Linkse eenheid

Voor het blok

Het idee van één progressieve linkse partij, zoals de PvdA en GroenLinks nu voorstaan, is niet nieuw. Een halve eeuw geleden was het een strategie om een wereld te winnen. Nu lijkt het slechts een optie om tijd te winnen.

PvdA, PPR en D66 volgen in de Amsterdamse Beurs de verkiezingsuitslag. Joop den Uyl (PvdA) voor de tv, achter hem Bas de Gaay Fortman (PPR). 1972 © Hans van den Bogaard . ANP

Het kabinet-Den Uyl was vrijdag 11 mei 1973 amper een paar uur aan de macht, of er brak al herrie uit in de tent van de progressieve partijen.

Met een linkse regering eerder die dag op het bordes van Huis ten Bosch had progressief Nederland net zijn grootste slag in de geschiedenis geslagen. Vijftien mannen en één vrouw (zeven pvda’ers, vier kvp’ers, twee arp’ers, twee ppr’ers en een d66’er) zouden de natie diepgaand gaan hervormen. Sinds het rebelse jaar 1966 was door rooms-rechtse regeringen veel tijd verloren gegaan. Nu zou het zaaisel van de sixties dan toch kunnen worden geoogst.

Terwijl de ministers die 11de mei voor het eerst hun nieuwe departementen bezochten, kwamen ’s avonds de partijbesturen van pvda, ppr en d66 in Amsterdam bijeen voor hun permanente Overlegorgaan. Het was alweer de 39ste vergadering. In die jaren vergaderde links alsof het leven ervan afhing. Twee jaar eerder hadden pvda, ppr en d66 elkaar beloofd om ‘te streven naar een vooruitstrevende volkspartij, die wezenlijke hervormingen beoogt’.

Als eerste taak zou deze Progressieve Volkspartij (pvp) het milieu moeten gaan redden. Ook Nederland stond aan de rand van de ecologische afgrond, voorspelde de Club van Rome in 1972 in zijn rapport Grenzen aan de groei. Een gezamenlijk programma Keerpunt 1972 en een schaduwkabinet naar Brits voorbeeld zou de opmaat moeten zijn tot die pvp.

Dankzij het kabinet-Den Uyl zou de pvp nog dichterbij komen, dacht men. Een ‘historische dag’, zei d66-voorzitter Jan ten Brink dan ook bij de opening van het Overlegorgaan die vrijdagavond. Helaas, het unieke kabinet bleek geen reden voor wellevendheid. pvda-voorzitter André van der Louw legde meteen het mes op tafel en begon ppr-fractieleider Bas de Gaay Fortman de maat te nemen. Wat wilde zijn club nu eigenlijk? De ene dag was hij afgelopen maanden tegen confessionele ministers an sich en katholieke in het bijzonder geweest, de volgende juist weer voor.

‘De ppr is een weinig betrouwbaar kompas geweest’, aldus Van der Louw, met ‘irritatie en rancune’ als gevolg. Konden we deze plooien niet recht strijken met ‘een vaartocht per narrenschip op de Rijn’, probeerde Ten Brink te sussen. Nee, zei d66-fractievoorzitter Hans van Mierlo. Hij ‘voelde niet voor een schip en had iets tegen varen’. En dat zei de man die zijn hart juist had verpand aan een pvp, in weerwil van hardnekkige tegenstand in zijn eigen partij.

Anderhalve maand later trad Van Mierlo terug. pvp-scepticus Jan Terlouw nam de leiding in d66 over. Weer tweeënhalve maand verder was het hele idee van één progressieve partij dood en begraven. Op het eerste partijcongres na de installatie van hun kabinet-Den Uyl stemden de pvda-leden tegen een progressieve federatie van drie partijen, zoals Van der Louw bij wijze van voorzichtig begin en compromis had voorgesteld.

—————

Irritatie was niet de enige reden voor dit fiasco met de pvp in wording. Er waren ook minder persoonlijke oorzaken.

