Column

Vóór en na H.

Chaos en onzekerheid typeerden de tijdgeest van rond 1933. De verwarring weerspiegelde zich in de kunsten.

EEN KLEINE VEERTIG jaar geleden schreef de Britse historicus, journalist en literator David Caute in een boek over de zogenoemde fellow travellers (kunstenaars en intellectuelen die met politiek links flirten) dat de westerse tijdsindeling in en door de twintigste eeuw veranderd was. Zoals er sinds het jaar nul een vóór en een na Christus bestond, zo zou er sinds 1933 van vóór en na Hitler gesproken moeten worden.
Het is een opmerking waarin wij ons, ondanks de overdrijving, wel kunnen vinden. Wie ook maar iets van het verleden weet, de ogen sluit en terugkijkt, stuit welhaast onvermijdelijk op een muur. Die muur kun je op vele manieren benoemen. Tweede Wereldoorlog, Hitler, nazisme, eventueel shoah, over de juiste term kun je van mening verschillen, over de betekenis ervan wellicht ook, over de chronologie daarentegen bestaat weinig twijfel: de muur eindigt in 1945 en begint in 1933.
Laatstgenoemd jaar was een keerpunt zoals het jaar nul dat was en zoals er in de loop van de eeuwen wel meer keerpunten zijn geweest: 1789 bijvoorbeeld (Franse Revolutie), of 1492 (ontdekking Amerika), 1453 (val Oost-Romeinse Rijk) en 1648 (eind Dertigjarige Oorlog). Maar er is bij al deze keerpunten, die van 1789 wellicht uitgezonderd, iets opmerkelijks: dat ze door de tijdgenoot anders ervaren worden dan door latere generaties. De duidelijkste illustratie hiervan is tevens de eerste, die van het jaar nul. Dat keerpunt werd pas drie, vier eeuwen na de geboorte van Christus geïntroduceerd, eerst bij het Concilie van Nicea in 325 en daarna in het werk van Orosius (rond 400). Vervolgens duurde het nog honderden jaren, op z'n minst tot het begin van de achtste eeuw, dat hij gemeengoed werd.
Zo sterk ligt het met 1933 bij lange niet. Toch komt ook ons beeld daarvan niet overeen met de toenmalige ervaring. De reden hiervan is zo evident dat hij bijna te gênant is voor woorden: het referentiekader van elke generatie is het verleden en bij ons dus anders dan bij degenen die destijds leefden. Wij weten wat komen ging, de mensen van 1933 wisten slechts wat geweest was en niet meer zou moeten zijn.
Besef van dit laatste is een belangrijke sleutel tot begrip van de tijdgeest van toen. Het was hartje crisis in een wereld die kort tevoren radicaal veranderd was. In 1917-1918 kende Europa nog drie keizerrijken, was ware democratie zo goed als onbekend, moderne kunst een onderstroompje, communisme ongehoord en fascisme vreemd. In 1933 daarentegen waren keizers voorgoed verdwenen, was democratie een gegeven, moderne kunst een bekritiseerde mode en stonden communisme en fascisme op elke straathoek. Vooral laatstgenoemde ideologieën vormden een uitdaging voor het bestaande maar broze systeem van het democratisch kapitalisme. Die uitdaging was te meer zo sterk omdat dat systeem ontegenzeggelijk zijn onmacht bewees.
Democratie, zo beweerden velen wijzend op de alomtegenwoordige chaos, werkte niet. Zij was wellicht geschikt voor een stadsstaatje als Athene maar onmogelijk in een moderne samenleving. En de Verenigde Staten dan, riposteerden de voorstanders. Ja, ja, de Verenigde Staten, spotten de critici, dat was pas een democratie: de slavernij net afgeschaft, een enorm contingent mensen in de status van zoveelste-rangs-burger en bovendien het aan die democratie inherente economisch systeem: het kapitalisme. Behalve voor een paar geluksvogels deed het weinig anders dan schade aanrichten. Vandaar dat het tijd werd voor een grote schoonmaak.
Over de noodzaak van zo'n schoonmaak waren zelfs overtuigde democraten en onwankelbare kapitalisten het eens. Maar hoe ver daarin te gaan? Wat moest voorgoed opgeruimd worden, wat blijven staan? Hoe groot was het gevaar dat men te ver ging en met het badwater tevens het kind weggooide? Aldus de vragen en problemen van 1933. Hitler en zijn oplossingen speelden in de overwegingen wel een rol of rolletje maar niet veel meer dan dat. Chaos, onzekerheid en verlangen naar oplossingen waren de trefwoorden, de links en rechts geboden uitwegen nog slechts mogelijkheden.
De verwarring weerspiegelde zich ook en misschien zelfs wel het best in de kunsten die, zoals meestal, een prachtige seismograaf van de tijdgeest zijn. Gedurende heel de jaren tien en twintig van de twintigste eeuw was er op welhaast ongekende wijze geëxperimenteerd. Niets hoefde, alles kon. Precies hetzelfde dus, zij het leuker en speelser, als er in de politiek gebeurde. Maar eind jaren twintig werd een dood punt bereikt, alles was geprobeerd maar bevredigende vormen waren niet gevonden - en dat terwijl de omgeving er, gedwongen door crisis en onzekerheid, met de dag harder om schreeuwde. Hoe nu?
Om voor de hand liggende redenen (taal is doorzichtiger dan geluid) zie je de wanhoopspogingen in de letteren beter dan in de muziek. De beste Nederlandse illustratie ervan is dan ook te vinden in werk en briefwisseling van Eddy du Perron en Menno ter Braak. In 1933 ging hun doen en denken nog alle kanten op en pleitten zij in hun verwarring zelfs voor zoiets als een terugkeer naar negentiende-eeuwse vormen. Vijf, zes jaar later beseften zij dat alle pogingen en pleidooien weinig tot niets hadden uitgehaald en legden zij het hoofd in de schoot. Vanuit onze wetenschap is dat moeilijk te begrijpen. Maar binnen de tijdgeest van destijds lijkt het, zeker bij mannen met hun karakter, zo goed als onvermijdelijk. De twee ervoeren aan den lijve dat een tijd geëindigd was en een andere begon. Pas wij zijn in staat de breuk een naam te geven: vóór en na H.


Chris van der Heijden is historicus en auteur van onder meer Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Dit najaar verschijnt zijn boek Dat nooit meer: De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland