Kennisembargo

Voor Iraniërs verboden

Op 10 december dient een door Nederlandse Iraniërs aangespannen rechtszaak tegen de staat. De staat verbiedt Iraniërs toegang tot nucleaire kennis. ‘Het is voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog dat de overheid een bevolkingsgroep uitsluit op basis van nationaliteit.’

Medium iran

‘WAT IK NOG het ergste vind, is dat er weinig media-aandacht is geweest en helemaal geen publiek debat. Als een imam in Nederland een minister de hand weigert te schudden, heeft heel Nederland het erover, maar als de overheid een groep burgers buitensluit, valt het niemand op.’
Salar Khorsand (24) uit Nijmegen doelt op de Sanctieregeling Iran die sinds juni 2008 beoogt te voorkomen dat Iraanse wetenschappers en studenten in Nederland nucleaire kennis opdoen die Iran zou kunnen helpen bij het vervaardigen van een atoombom. De sanctieregeling is een ministeriële regeling (met kracht van wet) die Iraniërs de toegang verbiedt tot vijf locaties op het gebied van de kernfysica en negen onderdelen van studierichtingen in de techniek en de natuurkunde. Universiteiten en nucleaire instellingen die dit ‘kennisembargo’ overtreden, kunnen strafrechtelijk worden vervolgd.
Het probleem is dat onder ‘Iraniër’ iedereen wordt verstaan die de Iraanse nationaliteit heeft, ook als diegene tevens in het bezit is van een Nederlands paspoort, al jaren in Nederland woonachtig is en volledig is ingeburgerd. Zoals Salar, die sinds zijn vijfde in Nederland woont en een verklaard tegenstander is van het regime van president Ahmadinejad. Salar studeerde eerder dit jaar af in de natuurkunde. Als hij de afstudeervariant kerntechnologie aan zijn bul zou willen toevoegen, moet hij een ontheffing van het verbod aanvragen. Als hij de kernreactor van Petten of die van Borssele betreedt, wordt hij in de boeien geslagen: van het verbod om binnen te gaan bij de vijf nucleaire installaties is geen ontheffing mogelijk. ‘En ik kan geen afstand doen van mijn Iraanse nationaliteit. Iran verbiedt dat. Dat maakt me hulpeloos.’
In Nederland wonen ruim dertigduizend mensen van Iraanse afkomst, van wie 85 procent een Iraans paspoort heeft.
Salar schreef een open brief om aandacht te vragen voor de stigmatiserende en discriminerende effecten van de sanctieregeling: ‘Mijn liefde voor Nederland heeft me bewogen die brief te schrijven. Ik beschouw Nederland als een ruimdenkend land, een land van godsdienstvrijheid, multiculturaliteit en tolerantie. Als Nederlander doet het me pijn om te zien dat die goede zaken nu plaatsmaken voor kortzichtigheid en angst.’
Ashley Terlouw, hoogleraar rechtssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, deed onderzoek naar de sanctieregeling. In Angst en regelgeving, een bijna honderd pagina’s tellend boekje waarop ze haar oratie baseerde die ze niet geheel toevallig uitsprak op 11 september van dit jaar, concludeert ze dat de sanctieregeling een voorbeeld is van ‘irrationele regelgeving’: slechts bij toeval effectief en leidend tot onwenselijke neveneffecten. Terlouw wijst er onder meer op dat bij de nucleaire instellingen al een effectief beveiligingsbeleid is dat voor iedereen geldt en dat de lesstof van de studierichtingen die de overheid tracht af te schermen openbaar is. Het uitsluiten van Iraniërs is dus overbodig, de angst dat Nederlandse kennis zal bijdragen aan een Iraanse kernbom irrationeel.
Als de sanctieregeling al leidt tot enige winst op veiligheidsgebied, dan weegt die winst niet op tegen ‘de grote en duidelijk zichtbare negatieve effecten’, aldus Terlouw. Zij kritiseert het categorale karakter van de regeling: alle Iraniërs worden als gevaar beschouwd, niet op grond van hun gedrag, maar op grond van hun afkomst. Terwijl een groot deel van de Nederlandse Iraniërs juist gevlucht is voor het Iraanse regime.
Voor haar onderzoek interviewde ze Iraniërs, van wie een groot aantal met de Nederlandse nationaliteit. Ze constateerde dat ook Iraniërs die niet direct door de regeling worden getroffen zich gestigmatiseerd voelen en dat de regeling fnuikend is voor hun vertrouwen in de overheid en hun hoop ooit als volwaardig Nederlander te worden geaccepteerd. ‘Het is duidelijk’, schrijft Terlouw, ‘dat de sanctieregeling op zijn zachtst gezegd tot onrust en zeker ook tot angstige gevoelens onder de Iraniërs in Nederland heeft geleid, angst voor ontslag en werkloosheid, voor beperking van studiekeuze, voor buiten de maatschappij te worden geplaatst.’ De sanctieregeling werkt bovendien als een inktvlek, stelt Terlouw. In verschillende sectoren kunnen mensen met een Iraanse nationaliteit lastiger aan het werk komen, een bankrekening openen is moeilijker geworden en er vallen plotselinge ontslagen.

