België na ‘22/3’

‘Voor preventie is geen aandacht’

De ontsteltenis in België over de aanslagen van 22 maart 2016 is vertaald naar sterkere politiewetten, vaste politieke stokpaardjes en een scherp debat rond identiteit en islam. Dat doet denken aan Nederland.

Medium gettyimages 498445052
Brussel. ‘Het bot dat allochtonen wordt voorgehouden: als je je best doet, kom je er wel. Dat is niet waar’ © Arturas Morozovas / Barcroft Media via Getty Images

Wie via de Boulevard Leopold II de Brusselse wijk Sint-Jans-Molenbeek in loopt, stuit direct op een uitgebrande loods, waar recent nog vervallen winkels en een garage huisden. Linten zetten het trottoir af voor de spookachtige hal, waar hopen zwart verbrande troep onder strepen gesmolten plastic liggen. Het lijkt een dreigende voorpost van de bekendste en beruchtste woonwijk van België, in Europese media soms de ‘hoofdstad van de jihad’ genoemd. Maar de geblakerde loods heeft niets te maken met de associaties die de naam ‘Molenbeek’ meestal oproept. Ze was in handen van een grondspeculant, ging toen om onheldere redenen in brand, waarna de gemeente toestemming gaf om op het nu vrijgekomen terrein een hoog nieuwbouwcomplex te bouwen. In de wijk wordt opzet vermoed en wordt gemord over de nieuwste snipper Molenbeek die wordt ingelijfd door het nieuwe geld en door de wereld aan de overkant van het kanaal – die van de kantoren en overheden.

Molenbeek verandert, op een manier die weinig Brusselaars zal spijten. En niet alleen Molenbeek lijkt een nieuwe richting ingezet te hebben na de aanslagen van 22 maart 2016, in België afgekort tot simpelweg ‘22/3’. Enkele weken geleden verlaagde de nationale antiterreurdienst ocad het dreigingsniveau in België van drie (op een schaal van vier) naar twee. In Nederland is dat vier op een schaal van vijf. ‘De aantrekkingskracht van IS is grotendeels verdwenen’, vertelde de ocad-directeur in een interview. ‘België is veiliger geworden.’

In de nationale politiek en media is van een positieve richting echter niets te merken. Afgelopen weekend gaf Bart De Wever, de belangrijkste politicus van België, de richting opnieuw aan. De Wever is burgemeester van Antwerpen en partijvoorzitter van Nieuw-Vlaamse Alliantie (n-va), veruit de grootste partij van België. Bij de lokale verkiezingen van dit jaar zal n-va de focus leggen op identiteit. ‘De software van onze identiteit staat onder druk, zijnde de waarden en normen van de Verlichting’, omdat ‘veel migranten de Verlichting niet hebben doorgemaakt’, zei hij in de gratis krant De Zondag. Om verwarring te vermijden welke migranten hij bedoelde, lichtte De Wever toe: ‘Dan duikt daar Allah op die wel het dagelijkse leven wil regelen.’ Bij religieuze joden is het anders, stelde hij: ‘Joden vermijden conflicten. Dat is het verschil.’ Even later sprak De Wever over soumission.

De Wever houdt zelf vol dat zijn discours over migratie in dertig jaar in niets harder geworden is, maar niemand in België gelooft dat werkelijk. Migratie en moslims worden voortdurend besproken in media en politiek, met name sinds de aanslagen van maart 2016. Het is een moment dat België diep schokte, en dat een golf aan ongeloof, woede en zelfreflectie voortbracht. Iedere Belg heeft een verhaal over waar hij was toen hij van de aanslagen hoorde, hoe het zijn of haar leven raakte.

Twee zelfmoordterroristen bliezen zich op die dag met spijkerbommen op in de vertrekhal van vliegveld Zaventem, even buiten Brussel. Een derde deed een uur later hetzelfde in een trein die metrostation Maalbeek verliet. Bij de explosies kwamen, behalve de daders, 32 mensen om en raakten er meer dan driehonderd gewond. De daders waren jonge Marokkaans-Belgische mannen uit Molenbeek, die naar Syrië waren gereisd of dat hadden geprobeerd, en trouw hadden gezworen aan IS. Enkelen van hen waren betrokken geweest bij de eerdere terreuraanslagen in Parijs.

