Beeldende kunst: Nelly van Doesburg

Voor iedereen thuis

De tentoonstelling Atelier Nelly en Theo van Doesburg in Het Nieuwe Instituut schuift Nelly van Doesburg naar voren als sleutelfiguur als het gaat om de reputatie van haar man en De Stijl.

Theo van Doesburg, Kleurontwerp voor de oostgevel van Maison Particulière, 1923. Grafiet en gouache op calqueerpapier op houthoudend karton, 7,30 x 11 cm © Collectie Het Nieuwe Instituut gift Van Moorsel/ DOES, ab5188

Theo van Doesburg en Nelly van Moorsel kenden elkaar nog maar net toen ze in het voorjaar van 1921 samen een rondreis van zes weken door Europa maakten. In Antwerpen traden ze voor het eerst samen op, Theo met een lezing over het begrip Nieuwe Beelding en Nelly met pianospel van moderne composities. In Brussel bezochten ze onder anderen René Magritte. En nu waren ze in Parijs aangekomen, waar ze veel met Mondriaan zouden optrekken en met de dadaïst Tristan Tzara, maar eerst kocht Theo voor zijn nieuwe vriendin een nieuwe outift. Er is een foto van Nelly waarop ze haar nieuwe jurk draagt, in de tuin op bezoek bij Georges en Tine Vantongerloo in Menton, later op hun reis. De jurk was helemaal in De Stijl-stijl: wit-zwart geblokt met een rood ceintuur en daarbij hoorde een gele hoed. Nelly had pas een jaar eerder kennis gemaakt met het gedachtegoed van De Stijl, toen ze een exemplaar van het gelijknamige tijdschrift in de studeerkamer van haar broer had zien liggen. Hij nam haar mee naar de Haagsche Kunstkring voor een lezing waar ze Theo eerst aanschouwde op het podium, en hem na afloop ontmoette. En nu was ze met hem in Parijs, in het hart van de avant-garde, volledig ingelijfd in de nieuwste kunst.

Van Doesburg was zestien jaar ouder dan Van Moorsel en een drukbezet man: hij was getrouwd en maakte deel uit van een groeiend internationaal netwerk van kunstenaars met utopische ideeën voor de naoorlogse maatschappij met kunst die zich daar voor de buitenstaander vaak juist vanaf leek te keren. De Stijl propageerde een wereld waarin beeldende kunst, vormgeving, muziek, literatuur, poëzie en architectuur volledig samen zouden gaan en Theo droomde van een positie aan het Bauhaus in Weimar, die er ondanks een lang verblijf nooit van zou komen.

Van Moorsel studeerde weliswaar piano aan het conservatorium en genoot danslessen, maar kwam uit een conservatief nest in Den Haag. Vooruitstrevende kunst was in haar leven vóór Van Doesburg ver te zoeken, of het moet bij buurman H.P. Berlage zijn geweest.

Ze was op zoek naar avontuur en ging, tegen de wens van haar ouders in, met Van Doesburg mee. Ze trouwden in 1928, maar hun relatie was ook artistiek van aard: zij begeleidde Van Doesburg en andere kunstenaars, onder wie Kurt Schwitters, op de piano bij hun voordrachten. Ze had een artiestennaam, Pétro, en deed mee – op het podium, vol in het zicht. In november 1921 kondigde de Belgische krant een gezamenlijk optreden in Brussel aan: ‘Mevrouw van Doesburg van Moorsel aan het klavier zal moderne Hollandsche composities ten gehoore brengen in verband met den geest der door haar man behandelde kunstrichting.’

Het was een vlammende, maar korte periode die ze samen doorbrachten, tussen twee oorlogen in. Vanaf begin jaren twintig ontwierp Van Doesburg diverse kunstenaarswoningen, maar alleen de atelierwoning voor hen samen werd gerealiseerd, in Meudon-Val-Fleury, nabij Parijs. Het was nog niet helemaal af toen hij in 1931 onverwacht stierf aan een hartaanval. Nelly van Doesburg (1899-1975) bleef achter in het huis dat gemaakt was voor twee, met het grote atelier, de bibliotheek en de muziekkamer. Samen met de kunst, hoge stapels van het tijdschrift De Stijl en legio onuitgevoerde ontwerpen en ideeën.

dubbelportret van Theo en Nelly Doesburg, 1921. Gelatine zilverdruk, 11,8 x 11,8 cm © RKD / Archief van Theo en Nelly van Doesburg