Ten eerste had progressief Nederland tot begin jaren zeventig altijd meer energie gestoken in versplintering dan in bundeling. De enige positieve ervaring in de geschiedenis was in 1946 de oprichting van de Partij van de Arbeid geweest. De pvda had een nieuwe volkspartij moeten worden, waarin sociaal-democraten, vrijzinnig democraten en christenen onderdak zouden vinden. Die poging tot een ‘doorbraak’ slaagde niet echt. De confessionele partijen hadden weinig last van overlopende kiezers. Twee jaar later verdwenen ook de vrijzinnig liberalen door zich aan te sluiten bij de nieuwe vvd. Daarna was het, met de oprichting van de psp in 1957 en d66 negen jaar later, weer business as usual geworden.

Ten tweede waren in 1973 de getalsverhoudingen tussen de drie progressieve partijen te onevenwichtig voor gelijkwaardige samenwerking. De pvda beschikte over 43 zetels in de Tweede Kamer, de ppr en d66 hadden niet meer dan zeven en zes zetels. De sociaal-democraten, die in de jaren zestig de aansluiting met de culturele jongerenrevolutie leken te gaan missen, waren zo tevreden met hun herstel dat ze geen zin hadden in concessies aan de twee kleine bondgenoten.

Ten derde waren de begrippen links en progressief een halve eeuw geleden niet synoniem, net als nu trouwens. Het arbeiderselectoraat van de pvda en de meer burgerlijke achterbannen van ppr, d66 en psp verstonden elkaar vaak niet. Alle linkse partijen mochten zich progressief voelen – ook de communistische cpn, die overigens niet aan de pvp meedeed, bejubelde via De Waarheid elke dag de ‘vooruitstrevende krachten’ aller landen – maar dat wilde niet zeggen dat hun kiezers net zo modern waren als die van d66 en ppr of psp. In de ‘strijd’ voor een liberale abortuswetgeving stonden links en progressief zij aan zij. Draaide het om andere immateriële eisen of om ‘zelfbeheer’, zoals het heette, dan liepen links en progressief nogal eens uit elkaars pas. Individuele ontplooiing en seksuele vrijheid waren bij uitstek progressieve doelen, verheffing en scholing meer linkse emancipatie. Participatie was sowieso een twistappel. Was een autonomere ondernemingsraad nu een fopspeen, zoals radicale socialisten meenden, zelfs binnen de pvda, of een eerste stap op weg naar machtsvorming van werknemers, zoals Den Uyl het zag?

Anno 2021 is het gebrek aan coherentie niet minder schrijnend. Progressief Nederland heeft veel weg van een supermarkt. Het heeft alles in de aanbieding, maar de indeling van de winkel wordt overgelaten aan lokale bedrijfsleiders die in het ene filiaal de vegan-producten in het zicht voor in de schappen leggen en in de andere winkel juist de b-merken, al naar gelang de koopkracht van de buurt.

—————

Na de doodgeboorte van de pvp is het basisidee voor één progressieve en/of linkse partij op gezette tijden weer opgedoken. In de eerste jubeljaren van Paars, een concept van Van Mierlo die na veelvuldig ‘verraad’ van de pvda was gaan zoeken naar alternatieve strategieën om de spilpositie van de christen-democraten te breken, poetsten de pvda-intellectuelen Jos de Beus, Paul Kalma en Paul Scheffer het verlangen naar progressieve concentratie op. In de terminale fase van Paars, dat na 1998 het spoor bijster was geraakt, opperde pvda’er Klaas de Vries dat het tijd werd voor bundeling van pvda, GroenLinks en d66. Twee jaar na de moord op Pim Fortuyn in 2002 pleitte burgemeester Job Cohen voor een louter linkse fusie van pvda, GroenLinks en SP. In 2010 keerde hoofdredacteur Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer terug naar het basisidee van Van Mierlo. ‘Als de tijd ooit rijp is voor die Grote Progressieve Volkspartij, dan is het nu’, schreef ze in 2010, nadat pvda, GroenLinks, d66 én SP de verkiezingen hadden verloren van rechts en uiterst rechts.

