DE CHRISTELIJK-HISTORISCHE UNIE 

Voor volk en geweten

Honderd jaar geleden ontstond de Christelijk-Historische Unie. De partij is al lang ter ziele, maar het jubileum werd uitbundig gevierd. Er bestaat zoiets als CHU-nostalgie. ‘De Unie is in het CDA zo goed als verdampt. Spijtig.’

TOEN HIJ TER WERELD KWAM was de CHU nog geen drie jaar oud: Jan Wilhelm van Hulst, geboren op 28 januari 1911 in Amsterdam. Zoon van een hervormde meubelstoffeerder. Nu, bijna een eeuw later, woont hij nog steeds in de hoofdstad, waar hij tot zijn pensioen hoogleraar pedagogiek was aan de Vrije Universiteit. ‘Ik ben, als ik het wel heb, zo rond 1930 lid geworden van de Christelijk-Historische Unie’, vertelt hij met heldere stem. ‘Ik was onderwijzer in Oudewater en de CHU-afdeling aldaar had zo’n donkerbruin vermoeden dat ik wel zou sympathiseren met de club. Wel, dat hadden ze goed gezien. Ik mocht verslagen maken van de plaatselijke vergaderingen en die werden dan gepubliceerd in het CHU-blad De Nederlander. Apetrots was ik natuurlijk.’
Van 1956 tot 1981 was Van Hulst Eerste-Kamerlid voor CHU/CDA, waarvan de laatste twaalf jaar als fractievoorzitter. Tevens was hij van 1969 tot 1972 partijvoorzitter. Een groepering met een gemoedelijke sfeer, zo omschrijft Van Hulst de Unie: ‘Toen ik in de jaren dertig voor het eerst de districtsvergaderingen bezocht, werd ik getroffen door de grote mate van vrijheid. Ieder had recht op zijn eigen mening en tegenstanders gingen mild met elkaar om. Dat was men vanuit de hervormde kerk gewend, waar vele stromingen, van vrijzinnig tot orthodox, onder één dak samenwoonden. Men had een grote bereidheid tot samenwerking met andersdenkenden.’
Van Hulst memoreert dat het CHU-premier Dirk Jan de Geer was die als eerste socialisten in zijn kabinet (1939-1940) durfde op te nemen: ‘Ik heb jonkheer De Geer nog meegemaakt. Je kwam hem tegen op districtsvergaderingen. Als persoon was hij moeilijk te peilen. Geen man voor smalltalk. Hij miste uitstraling en charisma. Maar wel een uitstekende minister van Financiën en in zijn eerste kabinetsperiode ook een goede premier. Tijdens de oorlog was hij een heel zwakke minister-president. Zijn defaitistische houding tegenover de Duitse bezetter valt niet goed te praten.’
De Geer was de enige premier die de CHU in haar 72-jarige bestaan (1908-1980) leverde, en die viel nog in ongenade ook. De ARP – eveneens een middelgrote partij – tekende vier keer voor het minister-presidentschap: Colijn (vijf kabinetten), Gerbrandy, Zijlstra en Biesheuvel. ‘Tsja, dat is nou typisch die CHU-bescheidenheid’, verklaart Van Hulst. ‘Wij probeerden te leven naar het Bijbelwoord de ander uitnemender te achten dan onszelf. Bij de ARP trof je een enorme geldingsdrang: wij weten het en wij weten het alleen. Ik meen me te herinneren dat Colijn altijd een kwartier te laat op partijvergaderingen kwam, zodat iedereen hem kon zien binnenkomen. De Geer zat een kwartier voor aanvang al achter de tafel. Dat is tekenend, niet?’
Dat verschil in mentaliteit is blijkens het boek Gezag en vrijheid, dat Marcel ten Hooven (hoofdredacteur van Christen-democratische verkenningen) en Ron de Jong (historicus) ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de CHU schreven, terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van de twee protestants-christelijke partijen. De ARP was een emancipatiepartij voor de kleine luyden, zoals de gereformeerden werden genoemd, en had van daaruit een grote daden- en organisatiedrang. De CHU, in 1908 deels als afsplitsing van de ARP ontstaan onder leiding van jonkheer Alexander de Savornin Lohman, kon als vertegenwoordiger van het (hervormde) establishment veel ontspannener politiek bedrijven.
Dat verschil vertaalde zich ook ideologisch. De ARP beleed, onder vurige aanvoering van Abraham Kuyper, de antithese-gedachte: het volk was op te delen in een christelijk en een niet-christelijk deel. De Savornin Lohman, die zich van Kuyper had afgekeerd vanwege diens in zijn ogen dictatoriale en machtsbeluste gedrag, beschouwde het volk veel meer als één geheel. ‘Wij waren vólksvertegenwoordigers’, zegt dr. Roelof Kruisinga, de laatste voorzitter van de CHU-Tweede-Kamerfractie. ‘Wij hadden alleen te maken met het belang van het volk en ons eigen geweten. Dat onafhankelijke gedrag zie ik in het huidige CDA veel minder terug.’
Het ontbreken van een hechte partijorganisatie – de CHU was niet meer dan een los verband van kiesverenigingen, zonder politiek programma – en de afwezigheid van een strenge fractiediscipline maakten de Unie tot een curieuze verzameling volièrevogels die bij stemmingen vaak alle kanten op vlogen. In zijn villa in Wassenaar bekijkt Kruisinga glimlachend de indrukwekkende lijst van zijn afwijkende stemgedrag binnen de CHU-fractie: ‘Ik vermoed dat dit alleen nog maar de lijst is van mijn Eerste-Kamerperiode. De totale lijst is veel langer. Zo heb ik altijd tegen álle gemeentelijke herindelingen gestemd. Ik geloof in bestuur op kleine, menselijke schaal. Ik vond dat standpunt heel goed passen bij de plattelandspartij die de CHU after all was.’
Ook zijn verzet tegen de invoering van de neutronenbom is volgens Kruisinga (86) terug te voeren op de vrijheid die hij als CHU-vertegenwoordiger had: ‘Binnen de CHU en het CDA bestond over dat wapen geen eenstemmigheid. Als minister van Defensie was ik faliekant tegen, omdat invoering indruiste tegen de Conventie van Genève. Bovendien had ik als medicus gewetensproblemen, omdat een dergelijk stralingswapen de menselijke vruchtbaarheid aantast. Op de achtergrond speelde mijn opvoeding in de doopsgezinde kerk, een genootschap dat tegen wapens is.’
Zijn afwijkende standpunt noopte Kruisinga in maart 1978 tot opstappen, na een kortstondig ministerschap in het kabinet-Van Agt. De oud-bewindsman sluit niet uit dat zijn aftreden verregaande invloed heeft gehad: ‘President Carter heeft kort na mijn vertrek de neutronenbom in de ijskast gezet.’
Verhalen als zou hij door de Amerikanen zijn gedwongen tot opstappen omdat hij politieke contacten onderhield achter het IJzeren Gordijn en bovendien te veel zou drinken, wimpelt Kruisinga weg: ‘Ik dronk en drink graag een glas wijn, maar aanmerkelijk minder dan bijvoorbeeld Henk Vredeling. En ja, ik ging vanwege mijn vroegere werk voor milieubehoud en internationale volksgezondheid geregeld naar Oost-Europa, waar ik bevriend was met een paar bewindslieden. Na afloop kwam er vaak een BVD’er langs die mij vroeg naar mijn ervaringen. Er bestaat van mij een dossier, maar dat is er een van Jan, Piet en Klaas.’