Wies van Moorsel zet een kop thee op een onderzetter in De Stijl-kleuren neer in haar bovenwoning in Amsterdam. De anekdote van de jurk is afkomstig uit het biografische boek dat zij over haar tante schreef, De doorsnee is mij niet genoeg uit 2000. Ze herinnert zich de vleugel, de wanden vol met kunst en de wanorde van het archief toen ze in 1960 in de spierwitte atelierwoning in Meudon ging logeren. Ze had kunstgeschiedenis gestudeerd en toch was het niet vanzelfsprekend dat zij aanklopte bij haar tante, laat staan dat zij later haar erfgenaam zou worden. De keus van Nelly voor de kunstenaar Theo liet zelfs decennia later diepe sporen in de familie na en van warme banden was geen sprake. Maar een tante bemiddelde en Van Moorsel kon met een project in het archief komen helpen. Van Moorsel vertelt: ‘Het hele archief lag in allerlei kasten opgeborgen in huis. De tekeningen van Van Doesburg en het archief van De Stijl lagen gewoon in van die grote dozen van Dior – mijn tante had kleding van belangrijke huizen. Super onverantwoord, zou je nu zeggen.’

Ze logeerde drie weken in Meudon, drie weken waarin het haar duidelijk werd dat ze bij haar studie in Leiden bijzonder weinig over de nieuwste tijd had geleerd. Mondriaan en Van Doesburg kende ze, maar van het werk van Kurt Schwitters, Hans Arp of Alexander Calder, allemaal aanwezig in het huis, had ze geen idee. Maar Nelly nam haar mee naar vriendinnen met kunstcollecties in Parijs, onder wie kunstenaar Mary Callery, met een grote verzameling met werk van onder anderen Picasso en Braque, en ze leerde Arp persoonlijk kennen, die woonde vlakbij. Zijn atelier en zijn tuin stonden vol met zijn beelden.

Toen Van Moorsel in 1955 ging studeren, was 1920 voor de kunstgeschiedenis nog te dichtbij. Het stof van de avant-garde was nog niet volledig neergedaald, laat staan dat er oog was voor de rol van Nelly van Doesburg. Ook niet door haar eigen nicht trouwens, die haar nooit expliciet naar haar rol binnen De Stijl heeft gevraagd. ‘Ik wist wel dat ze piano had gespeeld. Maar over dat stuk leven van haar vertelde zij zelf ook niet. Het ging alleen over Van Doesburg en zijn vrienden, over Schwitters die ze altijd naar voren schoof.’

Het idee voor een boek over Nelly van Doesburg kwam pas veel later. ‘Het was vanuit mijn persoonlijke ontwikkeling binnen het feminisme dat ik dacht: maar mijn eigen tante moet ik niet vergeten.’

De tentoonstelling in Het Nieuwe Instituut, Atelier Nelly en Theo van Doesburg, opent met een foto van het dodenmasker van Theo van Doesburg. Dat is een opvallende keuze, want doorgaans gaat alle aandacht naar hem bij leven uit, zoals recent in de grote overzichtstentoonstelling in Brussel. Het is Van Doesburg die kunstenaars nog altijd inspireert, zoals de Griekse kunstenaar Antonis Pittas, die voor zijn tentoonstelling, momenteel te zien in het Centraal Museum in Utrecht, een politiek perspectief op het werk van Van Doesburg losliet. Het is de biografie van Theo van Doesburg die komend voorjaar bij de Bezige Bij verschijnt.

De presentatie in Het Nieuwe Instituut neemt juist Nelly als sleutelfiguur en bevraagt het auteurschap van het oeuvre. Zij was in haar eentje verantwoordelijk voor het opbouwen van de reputatie van haar man en De Stijl. Zonder haar hadden wij hem nu lang niet zo goed gekend, en in het buitenland al helemaal niet. Waar Theo stierf, nam Nelly het werk over. Ze zou weleens een signatuur hebben gezet als die er niet stond. Na de foto van het dodenmasker van Theo zijn het de portretten van Nelly die de tentoonstelling sieren.