‘Ik was onderweg naar Brussel, ik ben ook Kamerlid, maar ik kwam terug toen ik hoorde over explosies op Zaventem. Daarna heb ik deze tafel niet meer verlaten’, zegt Hans Bonte, burgemeester van Vilvoorde, een voorstad van Brussel die grenst aan de luchthaven. ‘Ons politiekorps kreeg opdracht de perimeter van Zaventem te beveiligen, onze brandweer moest de hal waar de explosies plaatsvonden ontruimen, we moesten hulpopvang bieden voor gestrande reizigers, en alle geldtransporten in de regio moesten direct naar een terrein in de gemeente worden gebracht dat extra moest worden beveiligd. En dat alles onder grote onduidelijkheid wat er nog stond te gebeuren. Toen viel ook het radiocommunicatiesysteem van de nooddiensten uit, net als de gsm-netwerken. Het was een ongelooflijk hallucinante dag, met veel chaos, inzet en veel emotie soms rond de tafel.’

Bonte heeft harde woorden over politiediensten, efficiëntie van bestuur en het onvermogen van het Belgische politieke systeem tot verandering. ‘Wat de aanslagen blootlegden, en hoe daarop gereageerd is, is een illustratie van een complete dysfunctie in de politieke en veiligheidsstructuur in België. Omdat het een evidentie is dat hier ingegrepen moet worden, maar dat het om politieke redenen niet kan. De aanslagen toonden dat alles aan het veiligheidsbeleid beter moet: het pure politiewerk, justitieel werk, preventie, informatiedeling in de politie-organisaties, communicatie. Er werd de vinger op de wonde gelegd van een absoluut gebrek aan efficiëntie in de politiestructuur. Met nog altijd het ongelooflijke taboe van het bijeenbrengen van politie-organisaties in Brussel, dat negentien gemeenten heeft en zes politiezones. Er is grote verdeeldheid in de politieke meerderheid. Een mens vraagt zich af wat er nog meer nodig is voor het land om die stappen te zetten.’

We spreken Bonte in Vilvoorde’s gemeentehuis, een pand dat op geheel Belgische wijze een prachtige klassieke zijde heeft aan een gezellig plein en een hotelketen-deel aan de andere kant. Afgezien van een loketdame lopen we zonder enige vorm van beveiliging door naar het kantoor van de burgervader, een ruime, hoge kamer, met lambrisering, parket, luchter en een reeks schilderijen aan de muur. De sociaal-democraat (sp.a) Bonte is een goedlachse, gedrongen man, gestoken in een pak en overhemd die verraden dat hij weinig geeft om uiterlijk vertoon.

Zijn stad, Vilvoorde, kreeg de naam een ‘jihadistenstad’ te zijn, nadat 28 inwoners naar Syrië vertrokken. Op een bevolking van 44.000 is dat één op de vijftienhonderd burgers. Mogelijk is dat het hoogste cijfer van elke stad buiten het Midden-Oosten. Bonte viel internationaal op met hoe hij daarop reageerde. ‘Fighting radicalisation with kindness’, vatte de Britse krant The Independent het samen.

‘We zitten in een permanent electoraal klimaat waarin het onveiligheidsgevoel wordt gecultiveerd’

‘Koud gepakt’, karakteriseert Bonte zijn eerste aanraking met extremisme in 2013. ‘Ik zat een paar weken op deze stoel als burgemeester toen ik bezoek kreeg van het hoofd van de Staatsveiligheid, die mij kwam opleggen: “Meneer Bonte, u heeft een groot probleem. Er zijn veertien/vijftien jongeren uit uw stad vertrokken, en ze zitten in de streek van Aleppo.” Op televisie zag ik de EU-coördinator voor terrorismebestrijding mijn stad noemen. Op straat werd zeer actief gerekruteerd door Sharia4Belgium. Zelfs in de publieke ruimte. Aan de schoolpoorten werden jongeren aangesproken: “Wat doe je hier nog, als moslim?” Ik moest direct aan de slag.’

