Over de nationale herrijzenis en de Indische intocht

Voor wie het wil zien

Naar aanleiding van Cinema Olanda schetst Lizzy van Leeuwen een ontluisterend beeld van de Indische migranten die na de oorlog de Nederlandse wederopbouwwoningen betrokken. ‘Overleven was al generaties lang hun motto en zou hun motto blijven.’

Medium sfa222003723
Schiphol, 1962. Een jonge vrouw uit Merauke, Nieuw-Guinea komt met haar zes kinderen aan in Nederland © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / ANP

Wendelien van Oldenborgh presenteerde in 2008 de video-installatie No False Echoes, opgenomen in de monumentale betonklomp Radio Kootwijk op de Veluwe. Eind jaren twintig had Philips hier een radiotelefoonverbinding met Nederlands-Indië gerealiseerd. ‘Hallo Bandoeng!’ Zo luidden de eerste woorden die de kolonie live bereikten vanuit de metropool, uitgesproken door koningin-moeder Emma. Het overzeese gebiedsdeel kon dus op nóg een manier in bezit worden genomen, ditmaal door laagfrequente radiogolven.

Rondom dit gegeven – de triomf van ‘rechtstreekse verbinding’, no false echoes – weeft Van Oldenborgh al filmend een net van dubbelzinnige en betwiste betekenissen; een net dat onder spanning staat doordat ze het laat-koloniale verleden en het heden schijnbaar achteloos aan elkaar vastklinkt. Zo leest de sociaal-kritische rapper van Marokkaanse afkomst Salah Edin het opruiende en ironische pamflet Als ik eens Nederlander was (1913) voor, van de Indonesische nationalist Soewardi Soerjaningrat. Terwijl Edin met licht Marokkaans accent de tekst voordraagt, in de buitenlucht, als een seculiere muezzin vanuit een van de torens van het gebouw, spiedt hij het zonloze, beboste en zanderige landschap rond. Een klein blond meisje, midden in de reusachtige hal en omringd door een groepje toeschouwers, zingt voor een microfoon Indische slaapliedjes. Tussen filosofe Baukje Prins, radiomaker Wim Noordhoek en socioloog Edwin Jurriëns vinden op een open tussenverdieping spontane gesprekken plaats over politieke geschiedenis en de rol van radio. Hun ‘teksten’ zijn van henzelf, in tegenstelling tot die van andere deelnemers aan No False Echoes, wat een verwarrend of zelfs vervreemdend effect teweegbrengt. Van Oldenborgh transformeert het historische gebouw Radio Kootwijk van een holle en obsolete ruimte tot een anachronistische, polyfone chatroom, schijnbaar zonder moderator. Dat dwingt de beschouwer tot onverwachte vormen van (zelf)reflectie, associatie en dissociatie. Idealiter kan daardoor een nieuwe, frisse impuls van betekenisgeving aan de verhouding tussen heden en verleden ontstaan.

In ieder geval kijkt bijna niemand na het zien van No False Echoes nog met dezelfde ogen naar Radio Kootwijk of misschien zelfs wel naar de Veluwe: in de film een roerloze, donkergroene en ontoegankelijke natuurmassa. Ik dacht aan het lot van Soerjaningrat, die vanwege zijn pamflet voor vijf jaar werd verbannen naar Nederland. Hij had geschreven dat het vreemd was dat ‘Inlanders’ gedwongen werden deel te nemen en mee te betalen aan het eeuwfeest van de Nederlandse onafhankelijkheid, in 1913. Salah Edin heeft zich inmiddels om religieuze redenen teruggetrokken uit het culturele circuit.

