Voor melancholici en spitlijders

Chantal van Dam maakte met haar vorige boek, Het Maggischip (1991), grote indruk op mij vanwege haar directe schrijfstijl die tegelijkertijd een toonbeeld van gereserveerdheid is. Onder het ironische en heldere proza laten zich werelden vermoeden. De zin: ‘Mijn collega’s zijn aardige mensen’, is bijvoorbeeld altijd in mijn hoofd blijven hangen. In haar nieuwe roman, Familieberichten, staan weer van die gebeitelde zinnen. ‘Het geschreven woord is een ernstige zaak, dat hoef ik mijn ambtelijke directeur niet uit te leggen.’ Het werk van Chantal van Dam ademt de schizofrene geest van de schrijver die zichzelf geen schrijver wil noemen. Zij is bioloog en in die hoedanigheid werkzaam bij een ambtelijk onderzoeksinstituut. Niets om je voor te schamen, maar toch ook een vorm van betaald tijdverdrijf, gezien vanuit schrijversogen. Klaarblijkelijk pas als de nood zeer hoog is, vraagt ze haar ambtelijk directeur om een paar maanden onbetaald verlof, waarbij ze met tegenzin de reden vermeldt: ze wil een boek schrijven.

Dit laatste valt in ieder geval precies zo te lezen in Familieberichten, en omdat de vertelster en haar achtergrond zo identiek zijn aan die in Het Maggischip, schakel ik de schrijfster en haar personage bijna automatisch gelijk aan elkaar. In beide boeken is sprake van iemand die werkzaam is bij een natuurkundig onderzoeksinstituut, samenleeft met een kat en af en toe met een man, en van wie de vader en het jongere broertje gestorven zijn. Beide boeken vertellen het verhaal van gemis en verlies: in Het Maggischip werden herinneringen opgehaald aan de jong gestorven vader, in Familieberichten gaat het om de moeder die op een dag ‘in depressieve toestand’ het huis verlaat. Het is vijf jaar na de Golfoorlog. Mitterrand wordt begraven. 'In mijn eentje voor de televisie huil ik om elke regeringsleider die plechtig naar zijn graf gedragen wordt.’ De tranen zitten hoog sinds de dood van de moeder van de ik-figuur. De documentaire beelden van de Golfoorlog brengen alle herinneringen rond haar moeders verdwijning en dood tot leven. Het uitbreken van die oorlog heeft haar moeder een definitief zetje gegeven. Ze heeft haar dochter achtergelaten met een stiefvader, oom Max, en een hoop raadsels. Oom Max kan niet zo goed zonder zijn Toosje en belandt al gauw, verward en wel, in een verzorgingstehuis. De dochter gaat de gangen van haar moeder na. Was ze al eerder in haar leven, tijdens haar eerste oorlog, depressief geweest, zoals haar moeders zus wil doen geloven? Familieberichten is de zoektocht naar de geschiedenis van de moeder. Niet spectaculair, maar wel echt en ontroerend. 'Onopgesmukt’ is dan de voor de hand liggende karakterisering, maar Chantal van Dam vertelt deze geschiedenis juist ópgesmukt oftewel gestileerd. Het vertrekpunt van een hoofdstuk is telkens iets dagelijks en kleins, zoals een bezoekje aan oom Max met truffels en sigaretten, of het onderhoud met de schade-expert die over de vloer komt na een beroving (’(“Ik zeg altijd: dingen van emotionele waarde zijn niet te vergoeden,” zegt hij.’). Vervolgens gaat het perspectief moeiteloos van nu naar toen en vice versa. Sterke beelden: van een zingende moeder op de fiets in bloemenjurk met een rits meisjes achter zich aan om een verjaarspartijtje te vieren in het Amsterdamse Bos, en van een ontredderde moeder die de voordeur wil openen met haar autosleutel. Ondertussen loopt de onderhuidse spanning op. Het zoeken naar een verklaring voor haar moeders dood wordt weliswaar direct gerelativeerd: 'Ik zag haar dood niet als een raadsel waarvoor een bevredigende oplossing bestond, al hoopte ik in het verleden aanwijzingen te vinden die hem begrijpelijker zouden maken.’ Maar als lezer voel je ook dat zolang die zoektocht gaande is, ze in ieder geval wat om handen heeft: 'Ik moest hem hoe dan ook te lijf, het monster, om hem te temmen, zodat ik er verder mee kon leven.’ Het Maggischip lijkt achteraf gezien bijna een soort prelude te zijn geweest. 'We zouden nu in het Amsterdamse Bos moeten lopen’, stond daarin op een van de laatste bladzijden te lezen, 'de juiste ambiance voor herinneringen’. De volle omvang van de betekenis van deze zin, en de betekenis van het Amsterdamse Bos, wordt pas in Familieberichten duidelijk. De schizofrenie van de schrijver/bioloog die het grootste deel van haar tijd doorbrengt met het in kaart brengen van aalscholvers of inheemse wilde planten, is af te lezen aan de bijna stuurse mededeelzaamheid van de vertelster. Iedere bladzijde is er één. Gelukkig heeft de schrijfster nu wel iets meer ruimte genomen om haar verhaal te vertellen in vergelijking met Het Maggischip, dat met zijn krap honderd bladzijden nog een novelle was. 'Geef mij maar duidelijke grenzen, rijmdwang en metrum, een stevig kader waar ik op kan leunen’, verzucht ze aan het begin van Familieberichten, worstelend met het schema waarin uiteindelijk alles moet passen. Het moet een licht en vrolijk boek worden, maar ook weer niet te, neemt ze zich voor. 'Geschikt voor melancholici en spitlijders. Wel om te lachen, zeker geen schuddebuiken.’ Om bij te huilen, maar wel om lekker te huilen, zou ik eraan toe kunnen voegen. Familieberichten is een mooie, strak gecomponeerde roman vol prachtige ironisch geladen zinnen waaronder log verdriet stroomt. Bij zoveel moois kan ik alleen maar hopen dat Chantal van Dam nu echt de schrijversremmen los gaat gooien en niet weer zo lang wacht met het aanvragen van verlof bij haar ambtelijk directeur. Voor een bioloog met haar scherpe oog en ironisch schrijftalent valt er nog een wereld te exploreren.