Dat deed Bonte vanuit een onconventionele, want niet primair op opsporing gerichte aanpak. ‘Mijn overtuiging is: veiligheid waarborgen in de samenleving, daar slaag je nooit in met politie alleen. Fenomenen als radicalisering, maar ook samenhangende problemen zoals jeugdbendes, drugs, en discriminatie, moeten op een integrale manier worden aangepakt. Je hebt burgers nodig en je moet de samenleving kunnen mobiliseren tegen dergelijke fenomenen. Je moet dagelijks bewijzen dat je ook de maatschappelijke context van radicalisering aanpakt. Met de ongelijke behandeling, het gebrek aan representatie in politie en overheid, en het gebrek aan kansen voor moslims. Het antwoord op veel van deze problemen is identiteit – iedereen aanspreken als Vilvoordenaar, om te werken aan een beter en veiliger Vilvoorde. Als je op die wijze mensen weet te betrekken, bruggen weet te bouwen, dan mobiliseer je zeer veel.’

En dus toog Bonte de straat op, om in gesprek te gaan met de jongens die door de politie werden aangewezen als onverbeterlijke criminelen, naar de families van uitgereisde jihadi’s, naar de huiskamermoskeeën waar volgens inlichtingendiensten extremisme werd gepredikt. ‘Als er hier een salafistische kern was, plakte ik geen etiket op, maar ging ik ernaartoe. Naar criminele jongeren. Als je ertussen gaat zitten, gaat klappen, dan merk je dat bij die jongeren zeer veel te maken heeft met een zoektocht naar identiteit, aandacht. Het moeilijkste was nog wel om dat samen met de politie te doen, om die van haar oogkleppen te bevrijden.’ Hij verzucht even later: ‘Ik ben politie-uniformen kotsbeu’.

Bonte zegt de cijfers aan zijn kant te hebben. Want de laatste jihadi’s verlieten zijn stad, zegt hij, in 2014. Maar hoewel de aanpak van Bonte (en de soortgelijke ‘warme hand’ in Mechelen, door de liberaal Bart Somers) waardering krijgt in België, is die bepaald niet de norm. ‘Wat de preventiekant betreft van radicalisering, boeren we in Vlaanderen op een aantal terreinen achteruit’, zegt Bonte. ‘Er is nu een zeer polariserend discours. Bij de leidende politici in Vlaanderen, n-va-leiders Bart De Wever en (staatssecretaris) Theo Francken, zie je een vorm van crypto-racisme, die sterk het wij-zij-denken versterkt. We zitten in een permanent electoraal klimaat waarin het onveiligheidsgevoel wordt gecultiveerd. Daarnaast is er een bijna uitsluitende focus op veiligheid vanuit politie en repressieve wetten. Dat gaat ons niet veiliger maken.’

Dat is niet de teneur en niet de uitkomst van een parlementair onderzoek naar de aanslagen van 22/3, dat deze zomer werd afgerond. De conclusie daarvan was dat de verschillende Belgische politie- en inlichtingendiensten beter moeten samenwerken. ‘Iedereen heeft een stuk van de puzzel, maar er is te weinig overleg’, zei commissievoorzitter Patrick Dewael bij de presentatie ervan. ‘Diensten moeten meer rond de tafel zitten, databanken moeten met elkaar verbonden. Er moet een need to share- in plaats van een need to know-mentaliteit komen’

Dewael ontvangt in een kale kamer van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij is een goedgeklede heer in krakend wit overhemd en grijs pak. De liberaal (van de Open Vld) heeft een respectabele staat van dienst, onder meer als minister-president van Vlaanderen en Kamervoorzitter. Hij zit zijwaarts, uit het raam kijkend, en spreekt over de commissie die hij leidde, ‘infobesitas’ bij inlichtingendiensten, en de Vlaamse en Belgische identiteit.

