Rascha Peper, Wie scheep gaat

Voor eeuwig dobberend

Rascha Peper

Wie scheep gaat

Uitg. L.J. Veen, 478 blz., € 19,90

Van de schrijvers die in de jaren negentig debuteerden, is Rascha Peper een van de beste. Sinds haar debuut, de verhalenbundel De waterdame (1990), publiceert zij in gestaag tempo verhalen, romans en novellen die opvallen door hun beheerste stijl en duidelijke thematiek. Haar nieuwe roman, Wie scheep gaat, getuigt in zijn brede opzet van haar groeiend vakvrouwschap. Beheerst, duidelijk vakvrouwschap… Voor je het weet heb je iemand tot «vaardig verteller» bestempeld, een categorie schrijvers die nogal eens bespottelijk gemakzuchtig wordt weggezet. De vaardige vertelwijze van Peper dwingt wat mij betreft zonder meer respect af. Punt. Wel zocht ik voor het eerst tevergeefs in haar werk naar een tegentoon, iets dat blijft knagen ook als je het boek uit hebt. Wie scheep gaat is een onberispelijke roman, en in die zin misschien een echte Peper.

Over dat laatste heb ik lang nagedacht de afgelopen week. Net als over de zin waarmee ik deze recensie begon, en dan met name het laatste woord. Om daarmee te beginnen: wanneer ben je een goede schrijver, zelfs beter dan vele andere? Als het je lukt om je eigen persoon als schrijver zo uit te vlakken dat «slechts» de roman rest, als wonder van technisch vernuft en verhalende kracht? Of als je in iedere zin het karakter van de schrijver leest, die op onnavolgbare wijze uit zijn eigenste obsessies peurt?

Rascha Peper is de koningin van de ingehouden hartstocht. Haar personages zijn op een afgeleide manier heftig; ze volharden in een verlangen dat niet kan worden vervuld en gaan daaraan, «deep down», ten onder. Vaak is haar hoofdpersonage een man van middelbare leeftijd, die zich na verlies te hebben geleden als een eenling moeizaam door het leven beweegt. Alleen in Oesters (1991), haar eerste roman, is de protagonist een vrouw, dertigster, getrouwd met een diplomaat en treurend over een verloren geliefde. In een interview een aantal jaren geleden verklaarde Peper (overigens een pseudoniem) dat zij bij voorleessessies nooit heeft kunnen voorlezen uit deze roman. «Te moeilijk.» De romans die ze hierna schreef, Rico’s vleugels (1993), Russisch blauw (1995) en Een Spaans hondje (1998) zijn duidelijker ontsproten aan de verbeelding en deels gebaseerd op documentatie. Vier jaar geleden verraste ze met de feeërieke novelle Dooi, waarin een gestalte van gene zijde een schipper even losscheurt uit zijn bestaan.

Oesters en Rico’s vleugels vond ik tot nog toe haar mooiste boeken. Oesters omdat het verhaal van de studente Nederlands die in de weekends haar veertig jaar oudere minnaar opzoekt in Zeeuws-Vlaanderen zo simpel en tegelijk suggestief wordt verteld, dat het ook na jaren nog vers in het geheugen ligt. Hetzelfde geldt voor Rico’s vleugels, waarin Peper de niets ontziende verliefdheid van een oudere man op een jonge jongen bijna fysiek op papier weet te vertalen. Onder de soepele vertelstijl en het spannende verhaal kolkt iets onzegbaar groots, iets onoplosbaars.

In Wie scheep gaat staat het raadsel van een verdwijning centraal. In New York en Den Haag wordt gerouwd om dezelfde persoon die ergens op de bodem van de oceaan ligt in een scheepswrak. In Manhattan loopt haar voormalig minnaar Gerard rond «als een dode, maar een dode van een andere categorie, een levende dode». In de Haagse bloemenbuurt identificeert de vijftienjarige Emma zich met haar verdwenen tante. Levendig en voorstelbaar schetst Peper hun leefwerelden, inclusief hun geliefden en kwelgeesten. Haar benadering is invoelend, psychologisch-realistisch en meedogend, hoogstens af en toe mild spottend. Zo wordt een mogelijke vriendin voor Gerard getypeerd als «een beetje afgeleefd elfje». Liefdevol schetst ze de dubbelzinnige meisjeswereld van «brainfucker» Emma, femme fatale in de dop.

De kracht van Peper schuilt in de scherpheid van haar observaties en de precisie van haar schrijfstijl: soms is het alsof je naar een schilderij kijkt dat zo «goed» is geschilderd dat het een foto lijkt. Te goed dus eigenlijk. Misschien blijft de schrijfster in deze roman uiteindelijk te lief voor haar personages, en daarmee voor haar lezers. Weliswaar wordt het raadsel van de verdwijning op een subtiele manier níet opgelost, de humanistische draai die ze in haar epiloog aan het geheel geeft liet mij met gemengde gevoelens achter. De meeslepende kracht van al die voorgaande pagi na’s blijft echter overeind, evenals het weemoedige licht waarin ze de eeuwig dobberende mens plaatst. Inderdaad: een echte Peper.