Voor op de slee of achterop

PER OLOV ENQUIST
DE UITTOCHT DER MUZIKANTEN
Uit het Zweeds (1978) vertaald door Cora Polet
Ambo/Anthos, 317 blz., € 21,95

Nog maar weinig mensen zullen het woord ‘arbeidersbeweging’ zonder meesmuilen over de lippen krijgen, laat staan ‘geschiedenis van de arbeidersbeweging’. Toch behandelt deze roman van Per Olov Enquist (1934) – auteur van Het bezoek van de lijfarts, staat er veiligheidshalve op de voorkant – een episode uit die geschiedenis, begin vorige eeuw in het duistere noorden van Zweden, de provincie Västerbotten, waar Enquist ook zelf vandaan komt. Het is een boek uit de jaren zeventig, geschreven kort na de documentaire roman Het record (1971), ooit vertaald en weinig opgemerkt, het verhaal over een kampioen kogelstoten die ontmaskerd werd omdat hij zijn kogel had uitgehold. Er waren in die jaren meer schrijvers die zich aan de combinatie roman en documentaire waagden; de latere, wat vertelvorm betreft veel traditionelere historische romans van Enquist vertonen er sporen van. In De uittocht der muzikanten vertelt de schrijver er nog bij hoe de roman tot stand is gekomen. Je zou willen weten waarom de roman na dertig jaar alsnog vertaald is, maar hij is nog steeds de moeite waard, misschien juist omdat zo’n boek niet meer geschreven wordt of zelfs niet meer geschreven kán worden.
Toen de schrijver in 1971 Nicanor leerde kennen, was het eerste idee om een roman te schrijven over het leven van de toen 76-jarige Frans Nicanor Markström. Waarschijnlijk veranderde dat plan toen Enquist samen met Nicanor in maart 1972 over het terrein van een zagerij liep die ontmanteld werd en de man hem oude notulenschriften leende. Daarin stond opgetekend hoe in 1907 door een stel arbeiders in een keuken een onafhankelijke arbeidersvereniging werd opgericht – ‘onafhankelijk’ betekende dat ze los van de vakbond stond – en in maart 1909 werd opgeheven, met in de laatste notulen de vraag ‘of hun activiteiten ook maar eenig nut hadden gehad’. Op die vraag kon niemand toen antwoord geven. In maart 1973 werd Nicanor dood aangetroffen – om de doodsoorzaak te begrijpen moet je de hele roman gelezen hebben. ‘Ik heb hem goed gekend’, schrijft Enquist: ‘Dit boek gaat niet alléén over hem, maar óók over hem.’ Vier pagina’s later schrijft hij: ‘De laatste vijf jaar had ik Nicanor maar zelden meer gezien. Dit boek gaat niet over hem, maar over de anderen. Dus kan het niet anders dan dat wat hij vertelde erin staat, maar dat hijzelf er weinig in voorkomt.’ Ook om te weten wie die anderen waren, moet je de hele roman lezen; die anderen zijn de hoofdpersonen.
In de kuststreek van Västerbotten woonden meer boeren dan arbeiders en ook die arbeiders voelden zich nog meer boer dan werkman: ‘Zij en hun kinderen leefden er generaties lang, door de eeuwen heen. Ze bleven keuterboer en houthakker, ze trouwden binnen hun stand en binnen hun dorp of binnen een van de buurdorpen, gezinnen bleven er wonen, dit patroon werd nooit verbroken. Je kon de punt van een reusachtige passer in het midden van het dorp zetten en een cirkel met een radius van dertig kilometer trekken en als je vervolgens driehonderd jaar terugging, trof je binnen deze cirkel de hele familie met al haar zijtakken weer aan.’ In 1900 was het er nauwelijks anders dan in de veertiende eeuw. Als de vrouwen het er voor het zeggen hadden, dan was dat in het boerenland, waar de mannen vaak lange tijd van huis waren, vanzelfsprekend; vrouwen die niets deden waren alleen bij geruchte bekend, die woonden in verre landen. De achterlijkheid werd in de hand gewerkt door de godsdienst; de bazen en de dominee waren twee handen op één buik. Het puritanisme was erin gehamerd. Een zingende zaag was voor de houtzagers gereedschap waar muziek in zat, de strijkstok gaf moeilijkheden, daar hoorde immers de ongoddelijke viool bij. En als iemand een viool kreeg, dan alleen op voorwaarde dat hij nooit op dansavonden zou spelen. Petrus, de jongen met de viool, kwam de belofte zo goed na dat hij nooit zou leren vioolspelen.
