De teloorgang van een vissersvloot

Voor God naar binnen, voor de banken naar buiten

De Goereese kottervloot verkeert in zwaar weer. De brandstofprijzen zijn te hoog en de regels ‘verzuren’ het leven van de vissers. ‘Daarnaast hebben we ook te maken met de Groene Leugen: Greenpeace.’

HET BRONZEN BEELD van de Kofjekoker aan het Vingerling is een herinnering aan het rijke verleden van Middelharnis als vissersplaats op Goeree-Overflakkee. Tot 1923 was het Vingerling tegen mei één brok leven als de trotse vloot van Franse sloepen werd uitgerust voor de zomervisserij op kabeljauw: een expeditie van drie maanden voor het met de beug vangen en daarna snijden, zouten en in vaten pakken van kabeljauw. Er werd gesjouwd met vaten, manden, kabels, zeilen en ballast. Er waren timmerlieden, schilders, kuipers en zeilmakers in de weer. Half mei kwamen de vissers na een laatste afzakkertje in café Hanson in hun lange broek van blauw Fries laken, een dikke donkerblauwe of zwarte trui of een blauw gestreepte kezjak aan boord en vertrok de vloot.
Eeuwenlang waren visserij en landbouw de enige middelen van bestaan op het Zuid-Hollandse Goeree-Overflakkee. Toerisme, recreatie en een beperkte industrie zijn erbij gekomen, maar leveren te weinig banen op om te voorkomen dat de jongeren het voormalige eiland verlaten. Voor Ouddorp, Goedereede en Stellendam is het visserijbedrijf met zijn vertakkingen aan de wal, zoals een scheepswerf, visafslag, visverwerkende bedrijven en leveranciers, een levensader. Helaas verkeert de kottervloot in zwaar weer. De gezamenlijke vloot is na de drastische saneringen van de afgelopen jaren als gevolg van de bijna om zeep geholpen scholstand op de Noordzee met een derde gekrompen tot 41 schepen.
De oud-burgemeester van Goedereede, Cees Sinke (64), werd bereid gevonden om uit de bedrijven uit Zuid-Nederland die de saneringsstorm hadden overleefd één nieuwe visserijvereniging samen te stellen, omdat de oude verenigingen zelfstandig geen vuist meer konden maken. Het werd de Vissersvereniging Zuid-West, met als leden Scheveningen, Stellendam, Goedereede, Ouddorp en Colijnsplaat op Noord-Beveland en individuele leden in Kortgene, Klundert en Yerseke. ‘Zeegaande vissers die met een Eurokotter van maximaal 24 meter lengte of een grote kotter met een motor van maximaal tweeduizend pk op de Noordzee vissen’, zegt hij.
Als voorzitter van die vereniging is hij optimistisch over de voortgang die de leden maken op het gebied van brandstofbesparing en duurzaam vissen. Met schrik herinnert hij zich nog steeds dat op Vlaggetjesdag 2008 in Stellendam de gasolieprijs steeg tot zeventig eurocent per liter en vijftig tot zestig procent van de besomming besloeg. 'De hier geboren minister Ab Klink en andere hoge gasten waren erbij. We lachten allemaal op die mooie dag, maar wel als boeren die kiespijn hadden.’ Cees Sinke roemt het vissen met de puls wing, een zweefnet voorzien van elektroden. De boomkorkotter Martha Lena SL-3 behaalde een vermindering van het olieverbruik van 38 procent. 'Helaas zijn de prijzen voor schol veel te laag’, zegt hij.
'De grove schol gaat nog wel’, zegt Kommer Tanis (46), bemanningslid van de Georges Johannes Klazina GO-26. 'Maar voor de kleintjes is de prijs allerbelabberdst. Nog geen euro per kilo. Daar kun je niet voor vissen.’
