Het fortuynse gedachtegoed

Voor volk en vaderland

De afgelopen jaren heeft Pim Fortuyn zich vooral opgeworpen als bestrijder van het «voortwoekerende cultuurrelativisme». Maar behalve de nationale identiteit beschermen, wil de extravagante libertijn nog meer. Veel en veel meer. En het fortuynse gedachtegoed bedient alle mensen.

Ooit - we schrijven de vroege jaren zeventig - droomde Pim Fortuyn van «de opheffing van de particuliere eigendommen van de productiemiddelen». En al sleten de scherpste marxistische kantjes er snel af, socioloog Fortuyn bleef nog tot ver in de jaren tachtig in de socialistische hoek hangen. Vooral de structurele werkloosheid had zijn aandacht. Fortuyn bepleitte een keynesiaanse conjunctuurpolitiek en meer «plannings- en sturingsinstrumenten» voor de overheid. Gezien de computerisering en robotisering van het productieproces was het volgens hem echter niet aannemelijk dat de vraag naar arbeid weer op peil zou komen. Hij bepleitte daarom ook arbeidstijdverkorting en een basisinkomen zonder sollicitatieplicht. Het door Marx voorspelde «rijk der vrijheid, of in elk geval dat van meer vrije tijd» lag binnen handbereik.

Het denken van Pim Fortuyn wordt vanaf het begin gekenmerkt door de spanning tussen het streven naar individuele vrijheid en een al even nadrukkelijke accentuering van overheid en gemeenschap. In zijn autobiografie Babyboomers (1998) ontmoeten we hem als een getormenteerde ziel. Hij werd in 1948 geboren in een groot katholiek gezin. Zijn vader, van beroep handelsreiziger in enveloppen en papier, omschrijft hij als een slapjanus en een ijdeltuit. Pim was de favoriet van zijn moeder, haar «prinsje». Vanaf zijn vroegste jeugd ervoer hij zichzelf als anders. Hij werd een engerd gevonden, maar met zijn scherpe tong was hij veel kinderen toch de baas: een «kleine dictator». «Ik wist het altijd beter en het moet gezegd worden: ik had vaak gelijk.»

De lagere school beleefde hij als een kwelling, een naargeestig horrorinstituut gedreven door stinkende nonnen met zwarte kappen, katholieke spoken met «terroristische pedagogische inzichten». Alleen zijn vrijdenkende moeder verdedigde Pimmetje nog weleens tegen de schoolautoriteiten. De bekrompen katholieke zuil, die hij als «vol en gesloten» typeert, maakte hem allergisch voor vrijheidsbeperking en vernedering. De roomse verkleedpartijen en riten vond hij echter prachtig. Pim heeft een «voorkeur voor het pompeuze», en als kind droomt hij ervan paus te worden en op een troon te zitten. Met groot genoegen denkt hij terug aan de katholieke verkenners, waar hij het schopte tot vaandrig.

Typerend is ook zijn waardering voor het Haarlemse Mendelcollege. De paters beschouwden onderwijs niet primair als kennisoverdracht maar vooral als vormend: «vorming tot volwassen, weerbare, katholieke mannen». Deze opvatting van onderwijs koestert Fortuyn nog altijd. Wat hem op de middelbare school aansprak, was dezelfde gemeenschapszin die hem eerder in zijn negatieve vorm zo'n walging inboezemde. De paters gaven hem «geborgenheid en erkenning». Fortuyns ambivalente verhouding tot zijn katholieke jeugd verklaart veel van zijn latere grillige optreden. Moeiteloos laveert hij tussen twee rollen. Nu eens is hij de rebel die de gemeenschap genadeloos afslacht, dan weer roept hij diezelfde gemeenschap op zich op haar eigen waarden te bezinnen en zich hecht aaneen te sluiten. Zijn hang naar erkenning is zo wanhopig dat zijn vrijheid hem niet genoeg is. Fortuyn, die zichzelf als «geboren leider» typeert, droomt van de triomf. Recht is pas gedaan als de gemeenschap haar kweller als leider en verlosser heeft aanvaard.