‘Nelly probeerde op allerlei manieren om Van Doesburg aan de man te brengen. Vooral de reis naar Amerika heeft enorm geholpen. Van Nederland moest ze het niet hebben. O nee, een rotland wat dat betreft’

Aanleiding voor de tentoonstelling is de recente restauratie van het architectuurarchief van Van Doesburg, ondergebracht in de Rijkscollectie voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw, dat na het decennialange verblijf in de Dior-dozen en kasten in belabberde staat verkeerde. Ontwerpers en samenstellers Jannetje in ’t Veld en Toon Koehorst gaven de tentoonstelling de vorm van een spiraal waarin het archief in wervelende fragmenten tot ons komt. Het is een kluwen van dwarsverbanden waarbij originele tekeningen worden gecombineerd met fotografie, bewegend beeld, reclamefolders van bijzonder materiaal en technische opmerkingen van het restauratieteam. Bij een gehavende ontwerptekening voor het architectonische project La Cité de Circulation staat bijvoorbeeld genoteerd: ‘Vuil, muizenvraatschade, gekreukte randen, scheuren, lacunes.’ In totaal gaat het om dertig meter scheur en vijf vierkante decimeter lacunes waar een oplossing voor moet komen.

Atelier Nelly en Theo van Doesburg is geen breed opgezette publiekstentoonstelling die De Stijl en Theo en Nelly van Doesburg introduceert en volgt, maar een bescheiden presentatie die meteen de diepte ingaat. De architectonische ontwerpen staan centraal, en in het bijzonder de atelierwoning in Meudon, als belangrijk werk in het oeuvre van Van Doesburg, waar Nelly het grootste deel van haar verdere leven in verbleef. Prachtig uitgewerkte tekeningen met technische beschrijvingen als ‘een zwart-wit axonometrie van een L-vormige bakstenen stapelconstructie’ en ‘contra-constructie in isometrisch perspectief’ worden afgewisseld met zwart-witfoto’s van Nelly en het huis door de jaren heen. We zien haar boven aan de trap staan met de hondjes Dada en BouBoule. Financieel was het na Theo’s overlijden zwaar, ze nam kostgangers in huis en schreef de hondjes in als waakhonden om de hondenbelasting te omzeilen. We zien haar met haar geliefde Sourou Apithy, de latere president van Benin, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voor de garage van het huis. De woning fungeerde een tijd lang als plek van waaruit Apithy de anti-koloniale beweging in Frankrijk organiseerde. We zien haar in New York in 1947, gebogen over een tentoonstelling van Van Doesburg in de galerie van haar vriendin Peggy Guggenheim.

Van Moorsel vertelt dat Nelly wist dat zonder haar het werk van De Stijl in de vergetelheid zou kunnen raken. ‘Ze wist dat ze aan Mondriaan niet veel had, dat was te veel concurrentie en bovendien hadden Mondriaan en Van Doesburg mot gehad. Ook Cornelis van Eesteren was niet echt ergens toe bereid. Nelly was hartstikke jong toen Van Doesburg stierf, 31 pas, met een heel leven voor zich. Toen is ze aan het knokken geslagen en heeft ze op allerlei manieren geprobeerd om Van Doesburg aan de man te brengen. Ze ging met het werk op reis en vooral de reis naar Amerika heeft enorm geholpen, want daar zaten de mensen die gevlucht waren uit Duitsland en die Van Doesburg hadden meegemaakt. Van Nederland moest ze het niet hebben. O nee, een rotland wat dat betreft.’

Het huis in Meudon bleef een ontmoetingsplek voor de avant-garde; Hans Arp, Sophie Taeuber-Arp en Max Ernst waren kind aan huis. In de garage woonde de hond van Alexander Calder toen die voor langere tijd op reis ging. Na de tijd van de avant-gardisten kwamen de mensen op bezoek die op hun beurt weer in hen geïnteresseerd waren. Nelly van Doesburg was voor iedereen thuis.

Nelly van Doesburg in haar atelierwoning in Meudon-Val-Fleury, Frankrijk © RKD / Archief van Theo en Nelly van Doesburg

In het in memoriam dat Willem Sandberg schreef van ‘Petro van Doesburg’, en dat onderdeel uitmaakt van de tentoonstelling, haalde hij herinneringen op die haar rol als spil in een kunstenaarsbolwerk onderstrepen. Hij roemde onder meer haar hulp bij zijn expositie Abstracte kunst in 1938 in het Stedelijk, toen zij hem introduceerde bij Arp en Brancusi en noem maar op. Hij memoreerde hoe Brancusi de avond voor de opening per trein kwam om zelf zijn werk te brengen, dat een hele zaal in het museum vulde – lang vervlogen tijden.

