hij in linkse kringen door zijn lezingen en artikelen in de Communistische Gids een bekende en gewaardeerde persoonlijkheid is, verlangt hij toch naar zijn vaderland.

Als de canon stelt dat ‘de autoriteiten’ in Suriname Anton de Kom gevangen zetten, verdoezelt dat de rol van de Nederlandse overheid

In tegenstelling tot wat veelal wordt gedacht, is De Kom geen lid van de cph en heeft hij geen interesse in de Sovjet-Unie, laat staan in de interne cph-perikelen. De heilige plicht die een lid heeft om aan de besluiten van die partij te gehoorzamen en de directieven van de Komintern (Communistische Internationale) – waar de Russen de dienst uit maken – te volgen, is in strijd met zijn vrijgevochten karakter. In zijn teksten verwijst hij nooit naar de Russische revolutie, want als pacifist wijst hij een gewelddadige revolutie af.

Dat pacifisme blijkt later, als hij zijn kinderen verbiedt met soldaatjes te spelen. Bij zijn arrestatie in Suriname roept hij het volk op geen geweld te gebruiken en als tijdens zijn verblijf in Suriname Djoeka’s (De Kom gebruikt de benaming voor alle marrons) aanbieden om wapens op zijn erf te brengen, wijst hij dat af. De communisten geven hem een podium en hij is het eens met hun visie op het kolonialisme, namelijk dat dit stoelt op uitbuiting, onderdrukking en rechtsongelijkheid tussen rassen. Daarbij legt De Kom als het om slavernij gaat de nadruk op uitbuiting van het proletariaat door het kapitalisme. Om die reden maakt hij ook nauwelijks verschil tussen de tot slavernij gedwongen Afrikanen en de later ingevoerde Aziatische contractarbeiders.

Anton de Kom in Hoensbroek, 1921, bij vrienden uit zijn korte Huzaren-tijd © Familie archief

Het warme onthaal bij zijn vele geestverwanten staat in schrille tegenstelling tot de bejegening daarbuiten. De moeder van Nel en haar zus hebben hem in hun hart gesloten, maar haar broers hebben van meet af aan moeite met hun donkere zwager en laten zich in zijn Haagse woning niet zien. Op straat wordt hij nagekeken en als er in zijn buurt wordt ingebroken wordt hij voor verhoor meegenomen naar het politiebureau. Het contact met zijn linkse kennissen blijft beperkt tot ontmoetingen buiten de deur. Daar is echtgenote Nel mede debet aan: zij moet niets van politiek hebben. In 1932 verneemt hij dat zijn moeder ziek is, waardoor zijn plannen terug te keren naar zijn vaderland in een stroomversnelling komen.

Als Anton de Kom naar Suriname vertrekt, heeft hij het plan zijn boek uit te geven op een laag pitje gezet. Vanaf de dag dat hij in Suriname aankomt, wil hij het anders aanpakken: hij wil zijn boodschap in een aantal openbare lezingen direct overbrengen aan de Surinamers. Daarmee wil hij de Surinaamse bevolking bewust maken van een groots verleden van verzet tegen de koloniale overheerser. Hij moet bij zijn vertrek hebben geweten dat hij gevolgd werd. Bij iedere lezing in communistische kring, of dat nu voor achttien of zeshonderd toehoorders was, zaten de rapporteurs van de Centrale Inlichtingendienst (cid), die inlichtingen verzamelden over mensen en organisaties die als staatsgevaarlijk werden gezien. De Nederlandse overheid vreesde sociale onrust en zelfs een dreigende revolutie. In Indonesië waren er in 1926 en 1927 op Java en Sumatra opstanden, aangezet door de Partai Komoenis Indonesia (pki). Reden voor de cid om een speciale belangstelling aan de dag te leggen voor communisten en Indonesische studenten die in Den Haag politiek actief waren. In 1929 komt ook ‘de West-Indiër De Kom’ in het vizier van de dienst. Van ieder optreden waarbij hij zich laat zien wordt een notitie gemaakt.