‘We kwamen tot de vaststelling dat er te weinig overzicht is welke politie- of inlichtingendienst over welke informatie beschikt’, zegt hij. ‘Dat moet beter, maar niet door per se meer door te sturen. Als je in een berg informatie een speld moet zoeken, ga je die niet sneller vinden door de berg hoger te maken.’ Dewaels commissie raadde efficiëntere samenwerking aan en ‘meer olie in de machine’ waar nodig: meer personeel, zowel bij inlichtingendiensten, gevangenissen en voor deradicalisering.

Veel van de aanbevelingen van de commissie zijn doorgevoerd, bijvoorbeeld op het gebied van datasynchronisatie, preventief opsluiten van verdachten, nachtelijke huiszoekingen, extra personeel voor veiligheidsdiensten en noodcommunicatie. Andere wachten nog op toestemming van privacywaakhonden of op de weerbarstige realiteit. Zo bieden de Belgische gevangenissen al decennia koppig weerstand tegen hervormingen, en bleek dat na 22/3 niet opeens anders. Het werk van de commissie is in België niet onomstreden: dat de schuld breed over vele anonieme instanties werd verspreid viel niet overal goed. Maar Dewael vindt dat zijn commissie er aardig in is geslaagd om met één stem te spreken, onder meer omdat over de hele linie ‘de politieke mentaliteit rondom integratie en radicalisering wel gewijzigd is’.

‘Op het vlak van samenleven was de overtuiging in Vlaanderen sinds 2001 dat daar alleen harmonieus sprake van kan zijn als nieuwkomers wel bereid zijn het proces van inburgering en integratie te doorlopen’, zegt hij. ‘Maar elders in de samenleving heeft men daar toch veel langer mee gewacht. Men heeft – los van de taal en het geloof – heel lang een misplaatste tolerantie gehad. Met name in Brussel en het zuiden van het land is de integratie te lang een iets te gratuit verhaal geweest: dat mensen hier mogen komen, democratische rechten krijgen en dat het dan vanzelf wel goed zal komen. We geven wel kansen, maar die worden niet altijd gegrepen.’

‘Als men het uitgangspunt neemt: we gaan de grondwet verdedigen, dan zijn we toch niet aan het polariseren?’

‘Ik ben heel tolerant in religieuze zaken’, vervolgt Dewael, ‘maar het moet wel in harmonie te brengen zijn met de basiswaarden waarvoor onze samenleving staat – gelijkheid van man en vrouw, om maar iets te noemen. Wat radicalisering in godsdiensten betreft, vooral in de islam, baart dat zorgen. In grote delen van het land is de realisatie gekomen dat voor het aanpakken van terreur de basiswaarden van ons land bepalen wat hier gebeurt. Nu wordt gelukkig vanuit alle partijen gezegd: bepaalde zaken kunnen niet door de beugel.’

Dewael verwerpt het idee dat dit polarisatie met zich meebrengt in de Belgische samenleving. ‘Polariseren, polariseren. Als men het uitgangspunt neemt: we gaan de grondwet en de basiswaarden van de Verlichting verdedigen, dan zijn we toch niet aan het polariseren? Dan zeggen we gewoon: hier gaat het voor ons over. En als u van elders komt en u wilt hier in harmonie met ons samenleven, dan doet u er goed aan om deze basiswaarden als uitgangspunt te nemen. We kunnen nooit aanvaarden dat u religieuze regels boven de wetten stelt van het land waar u leeft. Ik trek die lijnen en ik zie dat dat op een compleet andere manier valt, ook naar de media toe, dan pakweg tien jaar geleden.’