Locatiekeuze lijkt van doorslaggevende betekenis te zijn in het droomachtige en toch vlijmscherpe werk van Van Oldenborgh, dat op eigenzinnige wijze poogt bij te dragen aan het hakkelende postkoloniale discours in Nederland. Een jaar na No False Echoes bijvoorbeeld situeerde ze een video in de Koninklijke Militaire Academie (Instruction, 2009), waarin cadetten teksten voorlezen en bediscussiëren die betrekking hebben op de ‘politionele acties’: fragmenten van politieke en militaire analyses, een televisiescript uit 1969, memoires van kapitein Westerling en een reisverslag van Van Oldenborghs moeder, die terugkeerde naar Indonesië na haar vertrek als kind (als postkoloniale migrant). Ook hier resoneren ongelijksoortige stemmen, eveneens binnen de muren van een met historie beladen maar ook omstreden gebouw, waardoor het ongemak van deze polyfonie nog sterker uitkomt. Eerder situeerde Van Oldenborgh werk in museum het Mauritshuis (Maurits Script, 2006) en in het Tropenmuseum (La Javanaise, 2012).

Voor haar nieuwe werk Cinema Olanda, dat gepresenteerd wordt in het Nederlandse paviljoen tijdens de 57ste Biënnale van Venetië, koos Wendelien van Oldenborgh de Rotterdamse naoorlogse wijk Pendrecht als plek, met als brandpunt de modern ogende Sint Bavokerk, die in 1960 werd ingezegend. Op het ruime en lege voorplein van de kerk staat, los van het kerkgebouw, een doorzichtige klokkentoren, als een architecturaal uitroepteken.

Pendrecht stond, en staat, model voor de naoorlogse wederopbouwinspanning, die gestalte kreeg in langs de lineaal ontworpen ‘open’ en ‘groene’ buurten en pleinen, vaak voorzien van functiescheiding en uitgebalanceerde hoogbouw. Er werd door architecten en stedenbouwkundigen van een optimistisch mensbeeld uitgegaan: niet stilstaan bij het traumatische verleden, maar samen óp naar een toekomst waarin met behulp van adequaat onderwijs, regelmatige kerkgang, duidelijke taakverdeling en vooral hard werken en zuinigheid voor iedereen een fatsoenlijk bestaan gegarandeerd zou zijn. In Rotterdam was de oorlogsschade aan de gebouwde omgeving het grootst, reden waarom de wederopbouwfilosofie daar het meest zichtbaar werd beleden. Maar echo’s daarvan waren in tal van steden te bespeuren: niet alleen door de oorlog getroffen stadsdelen, maar ook compleet nieuwe buitenwijken werden volgens dit concept ingericht.

Uit de schreeuwende woningnood moest een vernieuwde maatschappelijke orde worden geboren: met vereende krachten zou Nederland herrijzen uit de oorlogspuinhopen – óók die van onzedelijkheid, fatsoensbederf en moreel verval. Aan de basis van die herrijzenis stonden de wederopbouwwoningen, met hun bescheiden omvang, lage huur en matige kwaliteit.

‘Hollandse jongens zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken’

In zulke woningen, in zulke wijken, kwamen in de jaren vijftig en zestig de Indische migranten terecht. Ze waren losgelaten door een land waarin geen plaats meer was voor zichtbare representanten van het kolonialisme – en toegelaten tot een land dat er steeds meer aan had gedaan om hen, als vleesgeworden collateral damage van het vaderlandse imperialisme, buiten de deur te houden. Hoogopgeleide en meestentijds blanke repatrianten waren hun voorgegaan, hun werkgevers betaalden de overtocht. Hun kinderen spraken goed Nederlands en haalden snel hun schoolachterstand in. Vaak vonden ze een eerste onderkomen bij familie of vrienden en via hen ook een baan.

Vanaf 1952 begon de populatie die uit Indonesië binnengolfde te veranderen: de kleur werd donkerder, de opleidingsgraad lager en er gingen taalachterstanden spelen. Vooral deze Indo’s waren, voorafgaand aan hun intrek in een wederopbouwwoning, aangewezen op de ‘contractpensions’: door de overheid voorgefinancierde, vaak karige kosthuizen waar ze zich moesten voegen naar de Hollandse huisregels. In totaal zou het om 134.000 mensen gaan: Nederlanders, voor het eerst in Nederland.