Het is aan die overdreven angst voor de communisten, de daaruit voortvloeiende activiteiten van de cid en uiteindelijk een actie van de minister van Koloniën zelf te danken dat De Koms verblijf in Suriname gedoemd was te mislukken. Als hij eind december 1932 met zijn gezin scheep gaat op weg naar Paramaribo, stelt de inlichtingendienst de minister van Koloniën op de hoogte van het feit dat een ‘gevaarlijk communist en fel revolutionair agitator’ onderweg is naar Suriname en dat het zeer zeker te verwachten is dat hij in Paramaribo actie zal gaan voeren tegen het gezag. Daarop zendt de minister een telegram naar de gouverneur van Suriname. Het gevolg is dat De Kom vanaf het moment dat hij voet aan wal zet wordt gevolgd door een aantal politieagenten met geladen pistool.

Vanaf de eerste dag verbiedt de koloniale overheid hem lezingen te houden. Op zoek naar een oplossing voor zijn probleem stuit De Kom op een totaal andere misstand: de onrechtvaardige behandelingen die de Javaanse contractarbeiders moeten ondergaan. Velen van hen verlangen naar huis, want hun was beloofd dat zij na vijf jaar recht hadden op terugkeer naar hun vaderland. Maar die belofte was vaak op slinkse wijze afgekocht, zonder dat de betrokkene dat kon beseffen. Hij trekt zich dit onrecht aan, zoals hij zich als jonge man het onrecht had aangetrokken dat de balatableeders werd aangedaan. Hij hoopt door een politieke actie, als een petitie, bij de koloniale overheid recht te halen voor deze Javanen. Achteraf kan gesteld worden dat De Kom zich op de politieke situatie in Suriname heeft verkeken. In het democratische Nederland kan David Wijnkoop in de Tweede Kamer ongestraft ‘Indonesia merdeka’ (Indonesië vrij), roepen, in Suriname is iets dergelijks ondenkbaar. De kolonie kent nog niet eens politieke partijen en de ontluikende arbeidersbeweging wordt met argusogen gevolgd.

Zonder enige vorm van proces wordt De Kom gearresteerd en opgesloten in Fort Zeelandia. Tijdens het protest dat daarop uitbreekt, opent de militie het vuur op de menigte en vallen er twee doden en 22 gewonden. De Kom zit opgesloten in een donkere kerker, waar de ratten over zijn benen lopen. Gruwelijk, zeker voor een man die zozeer op zijn uiterlijk en kleding gesteld was. Voedsel wordt hem gebracht door een kennis, want De Kom vreest dat het voedsel dat de gevangenisbewaarders hem brengen vergiftigd is.

Uit angst voor verdere rellen laat de koloniale overheid De Kom drie maanden na zijn arrestatie vrij. Op 12 mei 1933 wordt hij met zijn familie op de boot naar Nederland gezet. De door het koloniale bewind aangevoerde reden voor zijn arrestatie, poging tot omverwerping van het gezag, wordt niet ingetrokken. De gouverneur zelf maakt De Kom duidelijk dat hij niet van vervolging is ontslagen.

Er was dus wel wat meer aan de hand dan een lezer uit de tekst van de canon zou kunnen opmaken. Als de canon stelt dat ‘de autoriteiten’ in Suriname de lezingen van De Kom verbieden en hem gevangen zetten, verdoezelt dat de rol van de Nederlandse overheid. Communisten werden als revolutionair en dus potentieel staatsgevaarlijk beschouwd. De minister van Koloniën en in Suriname de gouverneur, vertegenwoordiger aldaar van de koningin, hebben persoonlijk de opdracht gegeven de acties van De Kom te dwarsbomen. Als het koloniale bewind ertoe overgaat De Kom vast te zetten, vergeet de canon te vermelden dat die detentie plaatsvindt zonder enige vorm van proces.

