Voor fijne luiden

Feit & Fictie: Tijdschrift voor de geschiedenis van de representatie. Historische Uitgeverij, abonnement (4 nummers) f95,-
NADAT IK de eerste anderhalve jaargang van Feit & Fictie had uitgelezen, citeerde het duiveltje in m'n achterhoofd het commentaar van Tucholsky op Malraux’ La condition humaine: ‘Das is wohl mehr fur die feinen Leute und nichts fur uns.’ Na zoveel vertoon van eruditie en hoogst esthetische afbeeldingen vind ik mezelf erg dom en platvloers, en voel me daar ook zeer wel bij.

Helemaal eerlijk is dat natuurlijk niet, want deze zes nummers zijn verschenen in een tijdsbestek van twee jaar. Ze achter elkaar lezen valt dus even zwaar op de maag als het consumeren van gebundelde columns: wat eens per week een aangename onderbreking vormt van de tomeloze informatiestroom, wekt na bundeling vaak geeuwneigingen op.
Feit & Fictie beweegt zich op het terrein van de steeds populairder wordende cultuurgeschiedenis. Wat de bijdragen in dit blad onderscheidt van veel andere studies op dit terrein, is dat het begrip cultuur niet gedefinieerd wordt in klassieke termen, maar in termen van ‘representatie’. Bij dit uit de beeldende kunst afkomstige begrip gaat het om de voorstellingen en de afbeeldingen van de werkelijkheid. Mythen, literaire teksten, verslagen en wetenschappelijke verhandelingen verwijzen niet alleen naar 'iets’ - een persoon, ding of gebeurtenis - maar hebben tegelijkertijd een 'eigen’ inhoud en betekenis.
De artikelen in Feit & Fictie handelen dus over de wijze waarop mens, natuur en maatschappij worden gerepresenteerd in de kunsten, de politiek en de wetenschappen. Het tijdschrift wil een multidisciplinaire periodiek zijn, waarin een levendig grensverkeer plaats vindt tussen de verschillende wetenschappelijke disciplines. De redactionele inleiding in het eerste nummer stelt uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling is louter theoretische verhandelingen op te nemen, maar vooral studies die zo concreet mogelijk illustreren hoe het begrip 'representatie’ kan worden toegepast op de verschillende vakgebieden. Dergelijke theoretisch onderbouwde detailstudies bieden immers de lezer een kijkje in de keuken van de wetenschapper.
Het blad kent een tweetal vaste rubrieken, te weten een inleidende column en een van een introductie voorziene 'brontekst’. Voorbeelden van de laatste rubriek zijn korte teksten van Giambattista Vico, Edmund Burke, Eduard Hanslick en John van Salisbury. Het zijn korte, smaakmakende teksten van meer of minder 'vergeten’ denkers, die niet alleen uitnodigen tot verdere kennismaking, maar tevens laten zien dat veel van de vragen waarover wij ons in dit postmoderne tijdvak het hoofd breken, een zeer lange geschiedenis kennen.
Dat dit niet alleen betrekking heeft op de zware 'levensvragen’ blijkt bijvoorbeeld uit August Wilhelm Schlegels 'Over het recenseren’ (jaargang I, nr.4): 'Het leven is kort en de boeken zijn lang: is het dan vreemd dat men probeert zich er zo vlug als dat gaat vanaf te maken? Veel ijverige lezers van kritische tijdschriften zouden het bepaald een onredelijke eis vinden eerst de recensie en dan ook nog eens het werk zelf te moeten lezen. Veeleer beschouwen zij de eerste als een voor zich sprekende verkorting van het tweede en de recensent als een levende pantograaf die hun de wijdste contouren in een overzichtelijk formaat voorlegt.’ Een observatie die sinds 1798 slechts aan actualiteit heeft gewonnen.
'POSTMODERN’ - de term is al gevallen en dat is natuurlijk geen toeval. Een begrip als 'representatie’ komt immers overduidelijk uit het postmoderne debat. Veel van de meer theoretische bijdragen in Feit & Fictie handelen dan ook over de betekenis en consequenties van de 'postmoderniteit’. Deze artikelen zijn in de regel van een torenhoog abstractieniveau, zoals bijvoorbeeld dat van Sorin Alexandrescu over 'Wereldorde en betekenisorde’ (I,2) of Frank Ankersmits 'Pleidooi voor een picturale benadering van de geschiedbeoefening’ (I,1).
Het meest heldere verhaal is van Barend van Heusden, 'Humanisme, postmodern’ (II,2). Hierin maakt Van Heusden een onderscheid tussen het postmoderne en het postmodernisme. Doordat in de laatste opvatting 'tekens’ uitsluitend naar andere tekens verwijzen, is, voor wie nog naar de 'betekenis’ van de werkelijkheid zoekt, het hek van de dam. Op het politiek/ethische terrein leidt dit tot een 'cynische “laisser faire”-houding, die wonderwel aansluit bij het liberalisme dat onlosmakelijk is verbonden met de tegenpool van het postmodernisme, de hedendaagse cognitieve cultuur’.
