De bibliotheek van Van der Goes van Naters

Voor het vertrek

De uitgebreide bibliotheek van Marinus van der Goes van Naters gaat na zijn dood
naar het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Ter gelegenheid van deze overdracht schreef hij alvast een tekst voor De Groene Amsterdammer.

Vroeger was het in de studentenwereld erg in om aan de «groenen» te vragen welk boek zij zouden meenemen als zij plotseling naar een spaarzaam bewoond eiland moesten vertrekken en maar één boek mochten meenemen. Je kon dan uit het antwoord van de betreffende «groene» meestal wel zijn voorkeur opmaken.
In mijn geval gaat het niet over één boek, maar over een heel uitgebreide bibliotheek en mijn vertrek zal definitief zijn.
Wat kan men over mijn voorkeuren opmerken?

Ik kan niet alle boeken waarvan ik nu eigenlijk al afscheid neem, in mijn oordeel betrekken. Ik zal het in dit artikel maar over één boek hebben, men vindt dat genoemd aan het einde van dit stuk.
Graag zal ik een bepaalde categorie van mijn boeken van commentaar voorzien, namelijk betreffende mijn persoonlijke reacties op de klassieke socialisten Marx, Engels, Lassalle en Jaurès.
Dat wordt al veel en daarom haal ik er nu maar één uit en dat is Ferdinand Lassalle. Aan hem wijd ik dus deze afscheidsgedachten.
Lassalle was een man vol innerlijke tegenspraak. Hij was bedreven in de wapenhandel, wat voor een socialist toch al merkwaardig is, en hij had een heel bijzondere band met de gravin Von Hatzfeld, wier raadsman en minnaar hij was.
In de uitgebreide schrifturen staan beroemde redevoeringen die hij als pleidooi voor de gravin heeft gehouden voor de strafrechter. Hij had namelijk bij haar minderwaardige echtgenoot de stukken gegapt die voor een proces, waartoe het ook werkelijk is gekomen, van belang waren en hij werd zelf voor die daad aangeklaagd bij de strafrechter. Die redevoeringen zijn van een bijna griezelige geleerdheid, met veel Griekse en Latijnse citaten.
Ik meen dat hij toen inderdaad is vrijgesproken, althans dat hij daarvoor nooit gevangen heeft gezeten.
Lassalle is in de tweede helft van zijn leven verliefd geworden op een meisje van zeer goede familie, Helène von Dönniges. Haar vader had alle mogelijke bezwaren tegen Lassalle. Maar, anders dan we zouden denken over het Duitsland van toen, niet over het feit dat Lassalle jood was; mevrouw Von Dönniges was zelf joodse.
De ontknoping van wat een verschrikkelijk drama werd, vond plaats in het Rigi Kulm Hotel, bovenop de Rigiberg, waar de geliefden elkaar nog ontmoetten voordat Lassalle even een duel moest uitvechten met de officiële verloofde, Von Rackowitz. Dat duel vond de volgende dag plaats en het leek voor Lassalle een heel makkelijke zaak: Janko was een nogal ziekelijke figuur en Lassalle was, zoals ik reeds schreef, bedreven in het hanteren van pistolen. Het liep anders af dan we zouden denken: Lassalle schoot in de lucht en Janko raakte hem dodelijk.
Na zijn dood maakte de gravin Von Hatzfeld zich van zijn lichaam meester, charterde een Rijnboot en voer met hem alle grote havenplaatsen af waar de samengestroomde arbeiders hem wenend de laatste eer kwamen bewijzen.
Ik eindig dit drama met een persoonlijke herinnering.
Toen ik nog in het zuiden des lands woonde, moest ik in Roermond stemmen verzamelen om daar een geldige kandidaat voor de verkiezingen te kunnen indienen. Ik kwam toen onder anderen bij een Duits sprekende arbeider, die natuurlijk toch Nederlander was, want hij kwam op die lijst. In zijn mooie kamer trof ik een devotielichtje aan met daarachter het portret van Lassalle.
En Helène von Dönniges?

Zij is na de dood van Lassalle van hand tot hand gegaan en tenslotte beland bij de bekende Franse beeldhouwer Carpeau, de ontwerper van de Parijse Opéra. Voor de grootse entree heeft hij een beeldengroep in helwit marmer gebeeldhouwd van de halfgodinnen die de verschillende kunsten uitbeelden; muziek, dans, enzovoort. Geheel rechts bevindt zich het prachtige beeld van Helène von Dönniges. Hier kan zij tot vandaag de dag bewonderd worden.
Natuurlijk zijn de levens van alle klassieke socialisten niet zo kleurrijk geweest als dat van Lassalle, maar ik blijf erbij dat de persoon achter een auteur altijd een noodzakelijke aanvulling geeft op zijn werk, evenzeer als dat met beroemde componisten en hun muziek het geval is. Het ene blijft onafscheidelijk verbonden met het andere.


Literatuur over dit onderwerp: Stendhal, La chartreuse de Parme.