In Babyboomers lezen wij dat de auteur «een unieke positie heeft opgebouwd in de Nederlandse samenleving en in het publieke domein, er is geen tweede». In 1992 openbaarde zich een nieuwe Fortuyn Aan het Volk van Nederland. Op de voorkant van dit werkje staart de auteur, strak in zijn fraaiste maatpak gestoken, ons uitdagend aan, in trotse napoleontische pose en omgeven door oranje banen met de Nederlandse leeuw. «Het is met vertrouwen dat ik mij tot u wend!» zo begint het plechtige epistel, dat wordt ondertekend met: «Een zoon van het Volk van Nederland. Wilhelmus S.P. Fortuyn.» In de hierop volgende jaren is het Nederlandse volk vergast op een eindeloze stroom boeken en columns, waarin libertijnse, neoliberale en nationalistische thema’s op verwarrende wijze dooreengeweven worden.

Toch kent het fortuynisme wel een logica. Aan het Volk van Nederland was opgedragen aan de Overijsselse edelman Joan Derk van der Capellen tot de Pol, die in 1781 een gelijknamig traktaat tegen Oranje en voor de democratie schreef. Het achttiende-eeuwse revolutionaire «patriottisme» combineerde een aantal kenmerken die we bij Fortuyn terugzien. De patriotten waren vurige aanhangers van de republiek en de volkssoevereiniteit. Daarnaast was de individuele vrijheid een groot goed. In hun program was echter ook een dictatoriaal element zichtbaar. Burgers werden niet verwacht zich in partijen en belangenverenigingen aaneen te sluiten. Dit zou leiden tot versplintering van de volksgemeenschap. De natie was een vereniging van individuen, niet van georganiseerde corpora. Tot slot diende elke democratie ook een krachtige nationale identiteit te ontwikkelen. De patriotten associeerden het ideaal van een natieloze wereld met de gedegenereerde, kosmopolitische aristocratie die de banden met het eigen volk had verloren.

Wie Fortuyns werk vanuit dit model onder de loep neemt, komt ver. Hij is lid van het Republikeins Genootschap, staat sympathiek tegenover staatkundige hervormingen die de directe greep van de burger op de overheid versterken, en houdt er een libertijnse vrijheidszin op na - een associatie met Markies De Sade ligt daar trouwens voor de hand. Als bezoeker van darkrooms moet hij van «fatsoensridders» niets hebben. Geheel zonder politieke betekenis is dit niet. In zijn autobiografie beschrijft Fortuyn een pedofiele ervaring die hij als kind had, en die hij als een verrijking heeft beleefd. In het huidige tijdsgewricht zou de betreffende man, de «dader», voor de rechter moeten verschijnen. Ten onrechte, merkt Fortuyn op. Seks met een oudere is voor een kind vaak alleen maar spannend, en het is dan eerder de veroordelende samenleving die het trauma creëert.

Al even verlicht zijn Fortuyns ideeën over illegale roesmiddelen. Hij heeft weinig sympathie voor agenten die «de goddeloze planten uitrukken om ze op te stoken in een groot vreugdevuur op het erf van de zondige tuinder». De war on drugs bedreigt de rechtsstaat, en het ware beter tot legalisering over te gaan. Omstreden is het standpunt van de columnist-politicus ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting. Ook hier grijpt hij terug op een achttiende-eeuwse rebel, namelijk Voltaire, die het recht op het verkondigen van abjecte meningen verdedigde. Helaas heeft Fortuyn zijn sympathieke pleidooi voor het vrije woord opgeluisterd met een aanval op artikel 1 van de Grondwet, dat gelijke behandeling van burgers betreft en met uitingsvrijheid niets te maken heeft.

Achter de libertijnse extravagantie van de leider in spe bespeurt men diep wantrouwen jegens de overheid, die door hem als regelzuchtig en repressief wordt ervaren. Toch blijft politieke vrijheidszin een marginaal thema in Fortuyns werk. Het harde kernstuk van het fortuynisme wordt uitgemaakt door een neoliberale jubelzang op de flexibele economie. Fortuyns betoog berust op twee argumenten. Om te beginnen meent hij dat de verzorgingsstaat met haar collectieve arrangementen een anachronisme is. Deze rigide structuur voldeed in het industriële tijdperk, maar heeft zich thans uit de markt geprijsd. Daarnaast kent Nederland het fenomeen van de ontzuiling. De politieke partijen zijn daardoor in de lucht komen te hangen, maar zij weigeren plaats te maken. Belangen- en politieke organisaties houden ons land in een «wurggreep». Deze moet worden gebroken, wil Nederland niet terugvallen in een toestand van stagnatie en verpaupering zoals die in de achttiende eeuw bestond.

