De tijdelijke, grote kunstwerken van Florentijn Hofman

«Voor je het weet is het weg»

Een blauwgeverfd huizenblok, een metershoge muskusrat, voetbalshirts met beroepen in plaats van rugnummers: Florentijn Hofman valt op door zijn tijdelijke, vaak grote kunstwerken. «Wat je de ene dag nog ziet, kan de volgende dag zomaar verdwenen zijn.»

Ateliers zijn fijne plekken. Neem dat van beeldend kunstenaar Florentijn Hofman (29). Stellingkasten langs de wand staan vol met uiteenlopende spullen. Opgezette dieren, een tuinkabouter, poedelbeeldje, bouwdoos voor een boot, een plastic ooievaar, varken en kikker. Er zijn planken met spuitbussen, potten en emmers verf. Even verderop staat een winkelwagentje vol overalls. Een voorraad hout in verschillende soorten en maten leunt in een hoek. Er liggen hompen gekleurde klei op een tafel, gefiguurzaagde letters en schaalmodellen van dieren die Hofman ook metersgroot heeft gemaakt: een ezel, een leeuw en een kraai.

Hier wordt gefantaseerd, gedacht, gezocht en uitgeprobeerd. En uiteindelijk komen er de mooiste dingen tot stand. Zoals het houten skelet voor een muskusrat van acht meter hoog en 31 meter lang, dat op de plek van bestemming plank voor plank in elkaar werd gezet en bedekt met riet. Florentijn Hofman: «Op het laagste punt van Nederland, Nieuwerkerk aan den IJssel, lag-ie. Daar is de strijd tegen het water enorm. En de dijken worden constant aangetast door muskusratten, die er gangen in graven en holen in bouwen. Ik wilde met dat grote beeld aangeven hoe heftig dat beest voor die plek is.» Maar Hofmans werk werd een soort mascotte. «Terwijl het dier in het echt ondermijnt wat de mensen maken. Hij kan hun ondergang zijn.» Zo’n omkering vindt Hofman mooi. «Elke dag kwamen er wel honderd tot tweehonderd mensen langs, om de rat te zien en te aaien. Ze wilden hem zelfs houden.»

Maar de rat was een tijdelijk kunstwerk, zoals de meeste dingen die Hofman maakt. Vaak dieren: de ruim tweehonderd papieren spreeuwen die in de Amsterdamse Hortus Botanicus op de verwarmingsbuizen zaten, de houten leeuw met bal in Senegal, de metershoge herdershond opgebouwd uit strobalen en overtrokken met rood plastic in het Groningse Leen. «Die tijdelijkheid kwam eerst voort uit financiële redenen. Als iets ergens maar een paar weken hoeft te staan, kost het minder dan wanneer het voor de eeuwigheid is. Maar wat ik daarnaast het mooie van tijdelijk werk vind, is dat het ook weer gemist kan worden. Het bestaat een bepaalde periode binnen de openbare ruimte, mensen zien het, vinden er wat van, praten erover, raken eraan gewend. En dan is het op een dag ineens weer weg. Het lijkt me mooi als het effect daarvan is dat mensen beter gaan opletten en kijken. Want wat je de ene dag nog ziet, kan de volgende dag zomaar verdwenen zijn.»

Hofmans atelier is een grote ruimte, pal aan het centraal station van Schiedam. Vroeger was het een autoshowroom, sinds anderhalf jaar werkt Hofman er; een lange, jongensachtige man met een strak, vriendelijk gezicht onder gemillimeterd haar. Hij leidt ontspannen rond, helpt zijn stagiaire met de zaagmachine, toont de expositieruimte, waar zijn groene, opblaasbare Konijntje Snoepfles op de grond ligt. Eigenlijk moet het rechtop staan, dan is het beeld vijftien meter hoog. Het komt uit zijn serie Obeestitas, over te dikke dieren, waarmee Hofman op luchtige wijze het overmatige consumptiegedrag wilde tonen. «Vorig jaar december stond het konijn in het centrum van Rotterdam. Daarna zou het gaan reizen, maar dat stuit tot nu toe op problemen. Ook wel interessant om mee te maken, hoe wethouders carrière proberen te maken over de rug van de kunstenaar. Door zich juist wel of juist niet sterk te maken voor een bepaald kunstwerk op een bepaalde rotonde in een bepaalde wijk.» Hofman moet er wel om lachen: «Een hoop bombarie om eigenlijk niks.»

Hofman groeide op in Emmen en volgde van 1995 tot 2000 de kunstacademie in Kampen. «Vanaf m’n twaalfde wilde ik Karel Appel worden. Maar op de academie moest ik meer beeldhouwen dan schilderen.» Verven deed Hofman toch. Zo beschilderde hij met drie studievrienden de toren van een voormalig kerncentralecomplex in Duitsland, dat een Twentse zakenman tot themapark verbouwde. Sinds 2003 kan hij leven van zijn opdrachten.

Tot een jaar geleden woonde Hofman tegenover zijn Schiedamse atelier. «Dus toen was mijn wereld wel heel klein. Hoefde ik alleen het plein maar over te steken om op mijn werk te komen.» Niet helemaal waar. Want opdrachtgevers uit alle hoeken van Nederland kloppen inmiddels bij hem aan, waarna Hofman de plek opzoekt waarvoor hij iets zou kunnen gaan maken. Een park in Arnhem, de opleiding diergeneeskunde in Utrecht, de binnenstad van Rotterdam. Ter plekke onderzoekt hij de gestelde vraag van de opdrachtgever: «Dat vind ik heel tof. Op die manier plekken ontdekken en verhalen horen.» Want dat is een essentieel onderdeel van de totstandkoming van zijn kunstwerk: horen hoe mensen denken over hun buurt. Waar ze trots op zijn, waarop minder. De essentie destilleren. «Ik maak echt tijd vrij om een uur of twee op een plein te kunnen zitten, en te kijken. Te zien hoe het daar gaat, wat er zoal gebeurt. Om te dwalen, onthaasten, ontdekken. Daar zit kwaliteit in. En in contact maken.»