In een voetnoot vermeldde Sandberg dat er vast veel meer opzienbarends over haar tijd bij De Stijl en Dada viel te vertellen, maar dat hij zich in zijn bijdrage beperkte tot persoonlijke herinneringen. De makers van Atelier Nelly en Theo van Doesburg kennen meer betekenis toe aan die tijd, aan de overgang van Pétro als kunstenaar bij De Stijl naar Nelly van Doesburg als pleitbezorger voor het behoud van die kunst. Ze maken een bold statement: ‘Het is bekend dat Nelly haar eigen rol als kunstenaar na Theo’s dood heeft opgegeven voor hem.’

Wies van Moorsel is daar niet helemaal van overtuigd. Haar tante was bijvoorbeeld erg geïnteresseerd in de vooruitstrevende muziek van Jakob van Domselaer. ‘Zij was echt degene die dat soort muziek naar voren bracht en het publiekelijk speelde. Dat was toch echt heel nieuw.’ Maar die nieuwe muziek leerde ze wel kennen door Van Doesburg, en na zijn dood liet ze haar artistieke ambities varen. Ze had nog wel het plan om een schooltje te stichten in Meudon met pianoles voor kinderen, maar dat kwam niet van de grond omdat ze er als buitenlandse musicus niet tussen kwam. In Parijs wilde ze in een band meespelen, wat niet lukte niet zonder ook met de mannen naar bed te gaan. Het was zeker een moeizame situatie, maar los daarvan denkt Van Moorsel niet dat aan haar tante een groot kunstenaar is verloren gegaan. ‘Ik vind dat moeilijk in te schatten. Maar ik denk niet dat Nelly op zich een groot kunstenaar zou zijn geworden. Dan was ze als pianiste coûte que coûte doorgegaan. Uit het feit dat ze de muziek toch heeft laten vallen, kun je min of meer opmaken dat ze de beeldende kunst uiteindelijk belangrijker vond.’

In de vijftien jaar dat Van Moorsel haar kende, heeft ze haar tante niet een keer piano horen spelen. Het contact met haar was intensief – haar man, Jean Leering, organiseerde als directeur van het Van Abbemuseum in 1968 bijvoorbeeld een tentoonstelling over Van Doesburg en ging naar Nelly voor bruiklenen – maar kon Van Moorsel het overdoen, dan zou ze haar nog veel willen vragen. Over de muziek, maar ook over de relatie met Van Doesburg.

Het was Nelly van Doesburg die voor De Stijl een plek in de kunstgeschiedenis bevocht en vervolgens is het aan de inspanningen van Van Moorsel en haar man te danken dat het archief in Nederland terechtkwam. Nelly werd ziek en maakte haar nicht snel universeel erfgenaam, bij de dorpsnotaris. Van Moorsel probeerde haar over te halen om de collectie bij leven te schenken aan de Nederlandse staat zodat alles een goed onderdak zou krijgen. Maar dat was voor haar moeilijk. ‘Ze hield helemaal niet van Nederland. Een bekrompen landje; als je Van Doesburgs teksten leest, dan zegt hij dat om de haverklap. Dat vond zij ook.’ Uiteindelijk ging Nelly niet mee in het voorstel en na haar dood kostte het zes jaar werk om de collectie alsnog veilig te stellen. De atelierwoning in Meudon is sinds de jaren tachtig beschikbaar voor kunstenaars om een werkperiode in te verblijven.

Het was K. Schippers die Nelly van Doesburg begin jaren zeventig als enige helemaal uitvroeg over haar leven in de jaren twintig. In zijn boek Holland Dada hoor je haar praten, als ze vertelt over de idealen van de kunst van toen en waar die volgens haar op uitdraaiden. In haar opgetekende woorden hoor je Van Doesburg nog kibbelen met Mondriaan, of het nu gaat over wandelen met de hond (Mondriaan: ‘Hoe kun je nou honden hebben. Da’s onnatuurlijk’) of het dekken van de tafel (Nelly: ‘Dan stond het zout verkeerd en de peper’). En ze vertelt K. Schippers: ‘Ik weet nog dat ik in ’21 dacht, als ik maar tien jaar met hem kan leven. Dat vind ik in ’21 blijkbaar lang. En ik heb precies tien jaar met hem geleefd. Had ik maar gezegd twintig jaar, minstens twintig.’

Er is voor zover Van Moorsel weet geen enkele opname van pianiste Nelly van Doesburg of kunstenaar Pétro bewaard gebleven. Maar in de zaal die gewijd is aan De Stijl in Museum De Lakenhal in Leiden staat een vleugel met de muziek van Nelly daarop. Er wordt regelmatig op gespeeld.


Atelier Nelly en Theo van Doesburg is t/m 10 oktober te zien in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam. ateliervandoesburg.hetnieuweinstituut.nl