Bij het postmoderne zijn het volgens Van Heusden juist de pogingen een betekenis aan de werkelijkheid toe te kennen, die zinvol zijn. Tegenover het postmodernistische 'anti-verhaal’ stelt het postmoderne het 'meta- verhaal’, waarin aandacht wordt gevraagd voor het raadselachtige van de alledaagse werkelijkheid. Omdat er geen sprake meer kan zijn van een systeem, of van een avant-garde, voorziet Van Heusden het einde van de literatuur. 'Misschien dat vanuit een hedendaags pluralistische perspectief de gedachte van de “bonea litterae” opnieuw leven zal worden ingeblazen. De literatuur zou terugkeren naar het schrijven, en in het literatuuronderwijs zou de bestudering van een corpus teksten weer in dienst komen te staan van het onderwijs in goed schrijven. De literatuur van de toekomst zal worden geschreven door journalisten, historici, politici, wetenschappers en filosofen.’
Als het gaat om meer concrete detailstudies, zijn in Feit & Fictie verschillende vakgebieden vertegenwoordigd. Op het terrein van de kunstgeschiedenis dient vooral het artikel van Ruurd Bakker over het utopische karakter van de negentiende-eeuwse historieschilderkunst (II,2) te worden vermeld. Veel artikelen belichten diverse facetten van de architectuurgeschiedenis en de stedebouwkunde. Fraai is het essay van Auke van der Woud over de door modernistische architecten geforceerde controverse tussen 'waarheid’ en 'karakter’ in de Nederlandse architectuur sinds 1850 (I,3). Op het gebied van de literatuurgeschiedenis zijn er onder meer bijdragen over Pierre Drieu de la Rochelle, Thomas Bernhard, de rol van de arts in de literatuur rond 1900, en Baudelaires dubbelzinnige verhouding tot de revolutie van 1848. Over het algemeen zijn dit zeer leesbare stukken, waarin de postmoderne theorievorming een zeer ondergeschikte rol speelt.
Dat er grenzen zijn aan de toepasbaarheid van postmoderne ideeen, blijkt duidelijk uit de column van de psychiater Anton Mooij (I,3). Vanuit zijn professie weet hij dat de slogan 'de wereld als tekst’ maar zeer ten dele opgaat. Hij vergelijkt de postmoderne narrativisten met de sinoloog Peter Kien, de hoofdpersoon uit Canetti’s Die Blendung, voor wie zijn bibliotheek de wereld en de wereld een bibliotheek was. Kien werd pas uit deze waan bevrijd toen zijn bibliotheek in lichterlaaie stond.
Ook de historicus Frank van Vree gaat in op de gevaren die kleven aan het geschiedfilosofisch relativisme dat door sommige postmoderne theoretici wordt aangeprezen. In het essay 'Auschwitz: de representatie van het onvoorstelbare’ (II,2) wijst hij erop dat wie geschiedschrijving ziet als niets meer dan een 'constructie’, wie van mening is dat er geen 'waarheid’ of 'werkelijkheid’ te vinden is buiten of achter de historische voorstelling, wie dus 'feit’ en 'fictie’ probleemloos in elkaar laat overgaan, zich bij de confrontatie met de holocaust wel bijzonder ongemakkelijk moet voelen. Toch is in zijn ogen het gemak waarmee de narrativistische en constructivistische historici in de beklaagdenbank zijn gezet als wegbereiders voor Auschwitz- loochenaars en neo-nazi’s niet terecht. Het probleem is echter dat de historicus niets over Auschwitz kan zeggen, omdat het onvoorstelbare zich niet laat representeren, terwijl het zwijgen onaanvaardbaar is.
ZOALS DEZE greep uit de eerste zes nummers van Feit & Fictie laat zien, is de inhoud van dit tijdschrift zeer gevarieerd. Voor de meeste artikelen geldt dat ze ook op hun plaats waren geweest in een literair of algemeen cultureel periodiek. Is Feit & Fictie daarmee overbodig? Is het een typisch postmoderne grabbelton, waarin iedereen naar hartelust kan graaien tot hij voldoende hebbedingetjes gevonden heeft om zijn geestelijk huis knus mee in te richten? Of is het, deftiger gezegd, een exorbitant luxe vitrinekast van een even ongeschoren als arrogante designer, waarin de hedendaagse intellectueel de restanten uit de failliete boedel van de grote ideologieen op kunstzinnige wijze kan uitstallen? Ach, wie het blad zorgvuldig gedoseerd leest, vindt er een rijk scala aan uitdagende en soms zelfs grensverleggende essays. De kans dat de uomo universalis weer tot leven gewekt wordt mag dan uiterst gering zijn, het kan geen kwaad eens over de grenzen van het eigen vak heen te kijken.