De Kom als werknemer van een Haagse koffiefirma, foto waarschijnlijk genomen toen hij 25 gulden won voor de hoogste omzet van 1928 © Familie archief

Terug in Nederland wordt Anton de Kom door de leden van de cph als een held binnengehaald en korte tijd is hij druk met het geven van lezingen. Maar zijn oude werkgever wil de ‘communistische agitator’ niet meer terug en sollicitaties lopen op niets uit. Als hij nog maar kort in de werkverschaffing zit, ontvangt hij op 1 september 1933 tot zijn verrassing een brief van Gillis Pieter de Neve, uitgever van de Vrijbuiter (later Contact) om het contract voor de uitgave van zijn boek te tekenen. Op 12 september volgt er een tweede brief, waarin de uitgever De Kom voorstelt het manuscript van Wij slaven van Suriname te redigeren en persklaar te maken. Kort na zijn aankomst was De Kom nog met Jef Last bij de uitgever geweest om over de publicatie te spreken, maar na enkele maanden had hij de hoop op uitgave opgegeven.

In de maanden die volgen werkt De Kom met De Neve aan de redactie van het boek. Uit de briefwisseling met de uitgever tussen september en december blijkt dat hij zich vrijwillig en met overgave aan het herschrijven van het manuscript zet. Naast een tiental pagina’s, dat geschrapt wordt, voegt De Kom zelf een groot aantal pagina’s toe.

Wij slaven van Suriname is een aanklacht tegen het koloniale bewind, zowel ten tijde van de slavernij als na de zogeheten ‘bevrijding’, een woord dat De Kom cynisch tussen haakjes zet. De blanke overheerser heeft de Surinamers niet alleen mishandeld en geëxploiteerd, maar hen ook systematisch een gevoel van minderwaardigheid aangepraat. Toch kent de geschiedenis ook slaven die zich niet schikten in dat lot: de weglopers die zich in de wildernis hadden verschanst en om hun vrijheid te behouden een bloedige strijd met de kolonisator hadden gestreden.

Op dit punt herschrijft De Kom letterlijk de geschiedenis van zijn land. Deze opstandelingen, in de ogen van de kolonisator ‘gespuis’, waren feitelijk de helden van het Surinaamse volk. De Kom geeft ze stuk voor stuk een gezicht: guerrillastrijder Boni, de ‘schrik der blanken’; Sery, de vrouw die met fonkelende ogen tegenover de blanke aanvoerder staat, ‘geen gil kwam over haar lippen’. Het zijn de voorbeelden waaraan de Surinamers zelfrespect kunnen ontlenen, want ook in zijn tijd ‘noemt en prijst het koloniale onderwijs nog uitsluitend de zonen van een ander volk’ – De Kom weet het uit ervaring. Als de ‘bevrijding’ eenmaal daar is worden de contractarbeiders op hun beurt uitgebuit door de kolonisator en zijn zij in de ogen van De Kom niets anders dan de nieuwe slaven van Suriname.

De communisten vermoeden door de cid opgelegde censuur, maar als De Neve hun de teksten met communistisch jargon toestuurt, blijken zij geen van allen bereid het lege taalgebruik van de geschrapte pagina’s te publiceren. Maar het kwaad is geschied: er is gerept over censuur, en bovendien zegt Last dat hij het boek Wij slaven van Suriname heeft geschreven, hetgeen hij later intrekt, maar wat tot in lengte van dagen tot misverstanden over het auteurschap van het boek zal leiden.

Van censuur was echter geen sprake. De cid rapporteert na publicatie van het boek in 1934 dat het boek vol staat met ergerlijke teksten over de slavernij, maar dat de dienst niets strafbaars heeft geconstateerd. Kort voor de uitgave van Wij slaven van Suriname, dat in linkse kringen redelijk goed verkoopt (2500 exemplaren), komt De Kom in contact met Otto Huiswoud, een Surinamer die zich in Amerika heeft gevestigd en daar deel uitmaakt van de arbeidersbeweging van Afro-Amerikanen. Zij delen de visie dat raciale onderdrukking voortvloeit uit kapitalistische uitbuiting. Huiswoud geeft The Negro Worker uit, een internationaal blad dat wordt gesubsidieerd door de Komintern. Met medewerking van De Surinaamse arbeidersbond wordt het blad vanuit Nederland enige tijd naar het buitenland gedistribueerd. Via Huiswoud krijgt De Kom ook contact met Nola Hatterman, een schilderes die bij voorkeur donkere modellen schildert.