DE REGELING vloeit voort uit een VN-resolutie en een Gemeenschappelijk Standpunt van de Europese Raad. Maar Nederland interpreteerde die strenger dan enig ander land. In resolutie 1737 worden de lidstaten ‘opgeroepen’ om ‘waakzaamheid’ te betrachten bij het onderwijzen van gevoelige nucleaire kennis aan Iraniërs. De EU voegde het zinnetje ‘in overeenstemming met nationale wetgeving’ toe. Nederland negeerde de verzachtende frasen en koos voor een categorale uitsluiting.
Terlouw interviewde voor haar onderzoek ambtenaren van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die voor de sanctieregeling verantwoordelijk zijn. ‘Wie ik ook sprak zei: “Wij kunnen het niet helpen, dit vloeit voort uit internationale regelgeving en die gaat boven nationale wetgeving’’’, vertelt ze. ‘Maar je kunt het altijd helpen, zeker als de sanctieregeling die je op nationaal niveau instelt verder gaat dan de VN en de EU beoogden en ook nog eens in strijd is met grondrechten als de vrijheid van onderwijs en het verbod op discriminatie. Roepen dat je niet anders kan, toont weinig nationaal zelfbewustzijn.’
Een verklaring voor de starre regelgeving is waarschijnlijk de angst dat Nederland opnieuw een ‘affaire-Khan’ voor zijn kiezen krijgt. In de jaren zeventig spioneerde Abdul Qadeer Khan bij Urenco in Almelo. De centrifugetechniek van Urenco voor het verrijken van uranium ligt ten grondslag aan de Pakistaanse kernbom. Khan verkocht zijn gestolen gegevens onder meer aan Iran dat nu druk aan het centrifugeren is volgens het Urenco-procédé.
Enkele Nederlandse Iraniërs en de actiegroep Iraanse Studenten zijn inmiddels verwikkeld in een rechtszaak tegen de staat, met als inzet het intrekken van de sanctieregeling. In zijn dagvaarding somt advocaat Jelle Klaas een reeks internationale verdragen op waarmee de regeling in strijd zou zijn. Ook met het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van de grondwet is de sanctieregeling volgens hem onverenigbaar. De zaak dient op 10 december, de Internationale Dag van de Mensenrechten. Klaas: ‘Het is voor de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat de overheid een bevolkingsgroep uitsluit op basis van nationaliteit. En de mensen die erdoor worden getroffen zijn ook nog eens vrijwel allemaal vluchtelingen.’
De Iraniërs die het opnemen tegen de staat weten zich gesteund door meer dan vierduizend wetenschappers, onder wie driehonderd Nederlandse en internationale hoogleraren, die een petitie tekenden, en door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, die een brief schreef aan de verantwoordelijke ministers waarin zij onder meer wees op de ‘reputatieschade’ voor het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek als gevolg van de maatregel.
De staat toont zich allerminst onder de indruk. Het antwoord van de landsadvocaat op de dagvaarding van Klaas omvat meer dan twintig pagina’s. Daarin worden allerlei uitzonderingen op het non-discriminatiebeginsel opgesomd. Bovendien vraagt de landsadvocaat zich af of de eisers wel ‘voldoende belang hebben bij hun rechtsvordering’, wat noodzakelijk is om het tot een zaak te laten komen. Omdat zij zelf niet direct door de regeling getroffen zouden zijn, zouden ze slechts een ‘emotioneel belang’ hebben en dat is niet voldoende. ‘Heel onbehoorlijk, om het netjes te zeggen’, meent advocaat Klaas: ‘Stel dat bij een park in Groningen een bordje zou worden bevestigd met “Voor joden verboden”, zou een jood elders in Nederland daar dan last van hebben?’