Nicanor was een van de vier kinderen van Karl Valfrid Markström – om diens zwaar christelijke gezin draait het. Maar K.V. ‘had een kleine zeer wereldse ader. Hij zong liedjes. Dus geen hymnen of psalmen, maar liedjes.’ Een ervan ging over een incident in 1894 in de zagerij dat de lokale geschiedenis in ging als de zogeheten Klemensnäsbrief. Enquist zegt er hier zoals op enkele andere plaatsen uitdrukkelijk bij dat de lezer niet mag vergeten dat de situatie vroeger anders was; geen overbodige waarschuwing. Hoewel iedereen al op een bestaansminimum leefde, dreigden de lonen van de zagers verlaagd te worden. Men besloot tot actie over te gaan: honderd arbeiders verzamelden zich in het bos, drie mannen stelden een brief op aan het bedrijf. De brief – Enquist zal hem wel zelf bedacht hebben – bevat zinnen als deze: ‘Voor een handreiking in dezen Uwerzijds, op een wijze die wij volgaarne aan U willen overlaten, zullen wij U ten zeerste dankbaar zijn. Terzelfder tijd willen wij onze dank betuigen voor de voortreffelijke humane behandeling…’ De brief werd nooit overhandigd, want niemand durfde het. Over die lafheid ging het lied.
De brief staat in de roman nog eens afgedrukt, honderden pagina’s – in werkelijkheid zo’n vijftien jaar – later. ‘Laat ons de Klemensnäsbrief nog een keer lezen:’ – een mooie leesles, zeg maar gerust geschiedenisles. In dat stadium heeft de lezer leren zien dat onder het vredige oppervlak van alles rommelde. Onmiddellijk daarvoor steekt zelfs in de vrome moeder van Nicanor – die ’n stuk van zijn tong is kwijtgeraakt omdat hij een vakbondsman hielp – iets van verzet de kop op. Je kon ‘als een fantasieloze boekhouder nauwgezet al die vrome, toegenegen, niet zo volmaakte, machteloze buitengeslotenen optekenen die zich vergevensgezind tot hun onderdrukkers wendden en verontwaardigd ontkenden slachtoffers te zijn’, zegt de schrijver, maar als je oog had voor de woede en kracht in diezelfde mensen met gebogen hoofden en de pet in de hand, zagen al die kleine incidenten er heel anders uit. Een paar keer staat er in het boek: ‘Toen de beweging kwam was de beweging er al (…) Zij, die de beweging vorm gaven, gaven ook vorm aan de richting van de beweging.’ Je kunt het een treurig optimisme noemen, altijd nog beter dan het omgekeerde. ‘Verzet kan veel vormen aannemen’ – om dat zinnetje draait de roman, denk ik. In 1909 zal er een Groot Conflict uitbreken, maar zo ver zou het nooit gekomen zijn zonder alle voorafgaande kleine conflicten.
Een van de oprichters van de Onafhankelijke Arbeidersvereeniging in Bureå is oom Aron, een kloothommel van een man, die zich vervolgens door de administrateur van de zagerij voor een paar pakjes boter laat inhuren als spion. Als hij ontmaskerd wordt loopt hij nog enige tijd als een Judas rond. Maar in 1909 doet hij wel aan de grote staking mee. En zelfs Emblad, de doldrieste agitator uit Stockholm, schijnt op het eind iets geleerd te hebben. Als hij in 1903 in Bureå affiches opplakt en over het stemrecht en de toekomst van de sociaal-democratie predikt, komt hij van een kouwe kermis thuis, in zijn eigen woorden: ‘Verdomde christelijke arbeidersklootzakken met hun verdomde laffe onwetende weerzinwekkende klote kwezelachtigheid’. De roman geeft van de vakbondsman, die voortdurend alles fout doet, hij is veel te ongeduldig, een genadeloos portret, ondanks alles vol begrip.