Voor Bouterse was De Kom de antikoloniale revolutionair. Maar De Kom zou het geweld dat het militaire regime gebruikte stellig hebben afgewezen

In 1934 publiceert De Kom op verzoek van Huiswoud een artikel in The Negro Worker, getiteld ‘Misery and Starvation in Surinam’. De strekking ervan komt overeen met passages in de Communistische Gids, maar explicieter dan voorheen roept De Kom op tot de onafhankelijkheid van Suriname. De Kom kan ook in verband gebracht worden met het verzet tegen rassendiscriminatie. Dat was al eerder gebleken, in 1932, toen hij zich vol overgave inzette voor de zaak van de Scottsboro Boys, die draaide om negen Afro-Amerikaanse jongens die door een geheel blanke jury ter dood werden veroordeeld voor een verkrachting die zij niet hadden gepleegd. Deze vorm van klassenjustitie trok wereldwijd belangstelling en De Kom toerde in dat jaar met lezingen over dit onrecht door het land.

De Koms vrouw Nel Borsboom met drie zonen (baby Judith slaapt vermoedelijk) op weg naar Suriname, 1932 © Familie archief

Na 1936 valt de interesse voor Anton de Kom echter steeds meer weg. Het opkomend fascisme en nationaal-socialisme eist in linkse kringen alle aandacht op. Ondanks dat gebrek aan belangstelling werkt De Kom door aan een veel breder project dan zijn boek Wij slaven van Suriname. Hij schrijft verhalen, een filmscenario en kinderverhalen, maar die worden niet gepubliceerd omdat hij steeds geïsoleerder raakt en zijn uitgever begint te wantrouwen. De Kom denkt dat de uitgever geld achterhoudt.

In de tijd dat wij aan zijn biografie werkten, tussen 2004 en 2009, was dat werk verdwenen, weggeraakt. De studenten uit Suriname, Rubia Zschuschen en Paul Day, die samen met Ruben Lie Paw Sam het boek van De Kom in de Leidse Universiteitsbibliotheek herontdekten, hadden zijn weduwe bezocht en het werk uit de jaren dertig meegenomen. In een interview in 2005 vertelde Lie Paw Sam ons dat zij het werk hadden veiliggesteld. Ze wilden de teksten uitgeven, zoals zij ook een roofdruk hadden gemaakt van Wij slaven van Suriname. Bij het overtikken van de eerste vier schriftjes van de in totaal negentien schriftjes en een bundel grote vellen A3-papier met teksten ontdekten zij echter tot hun schrik dat de stijl van het werk sterk afweek van dat van Wij slaven van Suriname. Bovendien waren de teksten uiterst eenvoudig geschreven. Het vermoeden rees dat De Kom Wij slaven van Suriname toch niet zelf had geschreven en om zijn naam te beschermen besloten zij de teksten te verbergen. Nadien was het werk spoorloos en er was geen zicht op dat het ooit nog terug zou komen.

In het najaar van 2007 ontvingen wij volstrekt onverwacht een telefoontje van Delano Veira, vicevoorzitter van Ons Suriname, met het verzoek op zondag langs te komen in het verenigingsgebouw en een fototoestel mee te nemen. Het verloren werk van De Kom was – gestimuleerd door het feit dat wij aan de biografie werkten – boven water gekomen en die zondagmiddagsessie was door Hugo Kooks en Delano Veira speciaal belegd voor ons biografen. Wat wij aantroffen was indrukwekkend. De teksten roken in de verste verte niet naar de tropen. Het werk had kennelijk jarenlang in het archief van Ons Suriname gelegen. Daar lag Ons bloed is rood, de tekst die de studenten zo aan het schrikken had gemaakt; Om een hap rijst, helaas incompleet, twee van de vier schriftjes hadden het overleefd; Ba Anansi, kinderverhalen over de spin Anansi, met drie illustraties van de hand van Nola Hatterman; en ook Tjiboe, het verhaal in boekvorm van De Koms levenswerk: het filmscript Oost is Oost en West is West.

