Belangen verpakt in identiteit

Voor iedereen een partij

De afgelopen verkiezingen tonen het succes van identiteitspolitiek. Maar moet de politiek niet gaan over wat mensen bindt in plaats van over wat hen van elkaar onderscheidt?

Medium anp 50205238
Rotterdam, 15 maart. Tunahan Kuzu spreekt na de exitpolls in het partijkantoor van DENK zijn aanhangers toe © MARCO DE SWART / ANP

Een verkiezingsavond waarop de partijen zich entre nous verzamelen in cafés en feestgelegenheden om te wachten op de uitslag, biedt inkijk in de esthetische voorkeuren van een politieke club. Neem DENK. Op het moment dat de uitslag binnenkwam vielen de aanwezigen elkaar hossend in de armen. Het waren allemaal mannen, keurig gekapt en haast zonder uitzondering gekleed in een donker pak. Alsof ze voor de gelegenheid gezamenlijk naar de Suitsupply waren gegaan en zich van dezelfde rol marineblauw kamgaren een kostuum hadden laten aanmeten. Bij GroenLinks veel jurkjes, hier en daar opgerolde hemdsmouwen en veel los haar. Bij d66 en de vvd bleef het jasje aan.

Politiek gaat natuurlijk niet over kledingkeuzes, maar het overheersende beeld van de verkiezingsavond, groepjes min of meer dezelfde mensen die succes dan wel verlies met elkaar delen, verraadt een belangrijke maatschappelijke trend: de samenleving deelt zich op in groepen gelijkgestemden, met dezelfde levensstijl en dezelfde smaakvoorkeuren. De ‘sociaal-culturele scheidslijnen’ die het scp en de wrr in 2014 signaleerden in hun rapport Gescheiden werelden? tekenen zich ook politiek af. Met dertien partijen zonder dat er een echt grote tussen zit, is het politieke landschap nog nooit zo verkaveld geweest. Kiezers lijken zich in belangrijke mate te laten leiden door de vraag in hoeverre een partij aansluit bij de eigen persoon. Daarmee is identiteit een van de voornaamste ordenende principes in de politiek geworden.

Identiteitspolitiek is niet nieuw. De kleine christelijke partijen opereerden altijd al vanuit de overtuiging dat culturele subgroepen een eigen politieke vertegenwoordiging verdienen. Ze waren daarmee een kleine minderheid in een politiek landschap dat werd gedomineerd door partijen met een ideologie als grondvest. Sociaal-democratie, liberalisme en christen-democratie zijn open in de zin dat iedereen zich ertoe kan bekeren, ongeacht wie je bent en wat je doet. pvda, vvden cda weerspiegelden dat. In die partijen kwamen hoog- en laagopgeleid bij elkaar, net als stad en platteland, migranten en autochtonen.

Dat politieke midden liep vorige week verder leeg. Het aantal zetels voor pvda, vvd en cda is historisch laag. Bij de verkiezingen van 2012 was dit drietal nog goed voor 92 zetels. Bij deze verkiezingen bleef de teller steken op 61. Dat ging ten gunste van de partijen met een homogenere achterban: 50Plus die senioren mobiliseert, DENK dat zich opwerpt als stem van nieuwe Nederlanders. Een ander deel van het electoraat liep over naar de pvv van Geert Wilders die met zijn ‘Nederland moet Nederland blijven’ met name witte, laagopgeleide kiezers van middelbare leeftijd trok.

Wie ‘ergens’ vandaan komt, is geworteld en hecht aan groepsbinding

En ook de twee partijen die het meeste winst boekten ten opzichte van de vorige verkiezingen danken hun zetelwinst aan meer van dezelfde soort kiezers. De hoogopgeleide, stedelijke bevolking vond massaal zijn weg naar GroenLinks en d66. Amsterdam is een GroenLinks-enclave in een provincie waarin bijna overal de vvd de grootste werd. Ook de provincie Utrecht kleurde vvd-blauw met uitzondering van de hoofdstad, waar d66 won. In Zuid-Holland waren de studentensteden Delft en Leiden d66-eilandjes.