En dan laten we al die fotosessies, waarin afgelopen decennia partij-overschrijdende linkse eenheid werd geveinsd, maar even buiten beeld: al die plaatjes met Wouter Bos, Jan Marijnissen, Femke Halsema, Job Cohen, Emile Roemer, Jolande Sap, Jesse Klaver, Lilian Marijnissen en Lodewijk Asscher aan de vooravond van verkiezingen die de indruk moesten wekken dat ze elkaar heus niet zouden laten vallen.

Afgelopen 35 jaar is de Partij van de Arbeid ook op gemeentelijk niveau driekwart van haar aanhang kwijtgeraakt

Door al dit gepruttel hadden die pleidooien voor bundeling ter linkerzijde daarom iets pathetisch. Ach gossie, kijk al die progressieve politici zich ostentatief zorgen maken over grote strategie, terwijl ze in hun hoofd eigenlijk vooral lijstjes maken met namen en functies voor een nieuw kabinet waarin ze vaak niet eens gaan zitten. Het is raar als je zo klein bent. Maar in de pvda werkt dat nog steeds zo en bij GroenLinks inmiddels ook. Ondanks de electorale afgang van dit jaar circuleerden tijdens de eindeloze informatie van ser-voorzitter Mariëtte Hamer in die kringen meteen al namen van ministeriabele lieden, zoals Jeroen Dijsselbloem, Marcel Levi, Lodewijk Asscher, Jesse Klaver zelf en andere meer of minder beproefde bestuurders uit beide partijen.

Sterker nog, bij GroenLinks was de Kamerfractie oprecht verontwaardigd dat vvd en cda dubbel spel hadden gespeeld en het nooit ‘langs de inhoud’ hadden willen doen.

—————
Jesse Klaver en Lilianne Ploumen na afloop van een gesprek met informateur Mariëtte Hamer. Den Haag, 30 augustus © Bart Maat / ANP

Het eind van dit formatieliedje is bloedlink. De traditionele regeringspartijen van Nederland hebben door hun machiavellisme, machtsdrift en/of naïviteit allemaal meer of minder gefaald. De stamtafel, waar ‘de politiek’ en ‘hullie in Den Haag’ toch altijd al werden afgeserveerd, heeft er gratis en voor niks weer wat argumenten voor een autoritair-populistische aanpak bijgekregen.

Maar dat vvd en cda de boel vijf maanden lang hebben kunnen traineren en zo Nederland weer iets rijper hebben gemaakt voor een volgende electorale coup van kleinburgerlijk, xenofoob of fascistoïde rechts (bbb, ja21, pvv, FvD) dan het al was, heeft wel één bijkomend voordeel opgeleverd. Mark Rutte en Wopke Hoekstra hebben Lilianne Ploumen en Jesse Klaver sneller in elkaars armen gedreven dan de kiezers van pvda en GroenLinks konden bevroeden toen deze partijen voor de verkiezingen beloofden ‘samen uit, samen thuis’ de formatie in te gaan.

Wellicht was het plotselinge nieuws over een fractiefusie een tactische manoeuvre om aan tafel te kunnen blijven zitten. Misschien was het voortijdige bericht daarover via conservatieve spindoctors een trucje van vvd en cda om beide partijen tegen elkaar op te zetten. Maar wat er op de achtergrond ook speelde en hoezeer de leden ook voor het blok zijn gezet, pvda en GroenLinks kunnen niet meer terug. De partijen kunnen zich niet meer vermeien in geouwehoer over strategieën, maar moeten binnen afzienbare termijn keuzes maken.

