100 jaar Eerste Wereldoorlog: De Nederlandse vrijwilligers

Voor paard en paspoort

Nederland bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog, maar een paar duizend landgenoten doken vrijwillig de loopgraven in. Wat bezielde hen? ‘Er is iets onbeschrijfelijk schoons in zulke aanvallen.’

Medium file0001 jan sluijters

In Verdun lijkt het alsof er niets geleerd is van de Eerste Wereldoorlog. Wie de eindeloze grafvelden, de bombastische monumenten en het lugubere knekelhuis van Douaumont bezoekt, bekruipt het ongemakkelijke gevoel dat de gevallen soldaten nogmaals worden misbruikt in naam van de Franse natie. Van hun individuele identiteit, voorkeuren en levensverhalen ontdaan, worden ze door het herdenkingsoord ook na hun dood in het patriottische keurslijf gedwongen. Daar, rond het voormalige garnizoensstadje, lieten in tien maanden meer dan vierhonderdduizend soldaten het leven, waarvan goed de helft aan Franse zijde vocht. ‘Gestorven voor Frankrijk’, zoals het ter plekke heet.

Tussen die voor een groot deel anonieme botten en schedels liggen ook de resten van een aantal Nederlanders. Dat is opmerkelijk. Nederland bleef tenslotte ‘buiten schot’ in de Eerste Wereldoorlog, zoals de titel luidt van een belangrijk boek dat onderzoeker Paul Moeyes hierover schreef in 2001, en dat komend jaar opnieuw wordt uitgegeven. Als neutraal land bezag Nederland de oorlog vanaf de zijlijn. Soms gebeurde dat letterlijk: in 1914 keek het publiek vanaf de Mescherberg in Zuid-Limburg toe hoe het kleine België onder de voet werd gelopen door het Duitse leger.

Terwijl in vier jaar tijd miljoenen jonge mensen stierven in de loopgraven verloor het gemobiliseerde Nederlandse leger in diezelfde periode welgeteld 58 man. Volgens historicus Maarten Brands heeft ons land hierdoor een ‘cruciale wissel’ van de moderne Europese geschiedenis gemist. Dat citaat is vaak, al dan niet terecht, uitgelegd als zou Nederland niet beïnvloed zijn door de Eerste Wereldoorlog. Dat is overdreven. Weliswaar vond het speldje dat een Amsterdamse firma maakte met de tekst ‘Praat me niet over den Oorlog’ gretig aftrek, maar aan die realiteit viel moeilijk te ontsnappen. Denk aan de duizenden geïnterneerde buitenlandse soldaten, de voedseltekorten, smokkelarij, en niet te vergeten de één miljoen Belgische vluchtelingen die in 1914 in een paar dagen tijd de grens over trokken.

Ook de vier jaar durende mobilisatie kan moeilijk beschouwd worden als business as usual. Anders dan in Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië ging de afkondiging hier niet gepaard met uitgelaten taferelen met juichende meisjes en bloemenregens. Gepensioneerde officieren kwamen die zaterdag 31 juli spontaan hun diensten aanbieden bij het departement van Oorlog. Maar over het algemeen ging het er kalm aan toe. Het voelde bijna als een teleurstelling dat Nederland neutraal bleef, bekende Louis Couperus. Vanuit München beschreef hij zijn ‘verlangen enthouziast in Den Haag mede op te loopen naar het Paleis op het Noordeinde en daarvoor, tusschen een zingende menigte mede te zingen ónze “Vaderlandsche Liederen”: “Wien Neêrlands Bloed”, en “Wilhelmus”.’ Toch klonk op de befaamde kerstavond van 1914, toen voor even de wapens zwegen en de internationalistische geest van voor de oorlog de kop op stak, naast de Internationale en de Marseillaise vanuit een enkele loopgraaf ook het voormalige Nederlandse volkslied: ‘Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit, van vreemde smetten vrij…’

De jonge adel was verzot op

De schattingen over het aantal Nederlandse oorlogsvrijwilligers lopen ver uiteen, het waren er in elk geval meerdere duizenden. In een reeks artikelen in het kwartaalblad van de Nederlandse Vereniging voor Militaire Historie wordt alleen al het aantal landgenoten dat meevocht aan Franse zijde geschat op vijfhonderd, van wie er driehonderd gewond raakten of stierven. Elders worden zelfs aantallen van boven de vijftienhonderd man genoemd. Om het in moderne termen te vatten: vier Mali-missies. Velen van hen woonden bij het uitbreken van de oorlog in Parijs. Nog omvangrijker was het aantal Nederlanders in Amerikaans uniform. Ook in het Duitse en Belgische leger vochten honderden vrijwilligers uit het neutrale buurland mee. Maar waarom?