De CHU in de gaten gehouden door de BVD, wie had dat ooit gedacht? Die uiterst brave partij, die niet eens op macht uit was – ‘niet de majoriteit, maar de autoriteit van het Evangelie’, stond in het beginselprogramma – en voornamelijk een burgerlijk-conservatieve koers voer. Een partij ook met redelijk wat landadel, die zich aangetrokken voelde tot het historische karakter van de CHU: onze gewetensvrijheid was niet uit de lucht komen vallen, maar door Willem van Oranje duur bevochten in de Tachtigjarige Oorlog.
‘Ach, we waren een partij van nette mensen’, relativeert baron O.W.A. van Verschuer, die van 1972 tot 1977 partijvoorzitter was. ‘Een vriendenclub die met haar rug naar de politiek toe stond.’ Die mentaliteit is in de huidige fusiepartij soms nog terug te vinden, meent de overtuigde CDA’er: ‘Dat mijn partijgenoot Veerman na vier jaar minister van Landbouw te zijn geweest in 2006 opstapte met de motivering dat hij weer eens wat anders wilde doen, past helemaal binnen het CHU-denken. Wij zijn geen mensen die aan het pluche kleven.’
De auteurs van Gezag en vrijheid, het eerste historisch-wetenschappelijke boek over de CHU, geven van die onthechtheid pregnante voorbeelden. Marcel ten Hooven (51), voormalig politiek redacteur van Vrij Nederland: ‘Bij de formatie van 1948 wilde Kamerlid freule Wttewaal van Stoetwegen van de voortgang van de besprekingen op de hoogte worden gehouden. Het antwoord van fractieleider Tilanus senior luidde: “Nee, dat doe ik niet, want dat is politiek.”’
De CHU maakte een strikt onderscheid tussen regering en volksvertegenwoordiging. Dat dualisme kwam, volgens de auteurs, niet voort uit het Verlichtingsideaal van de trias politica, waarbij rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht ieder een gelijkwaardige rol vervullen, maar uit de overtuiging dat het parlement ondergeschikt is aan de regering. Ron de Jong (47): ‘De regering heeft het gezag van God ontvangen, was de gedachte, en staat daardoor in zijn eigen recht. Zogauw een CHU’er minister werd, zette hij zijn partijpet af en was hij dienaar van de Kroon.’
Wat de auteurs betreft wordt de CHU-mentaliteit in het huidige politieke tijdsgewricht node gemist: ‘De Unie stond model voor de betekenis van harmonie en verzoening in een pluriforme samenleving. Dat ondogmatische was haar stille kracht. Zo’n partij zou in deze tijd van grote woorden en opgeklopte tegenstellingen goed werk kunnen verrichten.’
Jan Wilhelm van Hulst: ‘Voorzover de CHU een politiek programma had, ging dat over een sterke defensie en politie, trouw aan het koninklijk huis en dat soort algemene zaken. De partij was bovenal een wijze van zijn.’ Toch zijn er, wanneer hij de voorbije eeuw overziet, wel enkele politieke successen te noemen: ‘Onze minister De Visser heeft in 1920 de financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs wettelijk kunnen regelen. Dat de CHU de Doorbraak heeft overleefd is ook een belangrijke verdienste. Ik wil hier toch ook De Geer noemen. Hij heeft tijdens de crisisjaren als minister van Financiën Nederland voor een faillissement behoed. Ik vind dat hij voor dat deel van zijn carrière gerehabiliteerd moet worden. De man is te hard gestraft en moet recht worden gedaan’, meent de voormalige CHU-partijvoorzitter.