TOEN IN 2007 Geert Wilders fulmineerde tegen de dubbele paspoorten van de staatssecretarissen Nebahat Albayrak en Ahmed Aboutaleb en hun loyaliteit aan de Nederlandse staat ter discussie stelde, was Den Haag verbijsterd. Wat Wilders beweerde was ‘onkies’ en ‘schandalig’. Nu heeft de regering die door Wilders zo onheus werd bejegend zijn principe verheven tot een ministeriële regeling.
Het toppunt van ironie is dat Albayrak als staatssecretaris van Justitie de regeling moet verdedigen. In de beantwoording van Kamervragen volstond ze ermee te melden dat in andere EU-landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en België, eveneens maatregelen waren getroffen naar aanleiding van VN-resolutie 1737. Respondenten uit het Verenigd Koninkrijk en België meldden aan Ashley Terlouw echter dat geen maatregelen waren genomen. Frankrijk stelde slechts visa-restricties in; over Duitsland kreeg ze geen informatie. Sommige internationale gesprekspartners lieten Terlouw ongevraagd weten dat de Nederlandse regeling in hun land zeker zou worden betwist als ongrondwettelijk of discriminerend.
Het verschil met wat Albayrak meldde is opvallend. Heeft zij de Kamer verkeerd voorgelicht? Ze gaf in elk geval geen informatie over de manier waarop de resolutie in andere EU-landen wordt uitgevoerd. Terlouw: ‘Dergelijke informatie is essentieel nu de overheid stelt niet anders te kunnen.’
Ook minister Ronald Plasterk maakte een schuiver onder de ogen van de volksvertegenwoordiging. ‘Mijn streven is niet om de proliferatie van nucleaire kennis tegen te houden, maar ik geef uitvoering aan een strafmaatregel van de VN’, zei hij een jaar geleden in de Tweede Kamer, terwijl non-proliferatie uitdrukkelijk wordt genoemd in de toelichting bij de sanctieregeling.
‘Ik dacht dat ik een echte Nederlander was’, zegt professor Nasser Kalantar-Nayestanaki, ‘maar ik word nu gestraft wegens een paspoort waar ik niet van af kan. Ik ben dus een tweederangs burger.’ De hoogleraar experimentele kernfysica, werkzaam aan het Kernfysisch Versneller Instituut, een onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen, woont al 23 jaar in Nederland. Hij is een van de eisers in de zaak tegen de staat.
‘Als de staat wint, moet ik me gaan afvragen of mijn vrouw en ik destijds de juiste keuze hebben gemaakt’, zegt hij. ‘Er waren verscheidene plekken waar wij naartoe konden emigreren. We kozen voor Nederland omdat daar een goede infrastructuur was voor mijn werk, en omdat het een kleurrijk land was met vele culturen en een hoge mate van tolerantie. Maar het zou vooral erg zijn voor de tweede generatie als deze regeling standhoudt. Ik zie de jongeren naar mij kijken. Ze kunnen het niet geloven dat een hoogleraar met een Nederlands paspoort die al zo lang hier woont en werkt nog steeds niet als Nederlander wordt behandeld. De jongeren van de tweede generatie zijn hoog opgeleid, ze hoeven hier niet te blijven als ze zo worden bejegend. Die gaan gewoon weg. Dat is heel slecht voor onze Nederlandse samenleving.’

foto: Peter Hilz/HH