Fortuyn heeft zich voorgenomen «de collectiviteiten te breken». Vooral de «gesloten partijpolitieke kaste» moet het ontgelden. De partijen zijn verworden tot banenmachines voor de elite, werkend in achterafzaaltjes. De leider wenst weliswaar geen einde te maken aan de politieke partij als zodanig, maar zijn interesse in een zakenkabinet en zijn voorkeur voor «bewegingen» spreken boekdelen. Daarnaast zal hij de bureaucratie drastisch snoeien. Onder zijn bewind zal Nederland ook niet langer een «kartelparadijs» zijn. Fortuyn kondigt het einde aan van de «corporatieve economie», waarin werkgevers- en werknemersorganisaties, Kamers van Koophandel en Sociaal-Economische Raad het economisch leven bestieren als een «verlichte dictatuur». Ondernemers zijn «het zuurdesem van economie en natie» en moeten de ruimte krijgen.

In «Verzorgingstehuis Nederland» worden honderdduizenden mensen die best in eigen levensonderhoud kunnen voorzien tot ledigheid en apathie aangezet, als kleuters aan het lijntje gehouden en gecontroleerd tot in de slaapkamer, afgeschreven als nutteloze «onderklasse». Deze verwekelijkte verzorgingsstaat gaat op de schop. Voor chronisch zieken blijft er de bijstand, maar verder is er slechts een mager basisinkomen gegarandeerd, via negatieve inkomstenbelasting, waarbij beperkt bijverdiend mag worden. Andere uitkeringen worden afgeschaft. Wie wil, kan zich particulier bijverzekeren. Ook de baan wordt afgeschaft. In plaats van werknemers worden wij «ondernemers van eigen arbeid». Wij verhuren ons voortaan als freelancers voor een klus.

Fortuyn hoopt op een renaissance van het kleinbedrijf. Bedrijven worden gereduceerd tot superkleine «business-units», en besteden hun werk grotendeels uit. In de geschriften van de charismatische voorman struikelt men trouwens over de term «kleinschaligheid»: kleine scholen, bakkers, gemeentehuizen, ziekenhuizen - allemaal op «menselijke maat», maar uitgerust met de modernste elektronica. In de fortuynistische «contractmaatschappij» worden maatschappelijke collectiviteiten versplinterd. De grote sociale klassen en organisaties lossen zich goeddeels op in een homogene orde van kleine zelfstandigen en kleine bedrijven. Marx zou deze geatomiseerde samenleving honend afdoen als een vlucht naar het verleden, een kleinburgerlijke utopie. Dat hij zich aan utopisme schuldig maakt, ontgaat Fortuyn ook niet. Hij roept op tot eerherstel van het ideaal van de maakbare samenleving, en weigert zich te laten «ringeloren door het haalbare».

Aan de basis van zijn hele hervormingsproject ligt de angst dat de gevestigde elite de samenleving als productief organisme naar de ondergang drijft. Door een fatale combinatie van machtsbreidel en charitas verstikt de zittende kaste de maatschappelijke «vitaliteit» - nog zo'n typisch fortuynse term. Het wordt een deel van het volk toegestaan zich in ledigheid te laten onderhouden, door een ander deel dat zich in zijn productieve inspanningen belemmerd ziet door overmatige bemoeizucht en regelgeving. Een steeds groter dood gewicht wordt door een steeds verder krimpende productieve inspanning opgehouden. De toenemende belastingdruk is hiervan uitdrukking. Maar er is hoop. Alle grote revoluties zijn begonnen als protest tegen te hoge lastendruk, zo merkt de hemelbestormer op - «de grootste was uiteraard de Franse Revolutie».

De afgelopen jaren heeft Pim Fortuyn zich vooral opgeworpen als bestrijder van het «voortwoekerende cultuurrelativisme». Niet langer zijn wij trots op onze eigen cultuur. Van bereidheid haar actief te verdedigen is geen sprake meer. Een funest proces: gezonde nationale gemeenschappen wortelen in een «afgegrensd grondgebied waar mensen zich veilig voelen», en waarin men zich door een «gemeenschappelijke taal, cultuur en mentaliteit verenigd weet». Kern van elke nationale identiteit wordt uitgemaakt door een «gedeelde set normen en waarden». Een volk zonder bewust beleefde identiteit ontaardt in een «los verband van individuen en kleine fluïde gemeenschapjes».

