Voor irak is het ene leed het andere niet

Het Midden-Oosten lijkt zich op te maken voor een nieuwe krachtmeting tussen Irak en de Verenigde Staten. Hiertoe in staat gesteld door de verdeeldheid van de Koerdische leiders hebben de troepen van Saddam Hoessein de afgelopen twee weken korte metten gemaakt met de safe haven voor de Koerden die door de geallieerden na de Golfoorlog in 1991 in Noord-Irak was gecreëerd.

Saddam kan een militaire overwinning op de Koerden en een politieke overwinning op de geallieerden claimen. Maar zijn militaire avontuur zal zijn eigen bevolking weinig soelaas bieden. Volgens de rapporten van het Rode Kruis verkeren in Irak honderdduizenden ten gevolge van het aanhoudende gebrek aan voedsel en medicijnen op de rand van de dood. Het land dat amper tien jaar geleden een van de hoogste inkomens per hoofd van de bevolking in de gehele Arabische wereld kende, is door de oorlog van 1991 en de daaropvolgende handelsboycot economisch volkomen te gronde gericht.
Nu kan zoals bekend het lot van de bevolking Saddam niets schelen: Voor hem en zijn regime is het belangrijkste dat zijn mukhabarat nu in Noord-Irak de ‘landverraders’ een stevig lesje vaderslandsliefde kunnen leren. In 'de republiek van de angst’ (Samir Khalil) moet het duidelijk zijn dat wie het waagt op te staan tegen Saddam en de Ba'ath-partij, vroeger of later een verschrikkelijk lot zal treffen. Om het even of dat nu Saddams eigen schoonzoons zijn of Koerdische boeren.
Met voldoening kan Saddam constateren dat de internationale coalitie die hij in 1991 tegenover zich had, allang niet meer bestaat. Nu het niet meer om oliebelangen gaat, geven de Saoedi’s, de Koeweiti’s en de Russen niet meer thuis. De Verenigde Staten staan politiek geïsoleerd in een conflict dat gaat om het garanderen van een aantal minimale rechten voor Koerden in Noord-Irak en het ten val brengen van Saddam Hoessein.
Cynici zullen beweren dat noch de val van Saddam, noch de aspiraties van de Koerden in het belang zijn van de Verenigde Staten en dat er daarom dus ook niets zal worden gedaan door Clinton. Het interessante van de buitenlandse politiek van Clinton is echter dat hij de Amerikaanse belangen interpreteert op een wijze die ingrijpen in mensonterende situaties (Haïti, Joegoslavië) mogelijk maakt. Vaak te laat, vaak halfslachtig, maar desalniettemin wel tot positieve resultaten leidend. Het is de vraag hoe ver Clinton nu met Saddam kan en wil gaan. Maar iedere Amerikaanse poging om verbetering te brengen in het lot van de Koerden of om het regime van Saddam daadwerkelijk te ondermijnen (wat iets anders is dan het met een boycot uithongeren van de Iraakse bevolking), dient te worden ondersteund, zelfs als dat met militaire acties gepaard gaat. Militair ingrijpen zal het nodige leed onder de Iraakse bevolking veroorzaken. Maar dat leed zinkt in het niet bij het leed dat wordt veroorzaakt door een voortzetting van Saddams bewind, een bewind dat in zijn karikaturale boosaardigheid model staat voor al het slechte dat deze eeuw op het gebied van repressie en moord heeft geproduceerd en dat het alleen al daarom niet verdient om het jaar 2000 te halen.