Uit een van de schriftjes van Ons bloed is rood vielen wat strookjes papier met tekstaanwijzingen die De Kom zichzelf gaf. Veelvuldig lazen wij hierop ‘kortere zinnen schrijven’. Ons bloed is rood, een titel die geïnspireerd is door een passage uit Mon frère noir van de begin jaren dertig veelgelezen Madeleine La Paz, vertelt het verhaal van de Surinaamse marronstrijder Kwakoe, die zich verzet tegen het kolonialisme. Het verhaal is geschreven als een stuiversroman en was duidelijk bedoeld voor de minder geletterde Surinamer, om kennis te nemen van de Surinaamse helden uit het verleden. Deze doelstelling van De Kom was de Surinaamse studenten indertijd ontgaan en zij verborgen de teksten dus ten onrechte.

Om een hap rijst beschrijft hoe marrons samen met hindoestanen strijden tegen een valse plantagehouder. Opvallend is de scène waarin een marronstrijder de politiecommandant van Paramaribo toespreekt en hem erop wijst dat zij samen strijden met de hindoestanen. Als bewijs van de waardering voor hun cultuur stelt hij dat de gedichten van Tagore in de Surinaamse cultuurtuin geplaatst moeten worden.

De Anansi tori, verhalen over de spin, is een verzameling met kinderverhalen die De Kom zijn kinderen voor het slapen gaan vertelde. Anansi is van Afrikaanse herkomst, maar de setting is Surinaams, zoals in het verhaal van ‘Purperhart en de rode mieren’. De Purperhart is een Surinaamse boomsoort en verbeeldt het kolonialisme dat wreed en arrogant heerst. Als een vlinder op zijn blad neerdaalt, schudt de boom het beestje van zich af zodat het gewond aan de voet van de boom ligt. De vlinder wordt opgevangen en verzorgd door de rode bosmieren die gezamenlijk aan de wortels van de boom beginnen te knagen, net zo lang tot de boom ziek wordt en omvalt. De strekking spreekt voor zich.

Tot slot liggen daar verschillende versies van een ambitieus filmscenario. Het eindresultaat is een compleet uitgewerkt scenario over de marron Tjiboe. Er is een zekere overeenkomst tussen Tjiboe en Anton de Kom. Zo slaapt Tjiboe in dezelfde kamer in het Zeevaarthuis in Amsterdam als De Kom nadat hij in Nederland aankomt. Net als De Kom trouwt hij een witte Nederlandse vrouw. Deze vrouw is echter van goede komaf. Zij vergelijkt Tjiboe met de mannen op het schilderij Twee Moren van Rembrandt. Tjiboe krijgt een kind bij haar, maar hoeveel Tjiboe ook van zijn gezin houdt, de liefde voor zijn vaderland, Suriname, is groter. Uiteindelijk keert Tjiboe terug naar de bossen van Suriname. De film is met zijn melodramatiek een typisch voorbeeld van zijn tijd en doet soms denken aan het werk van Herman Heijermans, wellicht ook door het altijd aanwezige socialistische thema. De Kom werkt jaren aan dit script, in verschillende versies, en heeft heel zijn hoop gevestigd op de verfilming, maar het lukt hem niet een producent te vinden.

Sticker ten tijde van de ‘revo‘, Anton de Kom en Desi Bouterse © Familie archief

Na 1938 gaat het snel bergafwaarts met De Kom. Terwijl de cid meldt dat er weinig meer van hem wordt vernomen, denkt hij zelf nog steeds dat hij wordt gevolgd. De armoede en de achterdocht naar de overheid zorgen dat hij instort en eind 1939 wordt hij opgenomen in de Ramaerkliniek in het Haagse Loosduinen. Na een slaapkuur keert hij in maart 1940 opgefrist terug naar zijn gezin, maar kort daarna breekt de oorlog uit. In het najaar van 1940 wordt De Kom benaderd door een oude kennis, Nico Wijnen, om voor het verzetsblad De Vonk te schrijven. Daarnaast blijkt uit interviews met onder meer Jan Rot dat hij deelneemt aan praatgroepen, met als onderwerp de vraag hoe Nederland er na de oorlog moet uitzien. Zijn hoop: de koloniën worden zelfstandig en hij zou dan kunnen terugkeren naar Suriname.

