Voor wandelaars en dromers

JAAP ROBBEN (GEDICHTEN) & BENJAMIN LEROY (TEKENINGEN)
ZULLEN WE EEN BOS BEGINNEN?
De Geus, 63 blz., € 14,90

Jaap Robben (1984) noemt zichzelf een cabaretteller, een spitsvondig synoniem voor het type kleinkunstenaar dat hij is: een levenslustige liedjesdichter, een verhalenverteller die het alledaagse bezingt en met woorden jongleert in een klein programma, in een klein zaaltje, of in een klein boekje, voor kleine geluksmomenten.
Zullen we een bos beginnen? is zijn nieuwste kleinkunsttitel, behorend bij een bundel met 24 nieuwe ‘glimlachgedichten’. ‘Vanaf 7 jaar’, staat achter op de cover. Daaraan had ‘en voor andere volwassenen’ moeten worden toegevoegd.
Robbens verleidelijk lichtvoetige toon, verrassend eenvoudig taalgebruik en titels als ‘Flessenpost’, ‘Knolletjes sokken’ en ‘Is al het water ooit verdriet geweest?’ getuigen van een oprechte bewondering voor de kinderziel, en de gedichten zijn een geslaagde eigenzinnige poging hieraan uiting te geven. Maar dat betekent nog niet dat ze per se en alleen voor kinderen zijn bedoeld. Onbevangenheid – het hebben van vrije gedachten en oproepen van nieuwe herinneringen – is niet gebonden aan een bepaalde leeftijd.
Waarom zou je je niet afvragen wat er met je tranen gebeurt?: ‘Zijn mijn tranen aan te wijzen/ in het blauw van onze wereldbol?/ Komen ze elkaar tegen/ in de damp boven de thee/ of in de harde herfstregen/ die mijn raam wakker houdt?/ Misschien ontmoet de een de ander/ in een ijspegel aan een brug/ of zien ze elkaar/ op een wang/ pas weer terug.’
Of waarom niet stilstaan bij het feit dat verloren dingen zoals ‘kwijtgeraakte knikkers, zonnebrillen in zee/ en weggewaaide woorden’ weer van zichzelf worden? ‘Behalve het liefs/ dat ik jou nariep,/ maar dat je niet meer hoorde/ omdat je al bij de brug fietste./ Dat dwaalt met de wind/ voor altijd door/ eindeloos op zoek/ naar jouw oor.’
Wat Robbens nieuwe poëziebundel onderscheidt van Twee vliegen en De nacht krekelt is de illustrator. In plaats van voor Suzanne Hertogs koos hij voor de Vlaamse Benjamin Leroy. Even getalenteerd en even eigenzinnig als Hertogs, maar meer kindgericht. Eigenlijk zijn het Leroys beweeglijke, licht naïeve zwart-wittekeningen die Robbens poëzie óók voor zevenjarigen toegankelijk maakt.
Zijn interpretatie verluchtigt de ernstige en ‘verernstigt’ de luchtige gedichten. Bovendien maakt hij van de bundel een klein verhaal: ‘De flessenpost’ uit het eerste gedicht reist speels met je mee. En op verscheidene door de bundel verspreide tekstloze pagina’s zien we de twee bomen uit het titelgedicht uitgroeien tot een gevarieerd bos met zwijnen, spechten en boomhutten. Een bos waarin plaats is voor wandelende lezers en dromers op zoek naar kleine geluksmomenten.