De trieste aanblik van drie pakjes scholfilet met het opschrift 'Vis van Dichtbij’ in een zee van Vietnamese pangasius in een Albert Heijn in Amsterdam doet niet vermoeden dat de consumptie van schol in Nederland snel zal toenemen. Bureau Berenschot komt tot de conclusie dat reders en vissers hun lot kunnen verbeteren als zij rechtstreeks voor de markt gaan vissen, zoals de tuinders dat doen voor de bloemkooldagen van Albert Heijn. De animo van de supermarkt voor de verkoop van schol en tong, de voornaamste door de kottervloot aangevoerde vissoorten, kan daardoor toenemen.
George ’t Mannetje (47), machinist van de Arend Jan GO-26, deelt zelfs het gematigde optimisme van Sinke niet. Hij noemt, vanwege alle beperkingen waaraan de visserij onderhevig is, visser zelfs geen vrij beroep meer. 'Het wordt ook steeds minder lonend. Er gaat om te beginnen zestienduizend euro van de besomming af voor gasolie’, vertelt hij. 'In de Rotterdamse haven kunnen we in minder uren meer verdienen’, voegt Kommer Tanis eraan toe als verklaring voor het afnemen van het aantal vissers. Ook op de boomkorkotters van Goeree-Overflakkee varen Poolse vissers.

TWIJFEL OVERHEERST. Blijven vissen als het niet erg lonend is, of overstappen op een sleepboot in Rotterdam. Want ondanks alle fanfares over de puls wing, het nieuwste milieuvriendelijke en brandstof besparende vistuig, hangt de toekomst van de voor Goeree-Overflakkee belangrijke boomkorvisserij aan een zijden draadje. De besparing speelt pas een rol voor het voortbestaan van de kottervloot als het brandstofverbruik meer dan de helft lager is dan de hoeveelheid die met de traditionele boomkor wordt verbruikt. Naast de gasolieprijs zijn de visprijzen, het eigen kapitaal, de bemanning en opvolging van even groot belang voor de overlevingskans van de boomkorvisserij. Het ziet ernaar uit dat de gasolieprijs eerder zal stijgen dan dalen.
Met uitzondering van de puls wing, die een half miljoen euro kost, zijn er geen revolutionaire ontwikkelingen aan de gang waaruit zou blijken dat de Nederlandse boomkorvloot met vertrouwen het nieuwe jaar kan ingaan, constateert de gezaghebbende visserij-journalist Willem M. den Heijer. Hij komt tot de conclusie dat de boomkorkotter van meestal veertig meter lengte en een motor van tweeduizend pk met zowel aan bakboord als aan stuurboord een trawlnet een achterhaald type schip is voor de visserij op de Noordzee. De puls wing vervangt de kettingen van de boomkorkotters voor het omwoelen van de zeebodem en activeert met lichte stroomstootjes platvis om op te springen en in het net te belanden. Het is het raggen met die zware kettingen over de zeebodem dat de toorn van Greenpeace en het Wereld Natuur Fonds over de boomkor heeft afgeroepen.
Door lage visprijzen en onverhoedse stijgingen van de gasolieprijs kunnen de eigenaren hun kosten niet meer dekken, ook omdat ze de schuldenlast torsen van de boomkorkotters, die door de bank zijn gefinancierd en nog lang niet afgeschreven. 'Innovatie- en vernieuwingsslagen zijn uiterst noodzakelijk om vooral ook de kosten op lange termijn te besparen’, stelt het LEI-rapport van de Universiteit van Wageningen over de visserij in 2010. Een deel van de bedrijven kan daar volgens dit rapport niet aan voldoen omdat ze financieel niet gezond zijn.

KOMMER TANIS kijkt de kat daarom nog even uit de boom. Samen met zijn vader (76), oud-schipper, heeft hij een scheepje gekocht om met staand want ’s zomers op tong te vissen. Van groot naar klein en duurzaam is een trend in het Nederlandse visserijbedrijf die zich voortzet van het zuiden langs de Noordzeekust tot de Waddenzee in het hoge noorden. 'Met een kotter van 34 meter lengte en een motor van veertienhonderd pk kunnen we op de Noordzee ook ons brood verdienen’, meent George ’t Mannetje. 'Daar heb je geen kotter van 43 meter en een motor van tweeduizend pk voor nodig.’