Die kiezers voelen zich juist weinig aangetrokken tot het vertoog over nationale identiteit dat werd aangezwengeld door Wilders. Liever stemmen ze op een partij die pleit voor openheid, diversiteit en tolerantie. En hoezeer GroenLinks en d66 ook een partij voor iedereen willen zijn, de kiezers die ze wonnen met dat geluid komen vooral uit één hoek: die van de hoogopgeleiden. Daarmee laten deze verkiezingen zien dat progressieve politiek net zozeer om identiteit draait als nationalistische politiek. ‘Normen en waarden’ stond ook in de top-drie belangrijkste thema’s van de d66-stemmer, zo bleek uit onderzoek van Ipsos in opdracht van de nos. Alleen gaat het om een andere invulling dan rechts eraan geeft.

Om progressieve identiteitspolitiek te begrijpen helpt een onderscheid dat wordt gemaakt in de sociologie. Sommige groepen baseren hun identiteit op toegeschreven kenmerken. Gender en etniciteit horen daarbij, net als de plaats waar je geboren bent of de streek waar je vandaan komt. Het zijn karakteristieken waar je geen controle over hebt, anders dan de vraag hoe belangrijk je ze maakt. Daartegenover staan groepen met een verworven identiteit, gebaseerd op prestaties en keuzes. Die twee kampen vallen grotendeels samen met opleidingsniveau. Wie is gaan studeren, naar de grote stad verhuisde en zich dankzij een diploma en goed inkomen met zelfvertrouwen over de wereld beweegt, kan daar zijn zelfbeeld aan ontlenen.

Meritocratie en mobiliteit, in andere woorden, zijn de kern van de progressieve politieke identiteit. Maar wie, zoals de gemiddelde Nederlander, woont binnen een straal van 35 kilometer van waar zijn grootouders ter wereld kwamen, moet zijn identiteit ergens anders vandaan halen. Regio, bijvoorbeeld, het Nederlanderschap of tradities. Hier ligt de verklaring voor het feit dat negentig procent van de GroenLinks- en d66-kiezers hoog of middelhoog zijn opgeleid terwijl de groep pvv-kiezers minder dan vijftien procent hoogopgeleiden herbergt.

De ‘overal’-mens vindt beweeglijkheid en zelfbeschikking belangrijker

Het onderscheid tussen een gegeven en een gevormde identiteit wordt gebruikt door David Goodhart in zijn pas verschenen boek The Road to Somewhere: The Populist Revolt and the Future of Politics. Daarin analyseert deze Britse commentator het verschil tussen ‘somewhere people’ en ‘anywhere people’. Wie ‘ergens’ vandaan komt, is geworteld en hecht aan groepsbinding en veiligheid. De ‘overal’-mens vindt beweeglijkheid en zelfbeschikking belangrijker. Zelf is Goodhart – journalist, wonend in Londen – een anywhere die heeft gebroken met de grootstedelijke elite omdat hij een groeiend ongemak voelde met de progressievelingen die in zijn ogen het belang van een gedeelde taal, geschiedenis en cultuur miskennen. De strijd tussen ergens en nergens verklaart volgens hem de grote gebeurtenissen van deze tijd, zoals de Brexit en de overwinning van Donald Trump.

Natuurlijk zijn de losgezongen kosmopoliet die progressief stemt versus de gewortelde burger die kiest voor rechts-populisme een nogal grove indeling. In werkelijkheid bestaan er veel tussencategorieën, geeft Goodhart toe. Dat is ook in Nederland zo, met als verschil dat ons kiesstelsel met zijn vele partijen en openheid voor nieuwe deelnemers die verschillen direct laat zien. Een somewhere die tot de culturele elite behoort ziet zichzelf terug bij het Forum voor Democratie. Burgers van wie het ‘ergens’ buiten Nederland ligt worden bediend door DENK. Wie zijn leeftijd en arbeidsverleden als kernidentiteit heeft (‘een leven lang hard gewerkt’) kan aankloppen bij 50Plus. Deze verkiezingen tekenden zich door belangen die werden verpakt in identiteit.