Fortuyn karakteriseert de Nederlandse identiteit als «de moderniteit». Daarmee suggereert hij een open definitie van de Nederlandse gemeenschap, slechts verenigd in de waarden van individuele vrijheid en rechtsgelijkheid. Bij nadere beschouwing blijkt echter sprake van een verenging. De Nederlandse gemeenschap is ook een «joods-christelijke, humanistische cultuur». Fortuyn bepleit een «bewust beleven van onze vaderlandse geschiedenis». Hij ziet de door hem geroemde moderniteit als een «historisch gevormd amalgaam» van jodendom, christendom en humanisme. In deze interpretatie representeerde de modernisering geen terugdringing van het christendom maar een organisch vervolg daarop. Bovendien heeft de moderniteit de meeste resterende «fundamentalistische tanden» van het christendom inmiddels uitgetrokken. Fortuyn neemt de kleine christelijke partijen graag in zijn droomkabinet op. De ideale Nederlandse gemeenschap is dus zowel christelijk als modern.

De afgelopen decennia is de nationale identiteit aan slijtage onderhevig geraakt, om twee redenen. Om te beginnen heeft de internationaal opererende financiële jetset de belangstelling voor de eigen volksgemeenschap verloren. Zij is rootless geworden. Deze vaderlandsloze elite drijft het heilloze project van een federaal Europa aan. Fortuyn kan het Europese Parlement «missen als kiespijn», Nederland gaat weer dicht en Schengen wordt opgezegd. Een «verbond van soevereine staten» - verder gaat Europa niet. De tweede fatale ontwikkeling is de «verwezing» van de samenleving. In de jaren zestig is het patriarchale gezag van de «vader» ondermijnd. Pastoors, directeuren, politiecommissarissen, rechters - niet langer worden zij klakkeloos gehoorzaamd. Fortuyn juicht dit emancipatieproces toe. De nieuwe generatie heeft echter nagelaten een eigen, gemoderniseerd normensysteem te formuleren. Het verantwoordelijkheidsgevoel is daarom afgenomen, hedonisme bedreigt onze gemeenschapszin.

De leider roept dringend op om de aangevreten Nederlandse identiteit in volle luister te herstellen. Het parlement speelt daarbij een voorname rol. Volgens Fortuyn stelt de volksvertegenwoordiging in een democratie namelijk niet alleen de wet vast, maar ook de nationale «kernnormen en kernwaarden». Overdracht en handhaving daarvan worden gegarandeerd door de «daartoe geëquipeerde overheids instanties als het onderwijs, de politie en het Openbaar Ministerie». De fortuynistische overheid heeft een normatieve boodschap, en verwacht ontvankelijkheid van de zijde van haar burgers. Zij bepaalt niet alleen waar wij ons aan te houden hebben - de wet - maar ook vanuit welke visie wij moeten leven. Kortom, al kiest de gemeenschap dan haar overheid, de overheid definieert de nationale gemeenschap.

De derde grote bedreiging van de Nederlandse identiteit wordt uitgemaakt door de islam. Fortuyn koestert het ideaal van de nationale gemeenschap onder het motto: «Eén volk, één land, één samenleving». Hij aanvaardt slechts beperkte multiculturaliteit. Integratie dient «sterke assimilatietrekken» te vertonen. De eis aan moslims van assimilatie heeft twee achtergronden. Om te beginnen vormt de islam «wereldwijd de grootste bedreiging voor de moderniteit». Daarnaast is deze godsdienst ons ook gewoon «wezensvreemd». Fortuyn draagt niet alleen de moderniteit een warm hart toe, maar ook onze specifieke religieuze en culturele tradities. Hij stoort zich aan te veel Turkse muziek in de wijk, en hoofddoeken verlenen een «onbehaaglijke sfeer aan het straatbeeld». Modern van inhoud, Nederlands van vorm, zo lijkt zijn devies.

Fortuyn heeft overigens gelijk wanneer hij beweert dat de boodschap van de koran haaks staat op de moderniteit. Net als de bijbel verwoordt dit boek een «achterlijk», in de zin van premodern, waardensysteem. Onderwerping van de mens aan God, theocratie in plaats van volkssoevereiniteit. Het Verlichte individu dat Gods woord aan kritiek onderwerpt, is onbekend. De vrijheid van het individu wordt niet begrensd door de vrijheid van anderen, maar door Gods geboden. Rechtsgelijkheid tussen man en vrouw kent de koran niet. Bovendien is de secularisering in de islamitische wereld nog nauwelijks op gang gekomen. De komst van grote groepen moslims naar de westerse wereld heeft daarom vooral een regressieve culturele betekenis. Nederland wordt geconfronteerd met een reactionair waardensysteem waarin vrouwen en meisjes op de tweede plaats staan, en homoseksualiteit noch seksuele vrijheid wordt aanvaard. Dit alles vaak op agressieve wijze uitgedragen en kracht bijgezet door zware sociale controle.