Nergens op Goeree-Overflakkee werd vroeger door jong en oud zo hard gewerkt als aan de haven van Middelharnis bij het Vingerling. De Kofjekoker was een jongen van twaalf die koffie zette, de kachel verzorgde, aardappelen schilde, het verblijf van de matrozen schoonhield, maar ook moest helpen bij het binnenhalen van de kilometerslange beug. Kofjekoker was meestal het begin van een loopbaan als visser. Het als vissersplaats verstilde maar als stedelijk winkelcentrum van Goeree-Overflakkee herboren Middelharnis had al in 1598 een visafslag. Het aan boord brengen van de proviand voor de zomervisserij was op zich al een onderneming. Per sloep kwam dat neer op 130 tonnen drinkwater, 20 tonnen scheepskaak, 3 zakken meel, 100 kilo gerookt spek, 20 Gelderse hammetjes, 2 balen suiker, 4 balen peulvruchten, 80 kilo boter, 5 kilo koffiebonen, 10 liter olie om vis in te bakken, 100 mud steenkool, 100 liter petroleum, 40 vaten bier en 50 liter jenever. Voor de visserij zelf werden per sloep 120 lege vaten, 100 tonnen zout en voor het aas voor de beug 20 ton geep en 10 ton koelever aan boord gebracht.
De Goereese vissers waren vermetele lieden die met hun sloepen al naar IJsland zeilden voordat in IJmuiden in 1898 de Betsy IJm.75 als eerste stoomtrawler in gebruik werd genomen voor langere visreizen. Schipper Maarten van Delft van de toen nagelnieuwe Middelharnisser sloep Titia Jacoba MD-6 schreef in IJmuiden op 25 oktober 1897 geschiedenis door als eerste zijn vangst aan te bieden aan de door de Nieuwedieper Reijer Visser in IJmuiden opgerichte particuliere visafslag. Van Delft stond bekend als lucky man, een topschipper die altijd met een goede vangst thuisvoer. Zijn vissen werden vanwege hun lengte per stuk verhandeld. Een kabeljauw van anderhalve meter lengte was in die dagen niets bijzonders. Volgens het visbriefje van de Titia Jacoba bestond de vangst uit 294 stuks kabeljauw, 900 stuks schelvis, 87 stuks heilbot en tarbot en 180 roggen en vleet. De vangst bracht 1194 gulden op. Voor die tijd was dat een zeer goede besomming.
De opkomst van het dicht bij de visgronden aan de monding van het Noordzeekanaal ontstane IJmuiden in 1876 werd echter de ondergang van Middelharnis als vissersplaats. De reders van Middelharnis dirigeerden uit tijdbesparing hun vloot steeds vaker naar IJmuiden. Op het laatst keerden de schepen alleen tussen de visseizoenen terug naar Middelharnis. Het gevolg was dat de vissersgezinnen verhuisden naar IJmuiden en andere aanloophavens. In 1930 woonden er nog 33 vissers in Middelharnis, in 1947 nog maar drie…
De vader van Jaap van Gelder (94), oud-voorzitter van de Nederlandse Zeevisgroothandel Vereniging, was een van de vissers die met zijn gezin tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1915 van Middelharnis naar IJmuiden verhuisden. In 1917 kwam hij met vier andere opvarenden om het leven tijdens de beschieting van hun schip door een Duitse U-boot. Het was duidelijk dat het een Nederlands schip was; op de romp was een rood-wit-blauw vlak geschilderd. Drie overlevende vissers brachten het schip terug naar IJmuiden. De moeder van Van Gelder bleef als weduwe met acht kinderen achter. 'Ik ben in 1915 geboren. Mijn vier broers en drie zusters hebben na de dood van mijn vader ons gezin verder geholpen’, vertelt Van Gelder.

