jeugd

Voor in Beatrix’ kinderboekenkast

Ted van Lieshout
Ik en de koningin
Nieuw Amsterdam
48 blz., €9,95; 5+

Met de recente geboorte van prinses Ariane telt grootmoeder koningin Beatrix acht kleinkinderen. Die komen allemaal regelmatig op Huis ten Bosch logeren. Zou het heerlijk onbescheiden Ik en de koningin van Ted van Lieshout al in de boekenkast staan? Zo niet, dan moet Beatrix dit verrukkelijke humorvolle boekje over het breken van conventies direct aanschaffen. Verplichte voorleeskost voor alle (konings)kindertjes en jongste Oranjetelgen. Worden ze misschien wel een beetje opstandig van: een eigenschap die ze niet vroeg genoeg bijgebracht kan worden.

Van Lieshouts verhaal met karakteristieke, licht bevreemdende, in geel uitgevoerde illustraties vertelt het tragikomische relaas van een kind dat de koningin een boeket moet aanbieden wanneer ze zijn woonplaats bezoekt. Zoals ook komende koninginnedag enkele bloemenkinderen zich weer van deze ongemakkelijke taak kwijten. Vaak vertwijfeld. Want gaat de majesteitontmoeting wel zoals het hoort?

Wat doe je bijvoorbeeld als bloemenjongetje, wanneer je op het moment suprême met lege handen staat? Zoals Van Lieshouts ‘ik’ overkomt? Na een spannend en hilarisch selectieproces en zenuwslopende nachtelijke dromen over de afloop van het ‘bloemen-geven-festijn’ staat hij plots boeketloos voor de koningin. Zijn vader had voor bloemen moeten zorgen. Maar die wist van niets, behalve dat hij op ‘dé dag’ vroeg wilde opstaan om in de voorste rijen met fototoestel kindlief te vereeuwigen. Want ‘dat had het maar liefst/ tot bloemenkind geschopt!’

Sommige dialogen lopen wat stroef. Maar Beatrix kan dat met haar voorleeskunst opvangen. Bovendien doet ook de droogkomische toon die tekortkoming teniet.

Subtiel spot Van Lieshout met alle opgeklopte idioterie die rond koninklijke bezoeken hangt. Met ouders die, zwelgend van trots, het welzijn van hun nerveuze bloemenkind vergeten. Met het nietszeggende koninklijke doorknippen van linten. En bovenal met de standaardgewoonte van het geven van een boeket.

Vertederend is het moment waarop het bloemenkind zijn mooiste gele kleurpotlood waarmee hij altijd de zon tekent aan de koningin overhandigt. ’s Nachts droomt hij zijn twijfel daarover weg. Dan schrijft de koningin in haar dagboek: ‘Vandaag heb ik een bijzonder kind ontmoet (…). Het had geen bloemen bij zich. Het wist waarschijnlijk/ dat ik al zevenduizend boeketten heb./ Het gaf me een geel kleurpotlood. Dat had ik nog niet. Maar nu wel. En ze schreef haar naam eronder./ Met geel.’ En de zon? Die laat het jongetje voortaan oranje schijnen.