Maar het lot beslist anders. In het najaar van 1944 wordt hij gearresteerd. De Haagse Inlichtingendienst (omgedoopt tot Documentatiedienst), die De Kom altijd heeft gevolgd, bestaat voor het grootste gedeelte uit nsb’ers. De bestanden van de Inlichtingendienst worden overgedragen aan de Duitse bezetter en later fuseert de Documentatiedienst met de Sicherheitsdienst. De Kom is als communist bekend bij diverse infiltranten in Den Haag en doet zoals gezegd ook verzetswerk. De precieze gang van zaken is onduidelijk, maar dat er een verband is tussen de verziekte ambtelijke collaboratie in Den Haag en zijn arrestatie is hoogstwaarschijnlijk. De Kom wordt gedeporteerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waar ook veel andere communisten zijn ondergebracht, en sterft onder mensonterende omstandigheden in het kamp Sandbostel.

Abusievelijk vermeldt de canon dat De Kom sterft in Neuengamme. Sandbostel, waar hij omkomt, is echter geen onderdeel van dat kamp. Als de geallieerden in april 1945 in Duitsland oprukken, wil de stad Hamburg uit vrees voor imagoverlies van het kamp Neuengamme af. Het wordt ontruimd en een deel van de gevangenen, onder wie Anton de Kom, wordt vervoerd naar het kamp Sandbostel, dicht bij Bremervörde.

Ook lang na de oorlog komt De Kom niet van het stigma af dat hij een communist was. Zo noemt onze nationale geschiedschrijver Loe de Jong hem in zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog nog een ‘communistische agitator’.

Na zijn dood werd De Kom veelvuldig gebruikt als boegbeeld voor verschillende bewegingen en actiegroepen. Voor de Surinaamse studenten uit de jaren zestig was hij een bron van inspiratie die bij hen leidde tot meer bewustwording van een eigen Surinaamse identiteit. Dat past in een tijd waarin gedachten over dekolonisatie opkomen. Zij benadrukken daarbij dat De Kom oproept tot organisatie. Na de onafhankelijkheid volgt in de jaren tachtig in Suriname de coup van Bouterse. Voor Bouterse was hij de revolutionair, met een antikoloniaal programma. Maar De Kom zou het geweld dat het militaire regime gebruikte stellig hebben afgewezen. Het verzet tegen Bouterse, dat zich in Nederland onder meer concentreert in de loson (Landelijke Organisatie van Surinamers in Nederland) en haar navolger, vindt dat Bouterse De Kom misbruikt. Deze mensen, vaak uitgeweken na de Decembermoorden in 1982, benadrukken dat het militaire regime van Bouterse ondemocratisch is, terwijl De Kom stond voor menselijke waardigheid, rechtvaardigheid en politieke vrijheid.

Hij streed in de eerste plaats voor een vrij Suriname met een volk dat een eenheid vormt van Afro-Surinamers en de nazaten van de contractarbeiders. Zij moeten samen met andere onderdrukte volken ‘de koloniale vesting omverlopen’, zoals hij schrijft. Hoe dat concreet moest gebeuren wordt niet duidelijk, want in de praktijk had Anton de Kom geen uitgesproken politiek programma. Maar zijn gedachtegoed vormt wel een samenhangend geheel, dat hem tekent als socialist. Hij wil het volk ontwikkelen en organiseren. In dat licht kan ook het werk van De Kom verklaard worden. Voor de ongeletterde (Ons bloed is rood), voor de kinderen (Anansi tori), voor het volk (Om een hap rijst) dat de eenheid van alle etnische groeperingen benadrukt. Voor het volk wil hij ook de bewondering voor de eigen geschiedenis stimuleren (Wij slaven van Suriname). Ten slotte spreekt hij zijn liefde voor het land uit in zijn filmscript (Oost is Oost en West is West).

Op het terrein van de Anton de Kom Universiteit van Suriname staat een borstbeeld van De Kom, vervaardigd door Erwin de Vries. Volkomen terecht is op de sokkel daarvan die ene zin uit Wij slaven van Suriname gebeiteld. ‘Geen volk kan tot volle wasdom komen dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’ Uit De Koms werk blijkt dat het zijn levensdoel was om daar verandering in te brengen.


Alice Boots en Rob Woortman schreven Anton de Kom: Biografie 1898-1945/1945-2009, die verscheen bij AtlasContact