VLAK EN GROEN als het is, krijg je het gevoel dat Goeree-Overflakkee nog steeds een eiland is. Van Amsterdam ben je met het openbaar vervoer drie uur en dertig minuten onderweg naar Ouddorp. Dat vormt met Goedereede en Stellendam de gemeente Goedereede. De gemeenteraad bestaat uit vijf SGP'ers, drie leden van Verenigd Gemeentebelang, twee CDA'ers, twee PVDA'ers en één lid van de ChristenUnie. Op vrijdagmiddag vult de bus naar Ouddorp zich in Spijkenisse met vrolijke scholieren, jongens en meiden die je met hun overwegend heldere bruine ogen onder hun donkere haren onderzoekend en geamuseerd aankijken. Ze danken die bruine ogen aan de vermenging van de eilanders met de Friezen, die vijfhonderd jaar geleden begon. Aan de kleur van je ogen zien ze dat je geen eilander bent, maar een stadsmens wiens karakter niet gevormd is door de eeuwige strijd tegen het wassende water.
In februari 1953 verdween van de 21.000 hectare polderland op Goeree-Overflakkee 82 procent onder water. Alleen de duinen bleven boven water. Bij deze watersnood kwamen 481 eilandbewoners om het leven. Het visserijbedrijf kreeg na de watersnood een nieuwe impuls met de aanleg van een nieuwe grote haven en een visafslag in Stellendam. De vissers van Goedereede, Ouddorp en Stellendam zorgden voor de opbouw van de grootste kottervloot van Nederland na Urk. 'De schepen verdrongen elkaar bij het binnenlopen of moesten voor de sluis op hun losbeurt blijven wachten’, vertelt oud-huisarts Ab Jansen. 'Nu heeft elk schip een eigen steiger.’
Die snelle teruggang maakte diepe indruk op hem. Geboren in het Overijsselse Vollenhove, van oorsprong een vissersplaats, weet hij wat het betekent als de visserij verdwijnt. In Vollenhove gebeurde dat toen in 1932 het laatste gat in de Afsluitdijk werd gesloten en de Zuiderzee het IJsselmeer werd. Zo verdwenen ook Harderwijk, waar het roken van de Zuiderzeeharing werd uitgevonden, en uiteindelijk ook Enkhuizen als vissersplaatsen en werd de eens zo drukke haringmijn van de tot verdriet van de Britten in Europa oppermachtige haringstad Vlaardingen een deel van het Nationaal Visserijmuseum. 'Moge God verhoeden dat het ook Stellendam zo zal vergaan’, zeggen de oude bijbelvaste vissers op Goeree-Overflakkee.
Ouddorp werd na de februariramp een gezellige en zelfs bekroonde badplaats, maar zondags gaat het beeld op zwart. Vrouwen met hoeden en mannen in het zwart gaan dan ter kerke. De gasten van het knusse hotel Akershoek tegenover de hervormde kerk krijgen een sleutel van de achterdeur. 'De poorten van de hel zullen mijn gemeente niet overweldigen. Matthëus 16-18’ staat geruststellend op de kerkmuur.
Rijk Akershoek (45) van de christelijke boekwinkel bij de kerk betreurt het dat de vissers van Goeree anno 2010 minder op de Heer vertrouwen dan tijdens de periode die hij als visserman op zee heeft doorgebracht. 'Als ze hun schip De Vertrouwen noemen, moeten ze daar ook naar leven’, zegt hij streng.
Vijftien jaar was Rijk toen hij met een Urker kotter vanuit IJmuiden zee koos. 'Ze vonden me hier te jong en misschien ook wel te onbehouwen om te gaan varen. Ik heb twee aanvaringen meegemaakt en ben bijna met een schip gestrand op Texel, nadat de schipper na een zware zondag bevangen werd door een vlaag van godsdienstwaanzin’, vertelt hij. 'We hebben het schip net op tijd kunnen redden.’