Er is op dit moment maar één richting: samen optrekken in het parlement, bundeling van de wetenschappelijke bureaus en uiteindelijk fusie van de partijen zelf. Het gezag van Ploumen en Klaver in eigen kring mag dan broos zijn, als pvda en GroenLinks zich toch weer losrukken omdat scherpslijpers in eigen huis op zolder nog ergens een uniek erfgoed hebben gevonden, dan is de kans weer voor jaren verkeken.

—————

Een eerdere partijfusie kan de twee partijen komende jaren tot voorbeeld strekken.

Niet die fusie van GroenLinks drie decennia geleden. Toen ppr, psp, cpn en evp in 1989 met één lijst aan de Tweede-Kamerverkiezingen gingen deelnemen, waren deze partijen met twee zetels voor de ppr, één voor de psp en nul voor de cpn en evp op sterven na dood. De psp, een succesverhaal uit de sixties, had de jaren zeventig ternauwernood overleefd. De cpn was ten onder gegaan aan een vorm van dialectiek tussen de paranoia van het oude stalinistische erelid Paul de Groot en het verlangen naar catharsis en vernieuwing van naoorlogse studentencommunisten. Met de fusie riep ‘klein links’ deze afkalving een halt toe, al zou GroenLinks nooit verder reiken dan veertien zetels, twee minder dan het record voor de drie apart in 1973.

Wel kunnen pvda en GroenLinks zich optrekken aan het cda. De twee partijen zijn er veel beroerder aan toe dan kvp, arp en chu een halve eeuw geleden. In de jaren zestig kelderden de drie confessionele partijen van 76 zetels in 1963 naar 48 zetels in 1972. pvda en GroenLinks gingen van vijftig in 2003 naar zeventien nu. Het bredere plaatje is amper troostrijker. Met de SP erbij heeft links twee zeteltjes meer dan d66 in haar eentje. Voor een slechter resultaat moeten we terug naar de tijd van voor het algemeen kiesrecht in 1917/1919.

Dit linkse verval komt hoofdzakelijk op conto van de pvda. De partij is niet alleen landelijk weggegleden. Afgelopen 35 jaar is de pvda ook op gemeentelijk niveau driekwart van haar aanhang kwijtgeraakt. Medio jaren tachtig had de partij haar hoop gevestigd op het ‘wethouderssocialisme’, een term die refereerde aan al die opvolgers van Floor Wibaut in nagenoeg alle grote steden van Nederland. Nu is het begrip een lachertje.

Het betonrot van de oude confessionelen trof in de jaren zestig eveneens één partij het pijnlijkst. De katholieke kvp halveerde toen van bijna een derde van het electoraat in 1963 naar nog geen achttien procent in 1973. De kvp – en in mindere mate de chu die dat decennium eveneens de helft van haar kiezers verloor ondanks een surrealistische performance van freule Wttewaall van Stoetwegen in 1971 bij de Damslapers in Amsterdam – had daarom een nieuw dak nodig om te kunnen overleven. Onderling wantrouwen stond een snelle fusie in de weg. Vooral de exegetisch goed onderlegde gereformeerden uit de arp voelden nattigheid als de praters uit de kvp de bijbel niet al te serieus wilden nemen. Uiteindelijk vonden ze elkaar op het ‘evangelie als richtsnoer’ en slaagde de fusie.

Dat was in belangrijke mate te danken aan één man: de econoom Piet Steenkamp, kvp’er en hoogleraar aan de katholieke universiteit in Tilburg. Steenkamp had minstens twee eigenschappen die onontbeerlijk bleken voor het fusieproces: hij had geen brandende politieke plannen met zichzelf – menigmaal weigerde hij een ministerspost – en hij was bijna altijd goedgehumeurd, ook in contact met politieke tegenstanders.

