Voor haters en liefhebbers

TOON TELLEGEN & INGRID GODON
MORGEN WAS HET FEEST
Querido, 101 blz., € 13,95

Toon Tellegens dierenverhalen zijn als oesters. Voortreffelijk en delicaat volgens de liefhebbers, ontoegankelijk en afschrikwekkend volgens de haters. (Kinderboeken)recensenten weten al jaren niet goed wat ze met Tellegen aanmoeten. Ze kunnen niet anders dan hem bewonderen om zijn stijl, spitsvondigheid en gegoochel met taal en logica. Tegelijkertijd – sinds de door Anne de Vries ontketende opstand tegen de dictatuur van de literaire norm in Het verdwijnende kinderboek (1990) – voelen ze zich verplicht te vermelden dat Tellegens wonderlijke universum en al even wonderlijke verzameling dieren geschikter zijn voor volwassenen dan voor kinderen.

Volkskrant-_recensent Pjotr van Lenteren bijvoorbeeld beoordeelt _Toen niemand iets te doen had (1987) als ‘razend knap, maar het blijft tafelvoetbal met een pincetje’. En onlangs nog verweet Koen Kleijn in deze krant Tellegen ‘de deconstructie van de ervaring’. ‘Kan een bijeenkomst van twee zwijgende wezens een feest zijn? Hoe valt een olifant van een wolk?’ vroeg hij retorisch. ‘Kinderen zijn te klein en te beleefd om (…) te zeggen: “Donder een eind op met je eekhoorn”’, schreef hij in Dieren spreken niet.

Natuurlijk, het is verfrissend om zo af en toe eens flink tegen de ivoren literatuurtoren aan te schoppen en de heren en dames literatuurwetenschap en kunstkritiek de wenteltrap af te laten stuiteren. Maar het is een misvatting dat Tellegens dierenverhalen ongeschikt voor kinderen zouden zijn.

Dat Tellegens bos, met bomen, rivieren, woestijn, bergen, duinen en zee een onbestaanbare biotoop is, dat de eekhoorn, mier, uil, beer, slak, en olifant daar vredig samenwonen, al leuterend, feestend en taart etend, dat iedereen even groot als capabel en enig in zijn soort is en dat niemand sterft, doet volwassenen de dierenverhalenbundels etiketteren als raadselachtig, absurdistisch, surreëel en nihilistisch. Niet omlijnd en niet in te delen. Terwijl wij, Nederlandse volwassenen, juist zo van hokjes houden. Maar kinderen? Hen maakt het niet uit of Tellegens register wel of niet in te delen is, en of zijn verhalen wel of geen fabels zijn, met of zonder moraal, met of zonder levenswijsheid. Zij zullen zeggen: ‘Donder een eind op met je genres, kunststromingen en etiketten.’ Kinderen lijden nog niet zoals veel volwassenen aan verbeeldingsgebrek. Zij hebben, zoals Jean Cocteau ooit zei, ‘het fabelachtige vermogen zichzelf in alles te veranderen, wat ze maar willen’. In hun wereld is alles mogelijk. Verleden wordt toekomst en toekomst verleden, want alle ervaring – verdriet, boosheid, blijdschap – is evenals bij (Tellegens) dieren (nog maar) van uiterst korte duur. ‘Ik ben bakker. Jij was de vader. Het zand was de taart. Voor de hond. Want die werd jarig. En morgen was het feest.’

Zo ongeveer klinken zinnen van spelende kinderen. Volstrekt normaal en overeenkomstig de realiteit. Maar wanneer Morgen was het feest als titel op een boek prijkt, wordt het plots gekwalificeerd als raadselachtig. En als onmiskenbaar ‘een Tellegen’.

Dat laatste is, niet toevallig, terecht. In Morgen was het feest vertelt Tellegen in 28 nieuwe dierenverhalen over de vier seizoenen die het leven in het bos van de eekhoorn kleuren.

De bundel is een ideale kennismaking met Tellegen, vooral voor (jonge) kinderen en volwassen ‘haters’. De seizoenen geven houvast en structuur, waardoor de bundel wat toegankelijker is dan eerder werk.

Eerst is er de winter, prachtig vormgegeven door een paginavullende illustratie van de geprezen Vlaamse Ingrid Godon. De winterprent roept eenzelfde verwondering op als wanneer je ’s ochtends de gordijnen opent en een als nieuw besneeuwde wereld aanschouwt. Vlokjes dwarrelen uit een winterroze lucht en bedekken de knoestige takken van een bruingrijze boom, waar vanuit een boomstamholletje een kleumende eekhoorn naar buiten tuurt. ‘Het was winter/ De eekhoorn zat voor zijn raam/ Het sneeuwde, het stormde en het vroor./ De eekhoorn had koude voeten, koude oren en een koude neus./ Waar blijft de lente toch’, begint Tellegen zijn verhaal.

Prettig herkenbaar, voor de volwassen hater. Een tekst die bijna als een cliché klinkt. Maar het is gedaan met die herkenbaarheid wanneer de beer ‘blauw en bevroren’ zijn intrede doet. En even later de olifant, die samen met de eekhoorn de winter probeert weg te duwen. Vergeefs. Want de winter is zo ‘zwaar’ dat ze daar niet tegenop kunnen.

De eekhoorn verandert vervolgens in een hongerende ‘ijshoorn’. Totdat hij hoog boven zijn hoofd zwaluwen ziet vliegen en weet dat het lente is. Hoe zijn jullie hier gekomen, wil de eekhoorn weten. ‘Vanzelf’, luidt het antwoord. ‘Vanzelf… dacht de eekhoorn. Dus als het winter is komt de lente vanzelf.’

Filosofisch? Enigszins. Meerduidig? Ja. Daarmee te ingewikkeld voor kinderen? Welnee. Dat een beer blauw ziet van de kou vinden kinderen heel gewoon. Dat Tellegen de seizoenen personifieert geeft de zwaarte van de winter juist zijn betekenis. En met het eenduidige antwoord van de zwaluw duidt Tellegen op voortreffelijke wijze de onontkoombare circulaire én lineaire beweging van de tijd.

Aldus karakteriseert Tellegen de seizoenen – bijgestaan door Godons kleurenpracht. Aldus creëert hij literatuur van verwondering. Voor kinderen. Én die paar volwassenen die zich nog kunnen en willen verwonderen.