Onder hen waren mensen die een lange voorgeschiedenis van exceptie en marginalisering met zich meenamen; een subculturele erfenis waarover meestal schaamte bestond, maar waaraan soms ook een gevoel van brani – zelfbewustheid, vitaliteit, lef – werd ontleend. ‘Overleven’ was al generaties lang hun motto en zou hun motto blijven; óók in de modernistische en hoopvol gestemde woonblokken van de hun toegewezen wederopbouwwijk.

Het was tegen de achtergrond van gloednieuwe galerijflats en duplexwoningen dat de continuering van ‘onaangepaste’ of zelfs ‘dubieuze’ Indische praktijken en toestanden plaatsgreep. Hoe een begin te maken met een schets van deze Nederlands-Indische subcultuur?

Den Haag-Zuidwest, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollandse jongens zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten.

Dit is een fragment uit Alfred Birney’s autobiografische roman De tolk van Java (2016), genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs: een kroniek van generaties van gewelddadige Indische ontsporing, maar ook van Indische vindingrijkheid. (Die ontsporing kon trouwens ook gegoede Indische milieus treffen, want misstappen waren in de kolonie snel gemaakt en geweld lag aan de basis van het koloniale samenleven.) In zijn boek noemt Birney de stedenbouwkundige Willem Dudok, ontwerper van de wijk, een ‘kille man’, ‘anders had hij nooit dat afzichtelijke Den Haag-Zuidwest kunnen bedenken’. Zuidwest-Haagse straatgevechten en huiselijk geweld figureren nadrukkelijk in De tolk van Java. Zo geeft Birney een sociologisch aandoende opsomming van de Indische varianten van ‘een tik op je smoel’, in oplopende graad van heftigheid (een beuk; een flèr; een tik; een mep; een lel; een trap; een aframmeling; een pak ransel; een dreun; een uitputtingsstraf. Die laatste hield in: ‘je moet jezelf opdrukken en hardop tot honderd tellen, gevolgd door honderd kniebuigingen. Haal je het niet, dan volgt punt 8’ – een pak ransel.)

Het bijzondere van Birney’s roman is dat de schrijver de genealogie van Indisch geweld niet, zoals zo vaak, in de Tweede Wereldoorlog laat beginnen, maar ver daarvoor: in de dagelijkse regelmaat van de laat-koloniale praktijk.

‘De groote tragiek van dit verdomde koloniale leven is toch wel het bestaan van den verdomde Indo’

Aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er in Nederlands-Indië een stadsproletariaat van arme sloebers: de nazaten van in de steek gelaten kinderen van blanke vaders en Indonesische moeders. Deze nazaten waren zonder culturele traditie, zonder familiegeschiedenis, zonder land, bezittingen, opleiding of duidelijke plaats in de koloniale maatschappelijke orde. Geweld en ontucht hoorden bij de default-levenswijze van de ‘kleine Indo’s’ of ‘paupers’, zoals de regering hen betitelde. Door dubieuze praktijken, aanzienlijk vernuft (vooral van vrouwen) en de nodige hardheid slaagden ze erin te overleven, de een beter dan de ander. Deze wereld is onvergetelijk beschreven in de verhalen van Vincent Mahieu (of Tjalie Robinson; pseudoniemen van Jan Boon) over de liefde voor jagen en knokpartijen (zoals in ‘Miere’: ‘Die vent, hij kijk, Tjoh…’ ‘Hij is onbeschoft.’ ‘Na goed, beuk hem dan. Maar één voor één!’) Ook schreef hij over de passie voor motorfietsen (‘Wharrr-wharrrr-wharrrrr!’) en kortstondige erotische avonturen.