Om het primaat van de grondwet te bekrachtigen, en de scheiding van kerk en staat, heeft Dewael een preambule bij de grondwet voorgesteld die het liberale, seculiere karakter ervan bekrachtigt. ‘Burgerschap is iets wat je effectief moet beleven, je moet wel geloven in de waarde van de samenleving waar je deel van uitmaakt’, stelt hij. ‘Ik geloof dat door de decennia heen een deel van die uitgangspunten verwaterd is. Misschien staat een jongere niet meer stil bij: wat is dat geweest, de Verlichting, wat zijn de waarden waarvoor men heeft moeten knokken?’

Medium a424e648b8254231971dbc9657e6f039 0
Brussel, 2 november 2017. Geert Wilders en Filip Dewinter geven een persconferentie. Het werd ze verboden campagne te voeren in Molenbeek © Geert Vanden Wijngaert / AP / ANP

De verschillende lessen die Bonte en Dewael uit 22/3 trekken, staan voor meer dan een verschil tussen links en rechts in België. Voor een buitenstaander is het niet meteen duidelijk, maar de reactie in België op de aanslagen viel voor een belangrijk deel neer via automatische reflexen. De belangrijkste daarvan is staatshervorming, een codewoord voor aanpassing van de bijna onmogelijke lappendeken van overheden en diensten die in België bestaan. Die doet prima dienst om politieke macht te verspreiden over de verschillende minderheden, maar blijkt ook op sommige belangrijke momenten hopeloos inefficiënt. Bij de aanslagen, bijvoorbeeld.

Voor veel Belgen was 22 maart 2016 een moment om alles van België tegen de lamp te houden. Hoofdredacteur Gie Goris van MO* Magazine laakte bijvoorbeeld zijn eigen ‘laconieke mening’ over eerdere verwijten uit het buitenland dat België met zijn zes regeringen en parlementen een failed state was, en pleitte voor ‘een heel grondige herdenking van de Belgische staatsstructuur’. Maar in de praktijk komt dat voor veel politici neer op ‘herfederalisering’, al sinds een jaar of acht hét modewoord in de Belgische politiek. Het betekent in praktijk ook vaak: bestuursmacht in de stad Brussel naar een hoger niveau tillen, en dus weg bij de Franstalige lagere overheden. En dat borduurt weer voort op de oude Vlaamse grief dat Brussel een rotzooi is en dat alles er maar gedijt. Walen zeggen het niet openlijk, maar vinden op hun beurt de Vlaamse pleidooien voor centralisering een opportunistisch gebruik van het drama. En zo werd de Belgische reactie op de aanslagen verbluffend snel in bekende banen geleid.

Ook andere zaken die in België in verband werden gebracht met de aanslagen, hebben vaak een lange stamboom. Armoede bijvoorbeeld, die in Belgische achterstandswijken scherper is dan in Nederland, de haperende sociale mobiliteit en de matige rol van onderwijs daarin, de onduidelijke nationale identiteit en de desinteresse van Belgen voor hard patriottisme, de losse mentaliteit van ‘leven en laten leven’. Het voorkomen van een nieuw 22/3 leidt vaak terug tot bekende politieke problemen. Zo is er geen nationaal deradicaliseringsbeleid: niet omdat de noodzaak ervan niet wordt gezien, maar omdat de vaststelling en implementatie ervan via zoveel schijven moet voor het de straat bereikt. Daarom slaan steden zelf aan het experimenteren, en kun je de warme hand in Mechelen en de harde vuist in Antwerpen praktisch bij elkaar om de hoek vinden.

Ook de kritiek op falende integratie en de rol van de islam is geen reactie op de aanslagen. Al in 1992 publiceerde Vlaams Blok-voorman Filip Dewinter een eerste versie van het 70-puntenplan, met daarin voorstellen om moskeeën te sluiten, erkenning van het islamitische geloof in te trekken en rituele slachting te verbieden. ‘De islamitische godsdienst is een anti-Europese en onverdraagzame godsdienst’, stelde de tekst. ‘Er bestaat een fundamentele en onoverbrugbare tegenstelling tussen de islam en het Europese waardengoed.’

