F.B. Hotz & H.W. Kunst, Een beetje levensbestemming

Voor thuisblijvers en ploeteraars

F.B. Hotz & H.W. Kunst

Een beetje levensbestemming: Briefwisseling

Samenstelling Henri E. Schütte, redactie en inleiding Aleid Truijens

Uitg. De Arbeiderspers, 167 blz., € 19,95

«Er zijn zo weinig mensen die in een ander geloven», verzuchtte de schrijfster A.H. — Netty — Nijhoff tegen het eind van haar leven. «En dat is wat ieder mens nodig heeft. Al is er maar één.» Zij kon het weten, want ze geloofde al in haar Martinus toen hij nog maar een gymnasiastje was en gedichten schreef voor het schoolblaadje. De schrijver F.B. — Frits — Hotz (1922-2000) vond zijn Netty in zijn oom Herman, de chemicus H.W. Kunst (1904-1977). Pas op 54-jarige leeftijd debuteerde Hotz, maar dankzij de publicatie van de brieven tussen neef en oom weten we nu dat voor Hotz als geen ander de uitspraak van Mulisch opgeld doet: «Een schrijver wórd je niet. Een schrijver bén je.»

De levensloop van Hotz toont de ontwikkeling van een curieus en authentiek schrijverschap, van iemand die helemaal van buiten kwam en niet erg gericht was op publiciteit. Elk interview met Hotz was er één, en zo zal ook iedere kans op een inkijkje in ’s mans zielenleven via brieven als deze met gretigheid door de vele Hotz-adepten worden gegrepen. De pure en lieve correspondentie, soms op het aandoenlijke af, bevat een bemoedigende boodschap voor de verlegen ploeteraars onder ons. Talent verloochent zich niet.

De eerste brieven, die Hotz schreef tussen 1945 en 1947, getuigen van een grote leeshonger. Zijn oom deelt met hem de interesse in literatuur, en plundert met graagte zijn boekenkast voor de armlastige Frits. Hij stuurt hem boeken van onder meer Vestdijk, Greshoff en Bordewijk. Beiden zijn grote liefhebbers van het werk van Arthur van Schendel. Hotz schrijft er zo enthousiasmerend over («eerst vond ik hem alleen maar mooi en voornaam, nu krijg ik na ieder boek van hem meer de wens zelf Van Schendels te bezitten»), dat je zin krijgt deze schrijver weer eens te voorschijn te halen; ooit een belangrijke figuur in de Nederlandse letteren, maar inmiddels lelijk van de plank gevallen. «Oom Her» is Hotz’ raadsman. «Misschien wilt u weer zo’n greep in de poëzie doen deze keer? (…) Hebt u nog meer van Mien Proost?»

Hotz is trombonist in verschillende jazzorkesten. Midden jaren vijftig, als hij 34 is, trouwt hij met de 21-jarige Barbara. Hij heeft weinig geld, zijn jazz raakt uit de mode en hij twijfelt of hij meer werk van zijn schrijven moet gaan maken. In een brief uit 1960, geschreven vanuit het blindeninstituut waar hij tijdelijk verbleef als gevolg van zijn oogkwaal — een ziekte die hem in de laatste jaren van zijn leven nagenoeg blind maakte — beschrijft Hotz de verlammende staat van zijn waarin hij is beland. Weliswaar weet hij inmiddels wat zijn «grootste verlangens» zijn, maar telkens is er iets wat hem weerhoudt tot actie over te gaan. Als hij in de brief heeft uitgeschreven wat dat zoal is, en hoe dat komt, haast hij zich onmiddellijk alles te relativeren. «Na overlezen klinkt dit allemaal wel dik (alsof ik erg overtuigd zou zijn van wat schrijfaanleg bijvoorbeeld. Dat ben ik bijna nooit, maar wel is de schrijfwens echt en oud en vaak aanwezig).» Oom Her, per kerende post: «Er is natuurlijk (…) een vorm van angst over hoe het beoordeeld zou worden of over jezelf te veel blootgeven. Zulke dingen moeten soms een lang proces doormaken.» Máár, concludeert hij kordaat: «Eenmaal moet het ijs doorbroken worden.»

Dat zal toch nog wel even duren. Veertien jaar om precies te zijn. Jaren waarin Hotz gebukt gaat onder twijfel («soms lijkt schrijven me opeens iets voor zieken en thuisblijvers») en een slechter wordend huwelijks leven, culminerend in een scheiding. Wel begint hij verhalen van zijn hand op te sturen naar zijn oom, die zich telkens de ideale, verstandige en aanmoedigende lezer betoont. Ook verstrekt hij zijn neef munitie voor diens verhalen, in de vorm van brieven en andere documenten uit het familiearchief. In december 1974 durft Hotz het eindelijk aan een verhaal in te sturen naar het literaire tijdschrift Maatstaf, een uitgave van De Arbeiderspers. De rest is geschiedenis. Oom Her: «Het is gewoon enig allemaal.»

Het geldt ook voor de brieven: het is enig om de onwennige gang van een buitenstaander in het — Amsterdamse en Leidse — literaire leven van zo nabij te volgen. Over zijn eerste ontmoeting met Theo Sontrop en Martin Ros: «Allebei droegen tot m’n opluchting gewone colbertkostuums met overhemd en das.» Hoewel Hotz onmiddellijk een ongekende bewondering ten deel valt, blijft iedere vorm van dikdoenerij hem vreemd. Zelfs remt hij af en toe zijn oom af: «Niet met je eens ben ik het met je opmerking dat ik Helga Ruebsamen achter me gelaten zou hebben!» Recensies, interviews, prijzen, eeuwige roem; niets zal Hotz bespaard blijven. Oom Hers devies verdient een wandtegel: «Blijf altijd doof voor kletskoek en ga gewoon je gang.»