Officieel bestonden er geen Indo-Europeanen in Nederlands-Indië. In het dagelijkse koloniale leven werd hun bestaan zo veel mogelijk over het hoofd gezien. ‘Geloof me, ze hebben het land aan ons, omdat wij bruin zijn als de Inlanders’, zegt Boeng, de hoofdpersoon uit de ‘realistische’ roman De paupers (1912) van de kunstcriticus Hans van de Wall – kort voordat Boeng een van zijn kameraden doodslaat uit seksuele jaloezie. Een andere ‘realistische’ roman, Batavia bij Nacht (1928), van de auteur ‘J. v.d. Heijden’, laat nauwkeurig de wereld zien waarin de ‘kleine Indo’s’ destijds in Batavia thuishoorden: van betaalde seks, kleine criminaliteit en van allerlei vormen van geweld. Straatarme Indische en Indonesische vrouwen, de zogenaamde ‘hippies’, prostitueerden zich in de benedenstad, beschermd door een pooier, die ‘maar al te gaarne een duchtig pak rammel toedient… Gelukkig gebeuren dergelijke gevalletjes maar zelden op den openbare weg, daar deze heertjes liever hun kans afwachten als hun slachtoffer zich in een donker kampong-steegje bevindt.’ De details van de gruwelmoord op de Indische prostituee Fientje de Feniks, in 1912, door de Indo Gramser Brinkman (hij verwurgde zichzelf de nacht voordat hij opgehangen zou worden), hielden aankomend schrijver E. du Perron jarenlang uit de slaap en waren emblematisch voor de lichtgetinte toestand van de Bataviase onderwereld. Dat Fientje, om te overleven, altijd een geladen revolver bij zich had vond het meelevende publiek normaal, evenals het feit dat Fientje’s bejaarde buurvrouw elke avond opium schoof.

‘De groote tragiek van dit verdomde koloniale leven is toch wel het bestaan van den verdomde Indo’, schrijft de Zeeuwse journalist Willem Walraven, in 1937 werkzaam op Java. ‘Het zijn onze medeburgers, maar wij kennen hen niet en wij leven niet met hen. Laat hen gaan. Zij komen door de wereld, maar op hun manier, niet op de onze’. Deze teneur bleef: de Amsterdamse socioloog Wim Wertheim stelt tijdens zijn oratie in maart 1947, aan de vooravond van de wederopbouwinspanning: ‘Eenvoudige Indo’s vormen verreweg de talrijkste groep in het oude Indië van hen, die te boek staan als ‘‘Europeaan’’… de stand der kleine ambtenaren en opzichters. Den Haag bezit reeds sinds vele jaren voorbeelden van dit type Indo. En dan kent men de uitlopers der Indo-groep ‘‘aan de rand van de kampong’’, aan de zelfkant der Indische stedelijke samenleving… een groep van maatschappelijk gedeclasseerden.’

Nog geen drie jaar later zou hun status zich wijzigen in die van politiek ontheemden.

De buslijn naar Geuzenveld, een wederopbouwwijk in Amsterdam-West, werd begin jaren zestig de ‘knoflook-expres’ genoemd, omdat er zoveel Indische repatrianten terecht waren gekomen. In sommige nieuwe buurten was aan hen maar een enkele woning toegewezen, zoals in de Hoflaan in Leiden. Daar kwam de achtjarige Karina Schaapman met haar in de steek gelaten Indische moeder wonen, op de tweede verdieping van een portiekflat. Later zal ze haar herinneringen aan deze tijd publiceren in Zonder moeder (2004). Haar moeder spreekt Petjoh – het Indisch Nederlands – en Maleis. Het kleine gezin leeft in een isolement, heeft chronisch te weinig geld en wordt uitgescholden door de buren: ze ‘moeten oprotten naar hun eigen land’. Na een fysieke aanval doet haar moeder voorgoed de gordijnen dicht. Thuis met z’n tweeën is het knus en veilig. Soms lijdt Karina honger omdat er geen eten in huis is, dan huilt haar moeder. Het enige meubilair bestaat uit een eenpersoonsbed, een kast en een bureautje. Soms doet de petroleumkachel het, soms niet. Als Karina’s moeder opgenomen wordt omdat ze dodelijk ziek is, blijft het kind alleen achter. Van het beetje geld dat ze krijgt koopt ze elke dag vla en een Mars. Ze vervuilt. Ze beschrijft hoe haar ‘onderkantje’ kapot gaat van haar ongewassen onderbroeken en hoe ze probeert te slapen op een matras dat bijna doorweekt is met urine. De woning verandert in een stinkende puinhoop. Karina vertrekt voorgoed uit de Hoflaan als haar moeder gestorven is, ze is dan dertien. Na een periode van sekswerk belandt ze in de politiek, van waaruit ze verder carrière maakt.