Dat geldt ook voor Hollandse anywheres, die ook weer verdeeld zijn in subcategorieën. Inhoudelijk zijn de verschillen tussen GroenLinks en d66 klein. Beide zijn pro-Europees, hebben een ruimhartig vluchtelingenbeleid en hechten aan duurzaamheid. Het enige waarop ze zich werkelijk van elkaar kunnen onderscheiden is identiteit: het iets bestuurlijkere d66 versus het jonge-hondenimago van Jesse Klaver. Dat hoogopgeleide kiezers het verschil tussen deze twee ervaren als een fundamentele politieke keuze bewijst hoe nauw de aansluiting tussen de eigen identiteit en die van een partij moet zijn om stemmen te trekken. De electorale optater die de pvda kreeg laat zich net zo goed begrijpen vanuit de identiteitspolitiek. De sociaal-democratische identiteit, met de nadruk op het willen verbinden van verschillende groepen binnen één partij, sluit slecht aan bij een electoraat dat in grote mate vanuit het eigen ik voor een partij kiest. Het is in dit verband veelzeggend dat van de kiezers tussen 18 en 24 jaar, de leeftijdscategorie waarin een eigen identiteit nog volop gevormd wordt, slechts één procent op de pvda heeft gestemd. Daarmee zit er weinig toekomst in die partij. GroenLinks en d66 haalden het tienvoudige aan jonge kiezers binnen.

De vvd en het cda, die andere middenpartijen, overleefden door op tijd de oversteek naar de identiteitspolitiek te maken. De open brief van Mark Rutte, waarin hij opriep ‘normaal’ te doen of anders dit land te verlaten, was in die zin een slimme zet. Door een amorf ‘normaal’ te kiezen als invulling van het Nederlands-zijn was de vvd het ideale lege scherm waarop iedereen zichzelf kon projecteren. Wie is er nu niet normaal? Sybrand Buma’s joods-christelijke stokpaardje was goed voor zeven extra zetels.

Er zit, kortom, politieke energie rondom identiteit. Maar dat betekent niet dat het ook een gezonde basis is voor een democratie. Het verlangen van kiezers zichzelf weerspiegeld te zien in de partij van hun voorkeur is een recept voor een verdeelde samenleving. Hoe meer partijen aparte groepen kiezers bedienen, hoe groter de kans dat ze zich opsluiten in hun eigen overtuiging. Somewheres in het idee dat ze in hun bestaanswijze worden bedreigd, anywheres in hun overtuiging dat een open samenleving het beste is voor iedereen. Zo bezien is het zorgelijk dat partijen die op dit punt het meest tegenover elkaar staan, de pvv aan de ene kant en GroenLinks en d66 aan de andere kant, de meeste nieuwe stemmers aan zich wisten te binden.

Identiteit is een ‘gevaarlijk woord’, vond de historicus Tony Judt, vooral als het om politiek gaat. Wanneer een samenleving zich opdeelt langs lijnen van identiteit, komen mensen die op de grenzen van die groepen staan in de knel. Identiteit gaat nooit alleen over jezelf, maar is altijd ook een harde afwijzing van wie er niet bijhoort, schreef hij in zijn essay Edge People.

Judt wijst erop dat je op verschillende manieren naar een democratie kunt kijken. Als plek waar zo veel mogelijk verschil bij elkaar komt, met elkaar botst en waar iedereen hoopt zoveel mogelijk uit die confrontatie te slepen. Of je beschouwt politiek als zoektocht naar wat verschillende groepen in een diverse samenleving met elkaar delen. De afgelopen verkiezingen, met een versmallend midden en een triomf van de identiteitspolitiek, zijn een duidelijke keuze voor dat eerste. De kiezers hebben zich in smalle rijen achter hun volksvertegenwoordigers opgesteld. Nederland, waarin negentig procent van de bevolking zegt zich gelukkig te voelen, vierde de democratie. De opdracht is nu om ook mensen van buiten de eigen kring uit te nodigen voor het feestje.