Rijks laatste schip was de GO-44. De schipper was een gelovig man. 'Ik heb bijna vijftien jaar bij hem gevaren en kreeg een klokje toen ik van boord ging. Mijn vrouw verwachtte ons vierde kind. We visten toen veel om de Noord, liepen zaterdagmorgen vroeg Den Helder binnen en waren dan pas ’s middags thuis. Er waren toch al dingen die me tegen de borst stuitten. We hadden al voorzien dat ik als christelijke boekhandelaar mijn kost moest verdienen. Als visser leef je met de elementen van God de Schepper. Wij gingen op Biddag en Dankdag altijd naar binnen, maar de banken zeggen nu dat je dan ook moet varen en de verdiensten zijn niet meer wat ze geweest zijn. De Heer leidde zo mijn weg, maar als het stormt en het rustig is in mijn winkel denk ik aan de woelige baren en zie ik in gedachten de kotters stampen in de golven.’
Hij verkoopt boeken als Nacht over ons huis van Tamara Lindenhof, die volgens hem waarheidsgetrouw de grote armoede op Goeree-Overflakkee tijdens de crisis van 1929 beschrijven. Met het hele gezin garnalen pellen voor 2,5 cent per gewogen honderd gram gepelde garnalen. 'Toen verloor Bart zijn werk. Er zou geen cent meer binnenkomen. Waar moest zijn gezin van leven? Omdat de oudste zoon van de schipper van school was gekomen, konden ze een knecht uitsparen, zo ging dat overal’, schrijft Lindenhof.
Het museum in het voormalige raad- en polderhuis verhaalt over het loodzware werk in de landbouw en de oorlogsjaren, toen het eiland door de Duitse bezetting half onder water was gezet en deel was van de Atlantikwall. Verrassend is een video van Kommer Tanis van een reis met zijn vader op hun kotter Wisselvalligheid GO-6. De film bewijst voor hem als amateurpaleontoloog dat de zuidelijke Noordzee niet alleen een rijke visvijver is, maar ook een steppegebied was tussen Nederland en Zuid-Engeland waar zeven- tot dertienduizend jaar geleden neushoorns, steppewisenten en sabeltandtijgers rondliepen. De stijging van de zeespiegel met wel honderd meter maakte een eind aan hun bestaan. Met de boomkor halen de vissers vaak enorme botten binnen van deze voorwereldlijke dieren. Kommer Tanis bezit een van de grootste verzamelingen op dit gebied.
Ab Jansen (70) vertelt dat de marine nog steeds zo'n dertig meldingen per maand krijgt van mijnen of bommen die zijn opgezogen door baggerschepen of in netten van vissersvaartuigen terecht zijn gekomen. Een herdenkingssteen naast het oorlogsmonument in Ouddorp houdt de herinnering levend aan de tweede machinist Hans Meijer (60), stuurman Jaap van der Klooster en matroos Jos van Belzen (40) van de kotter OD-1, die op 6 april 2005 hun leven verloren door het op het dek exploderen van een opgeviste vliegtuigbom, na het ophalen van het net.
Kommer Tanis is dertig jaar visser. Hij heeft op de Wisselvalligheid GO-6 jarenlang met zijn vader samengewerkt. Het was hun eigen schip. 'Eind 2005 zijn we gesaneerd. Dat was een hard gelag’, vertelt hij. Kommer heeft als opstapper op boomkorkotters gevaren om ook zijn hobby als amateurpaleontoloog te kunnen bijhouden. Op de Georges Johanna Klazina GO-4 behoort hij weer tot de vaste bemanning. Door de in een wereld vol spanningen absoluut onbetrouwbare gasolieprijs neigt hij steeds meer tot vissen met staand want: 'Bijna elke euro kun je dan in je zak steken. We hebben het van de zomer een poosje gedaan. Met de boomkor moet je een halve week vissen voor de onkosten. Ik ben daarom voor vismethoden die de kosten verminderen en duurzaam zijn. Wij varen met Polen. Het is heel moeilijk om bemanningsleden te vinden. Het beroep van visserman past niet meer in deze tijd. Als je vist kan je vrouw niet werken, vooral als er kinderen zijn. Als vissersvrouwen zich per se in het arbeidscircuit willen ontplooien, moeten hun mannen een baan aan de wal zoeken. Toen ik dertig jaar geleden ging vissen, verdiende ik precies hetzelfde bedrag als vandaag. Het is nu het loon van iemand die vol continu aan de wal werkt. Ik ben voor dat inkomen wekelijks 100 tot 150 uur van huis. Aan de wal kan ik hetzelfde verdienen in een veertigurige werkweek. Het is daarom geen wonder dat jonge vissers afhaken en in de Rotterdamse haven gaan werken. Ik hou van mijn vak en ben gek op de zee, maar je moet wel erg veel van dit beroep houden om het vol te kunnen houden.’