O m deze redenen beginnen Vlamingen die de effecten van 22/3 willen analyseren doorgaans niet in maart 2016, maar veel eerder. Zoals Walter Pauli, columnist van weekblad Knack. ‘Om te begrijpen wat er vandaag aan de hand is, moet men terug naar eind jaren negentig, naar de eerste Paarse regering onder Guy Verhofstadt’, stelt Pauli, een vrolijke, kleine man met kort grijs haar, een baard en een groot plezier in het ontleden van Vlaanderen en België. We zitten in een vierkante, aquariumachtige vergaderruimte, vastgeplakt aan een lange redactiehal met een opnamestudio en tafels vol zwijgende redacteuren in het Brussels Media Center, een wat pompeuze naam voor het lage kantoorgebouw naast het Navo-hoofdkwartier.

‘Sharia4Belgium zit een paar straten verder. Het werd tussen ons geregeld duwen en trekken aan jongeren’

‘Het was een regering met bijzonder veel progressief elan, kiesrecht voor vreemdelingen en dergelijke’, zegt Pauli. ‘Maar midden in die regeerperiode vallen de aanslagen van 11 september 2001, en dan draait het zeer snel om. Dat werd nog verscherpt omdat we hier het Vlaams Blok hadden en Dyab Abou Jahjah. Dat is het eerste kantelmoment: in 2004 wordt het Vlaams Blok de grootste partij. Kort nadien begint n-vahaar opgang te maken. Bart De Wever geeft het klassieke Vlaams-Waalse verhaal een nieuwe insteek. Hij stelt: wij Vlamingen zijn anders dan de Walen, want wij zijn in het hart liberalen en zij socialisten. Hij verklaart dat de elite links is. En hij vertrekt bij het antivreemdelingendiscours van het Vlaams Blok, dat focust op de werkloze allochtoon, en richt zich op de moslim die onze waarden niet deelt. Hij bouwt dat thema gradueel op, onder de indruk van Pim Fortuyn, en n-va begint aan een lange groei.’

‘Het moment van nu heeft dus een lange aanloop’, vervolgt Pauli. ‘Maar vergis je niet: 22/3 heeft wel degelijk een knik veroorzaakt. Door 22/3 is geweld onze samenleving binnengekomen. Door de aanslagen zelf, in wetgeving, in verbaal geweld, in de eerste raciale rellen, in een baldadige opinie met randjes in de politiek. Er is een sterke verruwing in het discours. Men gaat nu grenzen over die men daarvoor nog aanhield, met name op sociale media maar ook in de politiek, bij alle partijen van de meerderheid, inclusief Open Vld. En het valt vooral op hoeveel minder ruimte er is om racisme te benoemen als racisme. “De Vlaming is niet racistisch, mijnheer.” Dat is een vaste overtuiging. En als een allochtoon er niet komt, heeft hij zijn best niet gedaan. Maar de werkloosheid onder hoogopgeleide allochtonen is hoger dan onder laagopgeleide. Het bot dat hen wordt voorgehouden: als je je best doet, kom je er wel. Dat is niet waar.’

Het is geen vrolijk verhaal dat Pauli schetst. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de kritiek op de islam aan het omslaan is naar het amputeren van moslims uit de maatschappij’, stelt hij. ‘De moslim mag alleen moslim zijn als hij zich in het publieke domein gedraagt alsof hij dat niet is. Ik zie steeds meer dat allochtonen bedanken voor die, laten we zeggen, Aboutaleb-rol. Ze zeggen: “Jullie zijn racisten, wij zetten onze eigen zaak wel.” Aan de andere kant is er volgens mij grote steun voor de n-va-lijn, ook onder linkse stemmers, óók onder Franstaligen; volgens een peiling zelfs onder extreem linkse Walen. Niet alles is hier vreselijk, in Nederland wordt veel harder geprotesteerd tegen asielcentra. Maar er zijn grenzen weggevallen. Alles wat identitair is, veroorzaakt een steekvlam: besnijdenis, bezinningsruimtes, slachten. Je hoeft er de kranten maar op na te slaan.’