De behandeling van De Geer, die wegens zijn toegeeflijke houding in de oorlog in 1947 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld, is niet het enige wat gevoelig ligt in de voormalige CHU. Ook de onzichtbaarheid van de christelijk-historischen in het CDA is voor sommigen een pijnlijke werkelijkheid. Sinds het ontstaan van het CDA in 1980 zijn alle belangrijke partijpolitieke functies (partijvoorzitter, Kamervoorzitter, premier en fractieleider in de Tweede Kamer) naar oud-KVP’ers en -ARP’ers gegaan. Jan Wilhelm van Hulst: ‘De CHU-invloed is zo goed als verdampt, ja. Aan de ene kant logisch, want de bloedgroepen bestaan officieel niet meer, maar op gevoelsmatig niveau zijn ze er nog wel. Daarom zeg ik: heel spijtig voor de CHU. Dat de KVP veel posten claimt is logisch. Het was de grootste partij van de drie. We zijn vooral gesneuveld onder de dadendrang van de ARP.’
Er zijn oud-CHU’ers die het niet willen laten bij dergelijke verzuchtingen. Zo bestaan er 28 jaar na de opheffing van de partij nog steeds stichtingen die de christelijk-historische mentaliteit levend proberen te houden in het CDA, zoals de Beerninkstichting (genoemd naar de voormalig CHU-minister van Binnenlandse Zaken) en de Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohmanstichting.
De laatste club organiseerde deze week in de Oude Zaal van de Tweede Kamer een reünie rond honderd jaar CHU, waarbij het boek van Ten Hooven en De Jong officieel werd gepresenteerd aan premier Balkenende. Een comeback van de CHU? ‘Er zijn CDA’ers die vinden dat de CHU meer aandacht verdient’, verklaart Kruisinga diplomatiek. Zelf is de oud-bewindsman, die de totstandkoming van het boek financieel ondersteunde, ook minder enthousiast geworden over de fusiepartij. ‘Als de Unie morgen opnieuw werd opgericht, sloot ik mij meteen weer aan.’