Hofman gaat ook altijd naar de plaatsen waar zijn werken te zien zijn om te horen hoe het opgepikt wordt: «Dan leg ik m’n oor op straat. Ik leer daarvan hoe een openbare ruimte ervaren wordt. Natuurlijk maak ik uiteindelijk wat ik zelf wil. Maar het moeilijkste onderdeel van het denkproces dat aan de totstandkoming voorafgaat, is het loskomen van mijn eigen patronen. Ik wil elke keer weer helemaal opnieuw beginnen en fris de essentie van een plaats ontdekken. Ook om het scheppingsproces voor mezelf interessant te houden. En daarvoor wil ik weten hoe ver een bepaalde stad of locatie is in wat deze aankan. Om dan de beeldcultuur een beetje op te rekken.»

Zo was er veel commotie rond Beukelsblauw, het project waarvoor Hofman een blok slooppanden in Delfshaven van de onderste baksteen tot de bovenste dakpan blauw schilderde. «Maar uiteindelijk is het het meest gefotografeerde deel van de stad geworden en werd er zelfs een website gemaakt waar je je handtekening kon zetten toen de panden alsnog gesloopt gingen worden. Mensen leerden het te waarderen. Werden er trots op. Wat belangrijk is bij zoiets is dat de kwaliteit goed blijft. Er is een enkele keer graffiti op gespoten of geschreven, maar dan ging ik direct langs om er met een rollertje weer een nieuw laagje blauw overheen te schilderen. Zeker bij simpele ideeën en vormen moet elk detail goed zijn, moet je niets laten verslonzen.»

Van vandalisme hebben Hofmans projecten tot nu toe nauwelijks last gehad. Zijn rieten rat is niet in brand gestoken, zijn opblaasbare konijn niet lekgeprikt, zijn metershoge metalen kraai niet bekrast. «Natuurlijk ben ik daar steeds wel een beetje zenuwachtig over. En elke dag weer blij als het werk er nog blijkt te staan. Maar ik denk dat alles wat kwaliteit heeft, blijft.» Dit in tegenstelling tot Luceberts «alles van waarde is weerloos»: «Ja, maar ik geloof dat iets waar wordt als je het vaak zegt. Dus zeg ik dat het goed komt.»

Hofmans recentste project is het in oranje posters ingepakte clubpodium Nighttown in Rotterdam, gecombineerd met oranje affiches die door de hele stad hangen en oranje kaarten die her en der worden uitgedeeld. Zonder tekst, afzender of uitleg. Het effect is vooral sterk naast schreeuwende reclameposters. «Om mensen uit te dagen te blijven opletten. Na te denken over wat ze nu eigenlijk zien. Dit project duurt zolang het Nederlands elftal aan het WK meedoet. Zodra het afgelopen is, moet alles meteen weg.»

Hofman hoopt dat zijn projecten iets goeds in mensen achterlaten: «Een idee, een ervaring, een scherpere manier van kijken. Ik moet mezelf ook trainen om nieuwe dingen te blijven te zien, om niet af te stompen. Nu ik in Rotterdam woon, rijd ik elke dag tien minuten van en naar mijn huis. Dan let ik steeds op iets anders. Hoe mensen in hun auto zitten bijvoorbeeld. Of hoe rijbewegingen eigenlijk gaan.»

Dat rijden doet Hofman regelmatig in zijn tot dhl-koeriersbus getransformeerde bestelwagen, ook een project. Grappig en geniaal tegelijk. Hij kopieerde huisstijl en logo van de organisatie en heeft daarmee een performance op dagelijkse basis. Vanuit de bus groet hij zijn «collega’s» en hij parkeert net als zij. Op de stoep, voor de deur waar hij moet zijn. «En ik heb nog nooit een bon gekregen. Ik zal trots zijn op de eerste agent die er een uitschrijft, want die heeft dan goed gekeken en gezien dat deze bus een leugen is.»

Ook mooi is zijn ontwerp voor de shirts van zijn voetbalclub: in plaats van nummers staan de beroepen van de spelers op voor- en achterzijde afgedrukt. Glazenwasser, muzikant, kunstenaar. «Zo ontstaan er gesprekken: ‹Kun je daarvan leven dan?› Of je gaat kijken of iemand voetbalt zoals je denkt dat bijvoorbeeld een boekhouder dat zou doen.»

Het zijn plannen die soms al lang bestaan en dan ineens gerealiseerd kunnen worden. Zoals de gigantische badeend die over de wereldzeeën gaat ronddobberen. Al jaren staan de op de computer gemaakte afbeeldingen ervan op zijn site, door zijn atelier zwerven verschillende kleine exemplaren rond en nu is Hofman gevraagd de megaversie ervan te maken voor de biënnale in Nantes. «Zo’n eend is van niemand, en daardoor van iedereen. Het is een ding, of dier, met een glimlach. Het lijkt me juist in deze tijd van globalisering mooi als die in de badkuip van ons allemaal ligt.»

www.florentijnhofman.nl