Voor het zieleheil van de kijker

In de beste traditie van de jaren vijftig hebben de ministers Sorgdrager en Dijkstal enige ideeën ontvouwd om het volk te beschermen tegen reality-tv. Het liefst zouden ze ons willen vrijwaren van alle schokkende beelden, maar daar dit al te zeer ten koste gaat van de persvrijheid, grijpen ze naar dat bekende, uiterst effectieve middel om de overheid af te schermen: de voorlichter. Die moet maar beslissen wat wel of niet geoorloofd is. We weten al wat we dan te zien zullen krijgen: aan en af rijdende ambulances, dappere politieagenten en reddingwerkers, in conclaaf zijnde ministers of burgemeesters - maar van de werkelijkheid geen spoor.

Denk niet dat het erom gaat de overheid te beschermen tegen mogelijke kritiek. Nee, onze autoriteiten zijn uitsluitend vervuld van hoge morele idealen. Is het niet het zieleheil van kijkers en lezers, dan is het wel de privacy. Want wie, zo redeneren de ministers, vindt het nu leuk om op het moment van diepste ellende in de media te verschijnen? En heeft de overheid geen taak om hen tegen opdringerige media te beschermen?
Het eerste voorproefje hebben we gezien toen er weer varkens moesten worden afgemaakt. Minister Van Aartsen verbood journalisten daarbij aanwezig te zijn, omdat de beelden ons wel eens zouden kunnen schokken. Dat de reden ook zou kunnen zijn dat die beelden vragen oproepen over de zin van ons landbouwbeleid, komt alleen op bij zeer wantrouwende geesten. De rechter moest er aan te pas komen om het verbod ongeldig te verklaren.
Dat was nog maar een onschuldig voorbeeld. Want in dezelfde week dat Sorgdrager en Dijkstal met hun opmerkelijke richtlijnen kwamen, werden we geconfronteerd met een fraai staaltje ‘geleide voorlichting’: de publikatie van een aantal weggecensureerde foto’s van de oorlog in Indonesië. Ook toen mochten we niets anders zien dan soldaten die voedsel en medicijnen uitdeelden, en juichende Indonesiërs aan de kant van de weg. De andere kant - de oorlogshandelingen, de gesneuvelden, de gevangenen - werd het Nederlandse volk volledig onthouden. Dat zou maar onrust en twijfel wekken aan het regeringsbeleid.
In een democratie als de onze dient de journalistiek verantwoordelijk te zijn voor wat wordt geschreven en getoond. En als men daar onvoldoende vertrouwen in heeft, is er ten eerste nog het zelfreinigend vermogen van de samenleving, in de vorm van bijvoorbeeld verontwaardigde lezersbrieven. En verder zijn er de rechter en de Raad voor de Journalistiek, die heel wel in staat zijn de grenzen te bepalen.
Sorgdrager en Dijkstal zouden zich eerder zorgen moeten maken over de media die de - soms schokkende - werkelijkheid verbergen onder een stortvloed van andere programma’s. SBS6 en ook Veronica danken hun kijkcijfers vooral aan het uitzenden van geweld- en pornofilms. In Engeland zouden ze allang van het scherm geschopt zijn omdat ze volgens de onafhankelijke Broadcasting Commission geen bijdrage leveren aan het totaal van de programmering. Zolang het het kabinet aan de moed ontbreekt om dat behoorlijk te regelen, zouden ze zich beter aan het liberale beginsel van staatsonthouding kunnen houden.