In zijn ijver om de Nederlandse gemeenschap te handhaven, weet Fortuyn echter geen maat te houden. Nationaal gevoel impliceert volgens hem dat men er soms «behoefte aan heeft onder elkaar te zijn en niet gestoord te worden door de problemen en belangen van buitenstaanders». Dat is de logica achter zijn voorstel om de grenzen te sluiten en het vluchtelingenverdrag van 1951 op te zeggen. Het feit dat de Nederlandse gemeenschap geen belang heeft bij méér migranten is voldoende grond om het asielrecht opzij te zetten. Dat hij tot financiële steun voor opvang in de regio bereid is, verandert niets aan zijn fundamentele keuze om nationaal belang hier te laten prevaleren boven recht.

De volksleider verzekert ons ondertussen dat de rechtsgelijkheid van alle ingezetenen bij hem, aanhanger van de moderniteit, in goede handen is. Maar hij verwacht wel van de overheid dat zij de Nederlandse gemeenschap met krachtige maatregelen verstevigt. En dan kan er weleens aan die gelijke rechten gemorreld worden. In zijn voorstel de grenzen te sluiten zit al een element van rechtsongelijkheid. Met name vluchtelingen uit «verre oorden met sterk afwijkende culturen» worden geweerd. Graag zou Fortuyn aan de grens selecteren naar godsdienst, en moslims buiten houden. De politicus merkte onlangs verder op dat zij die hier al eeuwen leven «niet in juridisch, maar wel in moreel opzicht» meer rechten hebben dan moslims. Hij pleit voor classificatie van de bevolking naar afkomst, gevolgd door een quoteringsbeleid van vreemdelingen voor wijken en scholen - dit met «enige dwang».

Het sluitstuk van zijn beleid is een verplicht integratieprogramma waarin de Nederlandse taal en «de cultuurbronnen van onze beschaving: jodendom, christendom en humanisme» worden onderwezen. Migranten worden verplicht de Nederlandse cultuur en normen te «respecteren» en «naar de geest na te leven». Daarmee eist Fortuyn bijna met zoveel woorden dat nieuwkomers, als voorwaarde om toegelaten te worden, niet alleen de wet gehoorzamen maar ook ons normensysteem omarmen; eigenlijk behoren zij de islam af te zweren. Het lijkt erop dat nieuwkomers in Fortuyns Nederland het recht zouden verliezen er een afwijkend waardensysteem op na te houden. Overigens past dit voorstel in zijn zware staatsconceptie, waarin de overheid de nationale normen en waarden dicteert - een model dat niet uitblinkt door respect voor het recht en dat zelfs een totalitair kantje heeft. Een van de paradoxen van het for tuynse nationalisme is dat een geprononceerd vrijheidsideaal er samengaat met een zwak ontwikkeld rechtsbewustzijn.

Pim Fortuyn wil iedereen bedienen, van links tot rechts kunnen we bij hem terecht. Met zijn neopatriottisme, een opgewarmd en vers gekruid achttiende-eeuws gerecht, omhelst hij de hele natie. Maar zijn heldhaftige poging om alles en iedereen, van Gay Pride tot de Veluwe, te verenigen tegen de dreiging van buitenaf is tot mislukken gedoemd. Onderlinge twisten zullen het nationale front snel verscheuren. Zijn overmatige ambities spelen hem ook verder parten. Fortuyn laat er geen misverstand over bestaan dat hij hoogstpersoonlijk Nederland naar het herstel gaat voeren. Maar wie in alle ernst beweert een «opdracht» te hebben en «de incarnatie van het volk» te willen worden, komt onherroepelijk ten val. Ironisch genoeg ziet deze patriot over het hoofd dat bonapartisme de Nederlandse traditie vreemd is. Ik besluit graag met een citaat van de Grote Man zelf: «Een kruik gaat zo lang te water totdat hij barst, en dit gaat ook op voor Fortuyn.»