Ik zou bijna zeggen dat de roman alleen al de moeite waard is om het begin, waar de jonge Nicanor Emblad ziet staan vissen, een vreemdeling die ook nog eens heel vreemd doet, want hij bewaart de wormen in zijn mond. Het is uitgerekend deze jongen, op dat moment tien, die jaren later per brief de schandelijk verjaagde Emblad uitnodigt het nog eens te komen proberen. Daar begint het tweede deel van de roman; ook die herhalingsoefening verloopt rampzalig. Nee, de roman schildert niet de zegetocht van het socialisme of zelfs maar van de Zweedse sociaal-democratie (al lijkt ze wel in die wat de toekomst aangaat welgemoede geest geschreven).
De anderen zijn de mensen over wie doorgaans geen romans geschreven worden – de onhandige vakbondsman en zijn onwillige vrouw; de vader van Nicanor die ongewild een brug wordt tussen de Verlosser en het Socialisme; de werkwillige boeren die zich als stakingsbreker laten gebruiken; de arbeiders die eerder in opstand komen wanneer de baas hen slechte arbeiders noemt dan om hogere lonen; de dorpssmid (‘Het was mijn grootvader, al hoort dit hier eigenlijk niet thuis’); de verklikker die van zijn gezond niet weet en als hij zich aan een meisje vergrijpt niet eens beseft wat hij doet en zich ten einde raad met een zak stenen in het ijswater laat zakken; de pleegdochter afkomstig uit Karelïe; en moeder Josefina, terzijde maar niet onbelangrijk voor het soort geschiedenis dat Enquist wil vertellen. ‘Er is een verschil tussen mensen die voor op de slee mogen zitten en mogen sturen en die arme stakkers die achterop moeten zitten. (…) Maar van de mensen die achterop zitten klinkt ongeduldig geroep om naar voren te mogen kruipen en om de leidsels te grijpen en op een dag zal er voorop een groot gedrang zijn en onrust en grote angst. Zo is het voor wie zelf de slee sturen.’ Enquist vraagt de lezer om de nederige brief van 1894 na tachtig jaar nog eens opnieuw te lezen, of liever met andere ogen, ogen die de anderen in die tijd bezig hebben gezien; de zojuist aangehaalde zinnen, die Josefina op een slee gezeten in het oor van haar zoon Nicanor fluistert, verdienen het om eveneens twee keer gelezen te worden.
Herschreven leven

SEBASTIAN BARRY
DE GEHEIME SCHRIFT
Uit het Engels (The Secret Scripture, 2008) vertaald door Johannes Jonker, Querido, 324 blz., € 19,90

Bijna honderd is Roseanne McNulty wanneer zij in het geheim op papier de lijn van haar leven ophaalt, dat komt goed uit want haar levensloop is een draadje dat zij uit een lange, verwarde Ierse geschiedenis moet trekken. Al sinds jaar en dag zit en ligt ze in een inmiddels slooprijpe inrichting. Omdat maar een deel van de bewoners elders gehuisvest kan worden, moet psychiater Grene onderzoeken wie terug de maatschappij in kan – terug? In de maatschappij? Welke? Roseanne McNulty is niet helemaal gek, helemaal niet, ze is ooit gek verklaard. Hoe en waarom vertelt zij zelf: ‘Niemand weet zelfs maar dat ik een verhaal heb.’ Pas op het laatst zal de arts het onder de vloer verborgen schrift te lezen krijgen.
De held uit haar jeugd is haar vader: opzichter van het kerkhof, presbyteriaan die per ongeluk Ierse opstandelingen voor de voeten loopt, gedegradeerd tot rattenvanger. Zijn lot is net als dat van zijn dochter nevenschade van de heilige politiek. Haar beeld van de vader wijkt nogal af van de versie van eerwaarde Gaunt, een van die ‘strenge en volkomen onverzoenlijke priesters’. Volgens hem werkte de vader voor de Engelse politie, voor de opstandelingen was hij meer dan schuldig. Hangt hij zich op of werd hij doodgeschoten?