Vier jaar lang streed jonkheer Teixeira de Mattos als officier voor de Duitsers aan het oostfront. De naam van zijn huzarenregiment: ‘Königin Wilhelmina der Niederlande’. ‘Het was een hele eer om daarin te dienen. Het neusje van de zalm zat er’, zei hij hierover in 1987 in een interview met journalist Hans Olink. Teixeira de Mattos was lang niet de enige Nederlandse edelman die meevocht aan Duitse zijde. Anders dan de burgerij was veel adel niet verknocht aan één natiestaat. Neem de Limburger Max graaf de Marchant et d’Ansembourg, zoon van een oud-politicus en voormalig burgemeester. Samen met zijn twee broers diende hij als vrijwilliger in het Duitse leger. Drie van zijn neven waren in Belgische dienst, terwijl twee andere voor respectievelijk Frankrijk en Italië vochten.

De jonge adel was doorgaans verzot op de cavalerie, met haar mooie paarden en fraaie uniformen. Maar er speelde ook sympathie mee voor het autoritaire, militaristische Pruisen. Daarin stond ze in Nederland niet alleen. Waar de Amsterdamse media, de handel en de meeste liberalen een voorkeur hadden voor Frankrijk en Engeland kreeg Duitsland meer steun van de Rotterdamse pers, boeren (die leefden van het Duitse achterland) en militairen.

Ook generaal Snijders, opperbevelhebber van het Nederlandse leger, koesterde pro-Duitse gevoelens. Hetzelfde gold voor landbouwminister Folkert Posthuma en minister-president Cort van der Linden. Die laatste stak in een gesprek met een Duitse topambtenaar zijn bewondering niet onder stoelen of banken: ‘Ondanks al het lijden en ontberingen die uw volk doormaakt, ondanks de diepe pijn die door miljoenen gezinnen als gevolg van het verlies van hun beste zonen gaat, kunt u trots zijn om in een geweldige tijd tot een heroïsch volk te behoren; voor mij is dit geluk helaas niet weggelegd.’ Toen hem na de oorlog werd gevraagd die voorkeur voor de oosterburen te verklaren, antwoordde hij: ‘Als ras behooren we eerder bij Duitschland.’

de cavalerie, maar er speelde ook sympathie mee voor

Afkeer van de Duitse aartsvijand, Groot-Brittannië, speelde ook een rol. Die grootmacht werd in Nederland gezien als de kwade agressor in de Boerenoorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika, een conflict dat in Nederland heftige emoties opriep. Sommigen besloten zelfs zich aan te sluiten bij hun strijdende Afrikaner ‘stamverwanten’. Polderjihadi’s, maar dan anders. In het Koninklijk Huisarchief is nog een buitengewoon fel ‘Gewijzigd Britsch Volkslied’ te vinden dat herinnert aan die tijd. Het is opgetekend door niemand minder dan koningin Wilhelmina: ‘Kent gij dat volk vol overmoed/ Door geldzucht lang geknecht/ Het heeft geofferd goud en bloed/ Voor goudkoorts, niet voor recht/ (…) Dat slechte volk zijt gij, dat slechte volk, dat slechte, slechte volk zijt gij.’

Toch waren ze een minderheid, de Nederlandse vrijwilligers die om wille van principes plaatsnamen in de loopgraven. Anders dan in de Tweede Wereldoorlog ging het in de Eerste Wereldoorlog nauwelijks over botsende, universele ideologieën. Als mensen al door iets hogers gedreven werden dan geopolitieke en economische belangen, dan vooral door nationalisme. Dat is een krachtig middel om de eigen soldaten te mobiliseren. Maar voor buitenlandse vrijwilligers spreekt het minder tot de verbeelding.

