Voor en tegen

Het was juni 1967, vlak voor de grote vakantie.

In de klas had de mevrouw die ons Engels gaf een transistorradio meegenomen.

Er was in Israël een oorlog aan de gang die we later de Zesdaagse Oorlog zouden noemen. De Engelse lerares had familieleden in Israël die meevochten.

Na de nieuwsuitzendingen vertelde de lerares over Israël. Hoe het was ontstaan en waarom. Het had niets met Engels te maken, hoewel… We kwamen te spreken over de Balfour-declaratie uit 1917.

Die Balfour-declaratie betrof een brief van de Engelse regering (Balfour was de Britse minister van Buitenlandse Zaken) aan Lord Rothschild, de leider van de joodse gemeenschap in Engeland. Die brief zag onze lerares als het begin van Israël als staat.

De Engelsen, die Palestina in bezit hadden, gaven in die brief de joden het recht op een eigen ‘home’.

De lerares opende een boek dat ze bij zich had en las die verklaring niet alleen voor, ze schreef enkele regels uit die brief op het bord: ‘His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.’

De lerares liet ons de regels vertalen en zei toen we klaar waren: ‘Hebben jullie iets vreemds opgemerkt in dit citaat?’

Niemand had iets vreemds gezien.

De lerares vertelde dat het ging om het eenvoudige woordje ‘home’. Een huis voor het joodse volk, wat kon dat betekenen?

Pas jaren later ontdekte ik de waarde van deze les. Ze liet ons zelf ontdekken dat deze zin eigenlijk niets anders kon betekenen dan dat het joodse volk recht had op een eigen staat. ‘Een huis voor het hele volk is natuurlijk niet één huis.’

Een huis voor het joodse volk, wat kon dat betekenen?

Nee, een dorp was misschien ook te klein, het moest wel een klein land zijn.

Jaren later studeerde ik geschiedenis en kwam de Balfour-declaratie weer in een college ter sprake. Ik hoorde dat er lange tijd gedebatteerd was over dat woordje ‘home’. De Engelsen namen een risico door in deze brief een formulering te kiezen die welbewust paradoxaal was.

Het bestaansrecht van Israël wordt wel eens betwijfeld, maar niet door mij. Juist door deze brief werd een mogelijkheid geboden om een eigen ‘home’ te beginnen.

Maar ik geef toe dat ik alle standpunten wat betreft Israël en de Palestijnen heb ingenomen die je maar kunt bedenken. Ja, in de jaren zeventig was er een pro-Israël-gevoel in Nederland, maar niet bij de jonge intellectuelen die wij ons voorstelden te zijn. Elke week was er wel een Midden-Oosten-debat. Maar ook toen al was het voor en tegen. Sartre was voor Israël, Deleuze was anti-zionist, Foucault stond weer achter Sartre. Derrida vond weer dat Israël recht had op een eigen staat, maar hield niet van militair ingrijpen. Et cetera, et cetera.

Ik stond toen – en sta nu – achter Sartre. (Maar lees op internet over de hilarische ontmoeting die Edward Said met Sartre had waardoor Said totaal op Sartre afknapte.)

We discussiëren tot op de dag van vandaag.

Ik denk dat ik niet meer van standpunt verander. Ik sta achter Israël, en hoop niet blind te zijn voor oorlogsmisdaden.

Er zijn zaken in het leven die niet met elkaar te verenigen zijn, huwelijken die niet te redden zijn, mensen die elkaar, om redenen die we niet kunnen verklaren, niet mogen.

Zo is het ook tussen Israël en de Palestijnen.

Als ressentiment een nieuwe religie is, is hij daar in het Midden-Oosten ontstaan.