Een aanloop sinds 2001, strengere politie- en informatiewetten, een scherp debat rond identiteit en islam; het doet heel sterk aan Nederland denken, dat gelukkig geen 22/3 heeft beleefd. Misschien is dat ook niet zo vreemd: de aanslagen in Brussel, Parijs en Barcelona zijn minder nationaal in hun impact dan we geneigd zijn te denken; mentaal is het dichtbij. En ook de gedachte dat deze aanslagen minder een breekpunt zijn dan een versneller van bestaande trends, is eerder logisch dan verrassend.

Evengoed kan de focus op repressievere wetgeving en identiteit een vreemde luwte opleveren in het oog van de storm. Zoals in de Antwerpse wijk Borgerhout, die regelmatig met Molenbeek wordt vergeleken. Als 22/3 één ding duidelijk maakte, was het dat jongens uit deze wijken niet aan hun lot moeten worden overgelaten, omdat ze dan kunnen worden geronseld door extremisten. Je zou hier grote activiteit rond hen verwachten. Maar dat is niet het geval.

‘Ik heb soms de indruk dat er helemaal geen aanslagen hebben plaatsgevonden. Dat het is alsof de luchthaven niet is gebombardeerd geweest en zoveel mensen hun leven zijn kwijtgeraakt’, zegt Ilyas Zarhoni van Ceapire, een centrum voor deradicalisering in Borgerhout. Alles in hun centrum – twee kamers en een keuken – ademt nieuw design, zoals een matzwarte wand, cactussen, en koehoorns aan de muur. In de ‘inspiratieruimte’, waar de twee op geradicaliseerde jongeren inpraten, siert een behang met inspirerende figuren de grootste wand: Mandela, Malala, Ronaldo.

‘Ik maak me er erg zorgen om’, zegt Zarhoni. ‘Het is alsof er geen problematiek van radicalisering bestaat. De redenen voor radicalisering en vertrek zijn niet aangepakt. De sociale achterstand is hetzelfde, de armoede en drugscriminaliteit als alternatief, de afwezigheid van een tegenverhaal tegen de radicale boodschap. Er worden alleen maar mensen achter de tralies gezet, maar er is geen aandacht voor preventie.’

Ceapire is het duoproject van Zarhoni met Cherif Al Maliki. Samen zitten ze aan tafel in de ‘overlegruimte’, Zarhoni, groot en goedgeluimd, Al Maliki iets ouder, getraind, de haren achterover. Sinds 2008 begeleiden ze in Antwerpen moslimjongeren, om ze op school te houden en in hun motivatie om iets te bereiken. ‘Plots verscheen in 2010, 2011 Sharia4Belgium’, zegt Zarhoni. ‘Ze zitten een paar straten verder, en het werd tussen ons geregeld duwen en trekken aan jongeren. Soms verdwenen er een paar, die doken dan op in Syrië. Bij ons gingen de alarmbellen af: dit is een grotere problematiek dan alleen die paar jongens hier.’

Dat is nu iedereen wel duidelijk, maar tot veel actie leidt het niet – in ieder geval niet in tal van steden, waaronder Antwerpen en Brussel. ‘Er zijn nu nieuwe antiterrorismewetten, er zit een aantal radicale jongens in de gevangenis en in de maatschappij worden moslims geviseerd’, zegt Al Maliki. ‘Maar wat lost het op? De jongens komen straks uit het gevang en hebben meer status dan ooit: het systeem heeft ze geprobeerd te breken en ze hebben het overleefd. Voor hun broers, neven, vrienden: we hebben een tegenverhaal voor hen nodig, maar al sinds 2010 is België niet met hen bezig, en nog steeds niet.’

‘Het doet me zeer denken aan de tijd na 9/11, het voelt hetzelfde’, vervolgt Al Maliki. ‘Ik moet veel denken aan de generatie die elf, twaalf jaar was toen IS opkwam. Zij hebben van alles meegemaakt tijdens hun puberjaren. Binnenkort worden ze achttien. We moeten ons klaarmaken voor een vervolgverhaal.’