Natuurlijk zijn er voorbeelden. Zoals Arthur Knaap. In zijn in De Nieuwe Gids verschenen brieven zegt hij te ‘strijden en lijden voor het prachtige land van Frankrijk, maar ook voor een herleving van vrijheid en ideaal’. Daarbij ziet hij naast alle ellende ook iets van een hogere esthetiek in de oorlog. ‘Er is iets onbeschrijfelijk schoons in zulke aanvallen. Van beide kanten de snijdende stemmen van het veldgeschut, gemengd met de diepe bassen van de zware stukken, het onophoudelijke geknetter van de mitrailleurs, de zweepslagen van de geweren, en het geschreeuw soms van de mannen.’

Volgens Jorge Groen, auteur van Nederlanders in de Grote Oorlog, zijn dat echter uitzonderingen. ‘De meerderheid was emigrant met een (nog) Nederlands paspoort of expat, tijdelijk werkzaam in het buitenland’, schrijft hij. ‘Op het moment dat de oorlog uitbrak, bevonden ze zich in een van de belligerente landen. Met het hart half in Nederland, verliefde gevoelens voor het tweede vaderland en een zucht naar avontuur gingen ze onder de wapenen.’

het militaristische Pruisen

Wie voor het nieuwe vaderland vocht, kon sneller het felbegeerde nieuwe paspoort verwerven. Naast die wortel was er ook een stok. Vreemdelingen die niet in dienst gingen, laadden al snel de verdenking van spionage op zich. Maar aangezien alom verwacht werd dat de troepen met Kerstmis weer thuis zouden zijn, leek deelname aan de oorlog een bescheiden investering in een gelukkiger toekomst.

Het liep anders. Kerstmis ging voorbij zonder dat het einde van de oorlog in zicht was. Op het enthousiasme van 1914 volgde vanaf 1915 de desillusie. Steeds meer Nederlanders vroegen om ontslag uit het leger, maar de leiding reageerde keihard. Maastrichtenaar Jos Huijsmans, die aan Belgische zijde vocht, moest ruim een maand de gevangenis in. Nog schrijnender was het lot van Johan Schepens uit Kerkrade. Hij zou ook na de oorlog nog bijna vijf jaar vastzitten in een Frans interneringskamp. Vele andere vrijwilligers overleefden de strijd helemaal niet.

Degenen die terugkeerden naar Nederland, wachtten verdere beproevingen. Door dienst te nemen bij een buitenlandse mogendheid bleken zij hun staatsburgerschap te hebben verspeeld. Berooid, getraumatiseerd en soms kreupel troffen zij bij thuiskomst een land aan waar de aandacht voor wat elders de ‘Grote Oorlog’ ging heten al snel wegebde. Waar in tegenstelling tot Duitsland en Frankrijk geen leger teleurgestelde veteranen bestond waaruit een fascistische of nationaal-socialistische beweging kon putten. Maar waar de oorlog niettemin sporen naliet, bijvoorbeeld in de vorm van de felle polarisatie van de jaren twintig en dertig.

Links en rechts trokken volstrekt tegengestelde conclusies uit de Nederlandse neutraliteitspolitiek. Voor iedereen was tijdens de oorlog duidelijk geworden dat een klein land machteloos was tegenover de grillen van de grote mogendheden. Maar waar links daarin een extra argument zag voor militaire ontwapening wereldwijd riep rechts juist luider dan ooit om een krachtig leger en dito regering – desnoods tegen de democratie in. Daarbij bleken voor sommigen de voorkeuren tijdens de Eerste Wereldoorlog een voorafspiegeling van wat komen ging. Voormalig opperbevelhebber Snijders vatte sympathie op voor antidemocratische stromingen. Hoewel hij geen lid was, stond hij niet afwijzend tegenover de nsb. Zij pro-Duitse collega, oud-landbouwminister Posthuma, zou tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitse bezetter collaboreren. In 1943 werd hij geliquideerd door het verzet.

En de oorlogsvrijwilligers? Zij verdwenen in de anonimiteit van de slagvelden of de naoorlogse maatschappij, op een enkeling na. Zoals de reeds genoemde Limburgse graaf de Marchant et d’Ansembourg, die voor de Duitsers vocht aan het Oostfront. Hij maakte carrière in het bankwezen en bij de staatsmijnen. In de politiek vertegenwoordigde hij een tijdlang de rooms-katholieke rksp in de Provinciale Staten, maar zijn voorliefde voor Duitsland bleef. In 1933 werd hij lid van de nsb. Tijdens de bezetting was hij gouverneur van Limburg. Mét twee ijzeren kruizen, voor bewezen diensten tijdens die vorige wereldbrand.

Beeld: Jan Sluijters