Het cda dat in 1980 na dertien jaar trekken en duwen tot stand kwam, werd een doorslaand succes. In de 33 jaar tussen het einde van het sociaal-democratische tijdperk in 1977 tot aan het begin van de liberale dominantie in 2010 leverde het cda maar liefst een kwart eeuw de premier: vijf jaar Dries van Agt, twaalf jaar Ruud Lubbers en acht jaar Jan Peter Balkenende. Het cda kon het Torentje claimen omdat het meestal – niet altijd, in 1977 en 1982 was de pvda sterker uit de verkiezingen gekomen – de grootste fractie had in de Tweede Kamer.

De Partij van de Arbeid en GroenLinks moeten als de wiedeweerga op zoek naar een eigen Piet Steenkamp

Zo simpel is het nog steeds. De grootste kan aanspraak maken op het premierschap. Juist die informele claim heeft progressief Nederland nu al twintig jaar laten lopen. Willens en wetens zelfs, door verdeeld op te trekken en niet onder ogen te zien dat de sociaal-democratie, ondanks acht paarse jaren met Wim Kok, sinds de jaren zeventig het nakijken heeft.

—————

Pardon? Het einde van de sociaal-democratie reeds in 1977? Volgens vvd-leider Frits Bolkestein heeft het kabinet-Den Uyl door zijn ‘verwoestend effect’ mentaal toch veel langer doorgeregeerd dan die vier jaartjes na 1973?

Bolkestein tamboereert inderdaad al heel lang op deze schuldboekhouding. Ook na elf jaar vvd-macht in het Torentje kan hij er geen genoeg van krijgen, bleek weer eens in een recent interview met De Groene Amsterdammer waarin de naam van Joop den Uyl wel drie keer voorkomt als belichaming van dominees-intellectualisme en ander kwaad.

Deze obsessie zij Bolkestein gegund. Maar ze is wel te veel eer voor Den Uyl. Zijn beruchte kabinet was niet de ommekeer in Nederland die de latere vvd-voorman er nog steeds in ziet. De regering met Den Uyl kwam historisch gezien eerder te laat dan te vroeg in de vaderlandse geschiedenis. Links liep in een groot deel van de westers-democratische industriewereld ideologisch gezien namelijk al op haar laatste benen toen het ‘rode kabinet met een wit randje’ in 1973 aantrad.

Die kentering begon met het Amerikaanse besluit in 1971 om de gouden standaard van de dollar op te geven, mede omdat deze koppeling door de dure Vietnamoorlog onhoudbaar was geworden. De eerste oliecrisis van 1973 bleek vervolgens het doodvonnis voor de naoorlogse keynesiaanse consensus dat de staat gefocust moest zijn op volledige werkgelegenheid en de economie globaal aanstuurde, bijvoorbeeld door de consumptieve vraag in een recessie van overheidswege op te stuwen of bij oververhitting juist wat te temperen. Den Uyl dacht in 1973 abusievelijk dat hij op die lijn verder kon. Maar terwijl zijn ploeg ‘leuke dingen voor linkse mensen’ deed, stoomde de liberale aanbodeconomie op: eerst langzaam en wat stiekem, maar na 1979, na de verkiezingsoverwinningen van Margaret Thatcher in Engeland en Ronald Reagan in Amerika, snel en onweerstaanbaar. Het was geen toeval dat medio jaren zeventig twee hard liberale, anti-keynesiaanse economen de Nobelprijs wonnen: te weten Friedrich Hayek (1974) en Milton Friedman (1976).

Het lag in retrospectief dus nogal voor de hand dat het eerste kabinet-Den Uyl tevens het laatste was en de premier zelf zag dat later ook zo.

Deze structurele kentering heeft grote gevolgen gehad. De pvda raakte verstrikt in haar verheffingsideaal, toch de crux van het sociaal-democratische compromis om de (hogere) middengroepen en geschoolde arbeidersklasse te verbinden. De pvda dacht de breuk met dat historische compromis op te kunnen lossen door een plek in het midden te zoeken en vooral niet al te politiek te doen. Na de val van de Berlijnse Muur leek dat inderdaad even te lukken. Maar op het eind werd de pvda verzwolgen door haar eigen depolitisering.