Vooral deze gejurkte vrouwenhater richt verwoestingen aan in het leven van Roseanne. ‘Wie was ik toen? Een vreemde, maar een vreemde die nog steeds in mij schuilgaat, in mijn botten en mijn bloed. Die schuilgaat in dit gerimpelde pak van huid. Het meisje dat ik was.’ Ook al zou haar levensverhaal voor een deel niet kloppen, omdat het haar eigen verhaal is, is het waar. Aan de psychiater Grene, die daar ook al zo’n dertig jaar werkt, vertelt zij het anders; of hij interpreteert het alleen anders. Als hij ten slotte op onderzoek gaat naar het kind dat zij volgens de kapelaan gedood zou hebben maar dat in 1945 geadopteerd moet zijn, zal de ontknoping voor de lezer niet zo’n verrassing zijn. Het gaat in de roman ook om iets anders: hoe mannen met stalen idealen levens van anderen verbuigen.
Knap hoe Barry (1955) die elkaar tegensprekende verhalen tegen elkaar uitspeelt. Graa Boomsma had dit boek de Man Booker Prize gegund, zelfs zonder kennis van de mededingers sluit ik me daarbij aan….
Wie schrijft
het vervolg?
ERIC-EMMANUEL SCHMITT
DE SEKTE DER EGOÏSTEN
uit het Frans (La secte des egoïstes, 1994) vertaald door Eef Gratama
Atlas, 133 blz., € 16,90

Er zijn al zeker zes boeken van Schmitt (1960) vertaald, onder meer de vierdelige Cyclus van het onzichtbare. Een van die vier delen is de novelle Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran, een eenvoudig maar allerminst simpel verhaal. Het nu vertaalde verhaal is veel ouder en vertoont dan ook meer sporen van de filosofische achtergrond van de schrijver. Een jonge wetenschapper zit in het slop, in werkelijkheid in ‘het knekelhuis’ van de Bibliothèque Nationale, als hij in een oud boek, een ander dan hij heeft aangevraagd, op een artikel Egoïsme stuit met de vermelding van een sekte die in de achttiende eeuw zou zijn opgericht door een zekere Gaspard Languenhaert, afkomstig uit de Nederlandse Republiek. In een ander boek vindt hij een reproductie van een portret van Gaspard uit 1786. Dat blijkt het gezicht van Diderot te zijn, het gaat ook om kopieën van niet-bestaande schilderijen. Telkens stuit de onderzoeker, die nu een echt onderwerp heeft, op nieuwe manuscripten, waarvan de data telkens een sprong van vijftig jaar te zien geven. Alles is slechts beeld, is de gedachte waar de sekte op gebaseerd is: ‘Het leven is slechts wat ik droom. Ik alleen ben de hele werkelijkheid.’ Dat betekent eindeloos filosofisch gegoochel in een spiegelpaleis.
Het mooiste verhaal is dat van de rijke nazaat die de Bretonse familietak op het dak valt; om zijn erfenis wordt hij gedoogd. Op zolder schrijft God, want zo ver is Gaspard gekomen, zijn gedachten neer. Het boekje eindigt met een brief uit een Parijse kliniek, waarin een professor anno 1993 de dood meldt van de 33-jarige Gérard Lagueret, een anticlimax die het elegante gejongleer met verdubbelingen, spiegelingen, opduikende manuscripten en naamsveranderingen om zeep helpt. Het gemopper van God was veel aardiger: ‘Ik heb hen geschapen. Waarom laten ze mij lijden?’ of: ‘De wereld… o, ik ben het beu om mij deze brij voor te schotelen. Ik kan het niet meer verteren, het is een vergif, een infectie. Ach, de zuivere lucht van het volmaakte, een leven waarin er niets anders zou zijn dan ik, ik alleen…’