In Den Haag-Zuidwest komen naar verhouding de meeste Indische migranten terecht – zo ook Patty Brard. In 1962 arriveert ze daar, als zevenjarige, vanuit Nieuw-Guinea en betrekt met haar ouders een wederopbouwflat. Haar loopbaan – begonnen als ‘de donkere’ glamourzangeres bij de meidenband Luv’ en voortgezet als levendige televisiepersoonlijkheid – kent grote ups en downs. Bedrogen door haar partner gaat ze in 1994 failliet, met een schuld van 2,7 miljoen gulden. Wat zowel als hoogte- en als dieptepunt wordt beschouwd is dat ze in 2005, voor het oog van de camera, in haar realityshow Patty’s Fort, een klysma onderging. ‘Ze mochten alles vastleggen, daar hou ik me aan’, becommentarieerde ze. En: ‘Ik ben superordinair, maar wel zuiver’ (uit: De naakte waarheid, 2003).

Weer een ander perspectief geeft Greg Remmers, geboren in 1948 in Soerabaja uit Indische ouders; hij krijgt een naoorlogse galerijflat toegewezen in Vinkeveen, aan de Talingenlaan. Daar wordt hij vader van drie zonen en begint hij een lange criminele loopbaan. Zijn eerste veroordeling dateert van 1975. Hij stuurt zijn jongens op vechtsport, want ze moeten zich kunnen verdedigen. Hun in Bandoeng geboren moeder Haidy raakt aan de drugs. Als kopstuk van de Nederlandse drugscriminaliteit brengt Remmers 27 jaar in de gevangenis door; zijn in karate bedreven zoon Jesse (‘De Chinees’) zit inmiddels vanwege zeven liquidaties een levenslange gevangenisstraf uit. Een procesverbaal meldt: ‘De verdachte [Jesse] R. verklaarde dat de criminaliteit voor sommige mensen een keuze is en voor sommigen niet’. Ook Remmers’ zoon Andy wordt opgesloten. Remmers’ vermogen wordt in 2010 door Quote geschat op minstens tien miljoen euro. In een interview met Panorama bespreekt de 68-jarige Remmers de jeugd van zijn drie oudste kinderen: ‘Hun moeder was er nooit. Die kinderen waren echt asociaal aan het worden in de periode dat ik vastzat, daar ben ik erg van geschrokken’.

Daarmee bedoelde Remmers niet dat zijn kinderen voor galg en rad opgroeiden. Hij bedoelde dat zijn kinderen voor galg en rad opgroeiden zonder het besloten Indische huiskamergevoel en de daarbij passende en allesoverheersende geur van het eten. Zonder de gordijnen dicht. En natuurlijk zonder regelmatig een flèr of aframmeling te krijgen; zonder Indische discipline. Remmers haalde zijn kinderen op tijd van straat en bracht hun met succes de noodzakelijke mores bij.

Achter deze drie bekende vertegenwoordigers van ons vleesgeworden overzeese erfgoed staan tienduizenden onbekenden, wier verhalen – én die van hun kinderen – niet in de openbaarheid komen, maar wel werden opgetekend in politiearchieven en wachtlijsten van de ggz. En ook in cliëntenbestanden van de Sociale Dienst, ordners van Justitie, administraties van crisisopvang en verslavingszorg, patiëntenlijsten van psychiatrische inrichtingen, dossiers van tbr-klinieken en logboeken van eerstehulpafdelingen van ziekenhuizen.

Den Haag-Zuidwest, Geuzenveld, Pendrecht: zomaar drie wederopbouwwijken, waar uit de betonnen, strak-modernistische woonkasten de postkoloniale lijken bleven tuimelen. Voor wie het wil zien.