Het enige wat de pvda na 2002 nog restte waren haar progressieve geloofsbrieven. Wat die opleverden in de post-Pim-polarisatie is bekend: negen zetels. De pvda is net iets groter dan klein links (ppr, cpn en psp) op het dieptepunt in 1977. De idee dat een frisse nieuwe partijleiding het tij kon keren, zoals met Wouter Bos en Diederik Samsom in 2003 en 2012, bleek een illusie. Kijk ook naar GroenLinks met haar meet-ups en andere nieuwerwetse communicatie: vier jaar blij met veertien zetels voor Jesse Klaver en nu weer terug in de harde realiteit van een Nederland waar radicaal rechts de politieke cultuur monopoliseert. Gefeliciteerd.

Terugblikkend is het fiasco met de pvp dus niet alleen een jammerlijk falen van de mannetjesputters van toen, maar ook een uiting van een nu al decennia durend onvermogen om de jaren zeventig te doorgronden.

Dat laatste ziekt tot op de dag van vandaag door. Geheel progressief links is zwakker dan ooit. Nota bene net nu de 1979-consensus dat liberalisering, deregulering en privatisering altijd een positieve balans opleveren, en de al wat oudere meritocratische mythe dat iedereen in de wieg gelijk wordt geboren en succes dus je eigen verdienste is en geen stom geluk, aan het einde van hun Latijn zijn, maar de verliezers van beide dogma’s aan hun lot worden overgelaten, zijn de ontvolkte progressieve partijen niet in staat tot politieke machtsvorming. Dat gebeurt wel aan de flanken. In een wappie-wereld, waar fascistoïde rechts zich laat inspireren (en deels betalen) door het duo Poetin/Orbán. En in een woke-wereld, waar onderdrukten aller landen, van gekleurd tot transmens, ter wille van diversiteit op één hoop worden geveegd, maar waar die inclusiviteit bij de eerste de beste ruzie bezinkt in mentale gelijkschakeling, zoals bleek bij bij1.

De consequenties zijn enorm. Deze onmacht ondermijnt de pluriforme democratie.

Nee, als de twee kleine links-progressieve partijen bij elkaar zijn geveegd, breekt er heus geen nieuwe dageraad aan. Ja, een samengaan van pvda en GroenLinks is op dit moment een defensieve aanpak, een keuze om progressief links niet helemaal in de mist te laten verdwijnen. In die zin is het een geluk bij een ongeluk dat Ploumen en Klaver door Rutte en Hoekstra zijn uitgerangeerd. pvda en GroenLinks kunnen de oppositie benutten voor een beetje ideologisch herstelwerk, terwijl d66 in strijd met de pvp-erfenis van Van Mierlo verder naar een nieuwe plek zoekt in het midden en de SP op haar oud-linkse voet doorgaat.

Toegegeven, dat heeft iets treurigs. Progressieve concentratie was een halve eeuw geleden een strategie om een wereld te winnen. Nu is ze slechts een optie om tijd te winnen. Maar dat is niet per se oneervol.

De twee clubs moeten dan ook als de wiedeweerga op zoek naar een eigen Piet Steenkamp: een man of vrouw die genoeg ambitie heeft om door te drukken maar te weinig om een gevaar te zijn. Die zijn er op het eerste gezicht niet. Maar ergens in de coulissen verschuilen zich ongetwijfeld dames en heren van stand die een fusieclub willen vormen, een vijftal voormalige parlementariërs of ministers, professoren of burgemeesters die, net als Steenkamp, geen werk zoeken en zich niet schamen voor een beetje masochisme.

Belangstellenden kunnen zich melden onder nummer 1234567 van dit blad. Foto en cv zijn niet nodig.


Historicus en journalist Hubert Smeets is onder meer auteur van Een wonderbaarlijk politicus: Hans van Mierlo, 1931-2010. De Bezige Bij, 2021