De Arend Jan GO-26 waarop George ’t Mannetje als machinist vaart, is een van de vijf laatste boomkorkotters die zijn vangst nog altijd in IJmuiden aanvoert. 'We kwamen hier voor de saneringen met tien kotters aan de markt’, vertelt hij. 'We komen vrijwel nooit in Stellendam, of het zou moeten zijn voor een reparatie op de werf van Maaskant.’ George kwam in 1980 bij zijn oom als 'kok’ aan boord van de GO-4. Dat was vroeger meestal zonder opleiding het begin van een loopbaan als visser. 'Wij varen met z'n vijven. Gerd en ik komen van Goedereede, de twee anderen uit IJmuiden en Yerseke en één van een ander schip. Dat werkt niet altijd even goed. De jongeren op Goeree tonen weinig animo om te vissen. Er zijn schipper-eigenaren die hun zonen met geen stok aan boord krijgen. Dat luidt meestal het einde in van een goed lonend familiebedrijf. Wij zijn altijd van zondagavond tot vrijdagmiddag op zee. De noodzakelijke vernieuwingen om blijvend te kunnen vissen kosten handenvol geld en dat is er niet’, constateert George. 'De Arend Jan is acht jaar oud. Zo'n schip is praktisch onverkoopbaar en voor de sloop geen stuiver waard, maar het heeft wel vier miljoen euro gekost! Er zijn al meer dan dertig kotters uit Goedereede verdwenen. Uiteraard betekent dit verlies van werkgelegenheid aan de wal en minder inkomsten voor de bakker en de slager. Met ons pendelbusje nemen we altijd ons brood, vlees en onze aardappelen van hier naar zee. Ach, vroeger was visser een vrij beroep. Dat is het helaas niet meer. Er bestaat een woud van regels die ons leven verzuren. Ze maken er al een probleem van als je een liter olie morst! In de haven en op zee komt de Algemene Inspectiedienst vijf tot tien keer per jaar aan boord voor controle om te zien of er wel genoeg bemanning aan boord is, of we wel de goede papieren hebben en of de netten in orde zijn. Daarnaast hebben we ook te maken met de Groene Leugen, oftewel Greenpeace…’
Zijn dochter Jacomijn (21) studeert en woont in Rotterdam. Ze zegt dat haar vaders kritiek niets afdoet aan zijn liefde voor zijn vak. 'Vrije dagen offert hij vaak op voor het volgen van vakcursussen. En hij bereidt twee jongens voor op hun stageperiode aan boord. De een wil machinist en de ander schipper worden.’
Zijn vrouw Elma ’t Mannetje-Van de Ree (44) heeft haar commentaar opgeschreven. 'Ik vind als vrouw van een visser dat ze een zwaar beroep hebben, en als het dan nog goed beloond werd, zou dat nog anders zijn. Vroeger was met visserij nog wat te verdienen, maar tegenwoordig is het soms heel treurig waarvoor onze mannen de hele week op zee zitten. En toch de hele week van huis zijn. Voor een echte visserman is het een mooi beroep. Ze zouden ook niet anders willen. Het gaat om de vrijheid. Maar op zee kan het ook vreselijk spoken en als er harde tot stormachtige winden staan, dan is het voor ons als vissersvrouwen nachten van niet slapen en maar hopen dat ze vrijdags toch weer veilig de haven binnenlopen…’