Zo ver gaat Leo de Snaijer (77), bestuurlijk actief in bovengenoemde stichtingen, niet. Hij zegt dat hij ‘als één man’ achter het CDA en Balkenende staat, maar wel beijvert het voormalig hoofdbestuurslid van de CHU zich ervoor dat er voldoende mensen met een christelijk-historische achtergrond op de CDA-Tweede-Kamerlijst staan. Thuis in Vlaardingen houdt hij de stand nauwkeurig bij. ‘Acht van de huidige 41 CDA-Kamerleden hebben wortels in de CHU. Dat is een redelijk aantal. In de jaren tachtig hebben we er zeer slecht voor gestaan. Toen was de fractie groter en waren er maar vijf CHU’ers.’
Tweemaal al heeft hij als privé-persoon voorkeursacties gehouden voor oud-CHU’ers. Eerst voor Jan ten Hoopen, secretaris van de Lohmanstichting, en bij de laatste verkiezingen voor Antoinette Vietsch. Beide keren kreeg De Snaijer zijn favoriete kandidaat op een verkiesbare plaats: ‘Bedenk wel: ik heb alles langs de koninklijke weg gedaan, dus via de kiesverenigingen. Bij de laatste actie heb ik tevens de hulp ingeroepen van zorginstellingen, omdat mevrouw Vietsch uiterst deskundig is op het gebied van volksgezondheid. Vooral de Philadelphia Zorgstichting, waarvan voorzitter Frits Brink een oud-CHU’er is, heeft me uitstekend gesteund.’
De Snaijer beseft dat er over een aantal decennia geen oud-CHU’ers meer zullen zijn, maar tot die tijd moet de strijd doorgaan, vindt hij: ‘We zijn dit avontuur met z’n drieën begonnen. Dan mag de CHU er, als kleinste partner, niet een beetje bij gaan bungelen.’
En zo lijkt honderd jaar na de oprichting van de CHU het machtsconflict tussen De Savornin Lohman en Kuyper nog steeds actueel. ‘Voor sommigen geldt dat zeker’, beaamt baron Van Verschuer, kasteelheer te Beesd (Gelderland). ‘Zelf ben ik erfelijk belast. Mijn betovergrootvader kreeg het als kerkvoogd alhier aan de stok met zijn predikant, Abraham Kuyper. Kuyper zette alles op alles om de kerk te gebruiken als proeftuin voor zijn staatsrechtelijke vernieuwingen, onder meer door te sleutelen aan de kerkelijke kiescolleges. Mijn betovergrootvader heeft zich daar steeds tegen verzet.’
‘En zie hier’, zegt hij, een parallel trekkend met het heden: ‘De heer Aantjes beklaagt zich in de Staatscourant erover dat het CDA niet de kant op is gegaan waar hij als AR-man altijd voor had gevochten. Ik stoor me aan dit soort kuyperiaans gedrag en heb die ergernis ook overgebracht aan onze CDA-voorzitter Van Heeswijk, die me pas uitnodigde voor een gesprek. Lohman tegen Kuyper, inderdaad, die strijd heeft mensen als Aantjes en ik nog altijd iets te zeggen.’

Marcel ten Hooven, Ron de Jong, Gezag en vrijheid: Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie, 1908-1980. Boom/Sun, 376 blz., €29,50